| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
| Het spook van het cyberterrorisme |
|---|
|
“In toenemende mate maken terroristische groepen, inclusief Hezbolla, Hamas, en bin Laden’s al-Qaida groep gebruik van gecomputeriseerde bestanden, e-mail, en encryptie om hun acties te ondersteunen”
[George Tenet, directeur van de CIA, maart 2000]. |
“Wij maken gebruik van alle instrumenten die we kunnen gebruiken e-mails, het internet om de jihad tegen de bezetters en hun bondgenoten te faciliteren. De knapste koppen werken met ons samen” [Sheik Ahmed Yassin, oprichter van de militante Moslim groep Hamas, in een interview in de Gaza Strip]. |
Bedreiging van nationale veiligheid
Een spook waart door de wereld het spook ook van het cyberterrorisme. Alle inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de grootmachten ter wereld hebben zich verbonden tot een heilige drijfjacht tegen dit spook. De nationale veiligheid wordt niet meer alleen bedreigd door conventionele, chemische, biologische of nucleaire aanslagen door terroristen of schurkenstaten, maar ook door cyberterrorisme. Cyberterrorisme zou wel eens de grootste bedreiging van de nationale veiligheid kunnen worden, juist omdat het zo revolutionair is. Het internationaal terrorisme is gevaarlijker dan ooit en moeilijk te bestrijden [Mates 2001]. De door de Amerikaanse president George W. Bush uitgeroepen ‘oorlog tegen het terrorisme’ lijkt de terroristische dreiging slechts te versterken.
Vooral in de Verenigde Staten is men er pijnlijk op gewezen hoe kwetsbaar men is voor vijanden die terroristische acties niet schuwen en bereid zijn om daarvoor hun eigen leven op te offereren. Zelfs de meest fanatieke en godsdienstwaanzinnige terroristen weten echter dat zij de Verenigde Staten niet kunnen verslaan met tanks en vliegtuigen. Zij proberen het speelveld gedeeltelijk te verleggen of uit te breiden naar cyberspace. Voor hoogontwikkelde wereldmachten is het bijzonder moeilijk om zich effectief te beschermen tegen aanslagen in cyberspace. Schoorvoetend dringt het besef door dat sterke naties uiterst kwetsbaar zijn voor cyberaanslagen die door die door zeer vastbesloten kleine groepen worden gepleegd, al dan niet met steun van vijandige staten. De organisatoren van cyberaanslagen op vitale infrastructuren zijn waarschijnlijk geen staten, maar terroristen en criminele groepen [Gilmore Commission 2000].
In zijn verklaring voor de Committee on Intelligence van de Amerikaanse Senaat suggereerde de directeur van de Centrale Inlichtingendienst George J. Tenet op 7 februari 2001 dat het door staten gesponsorde terrorisme in de voorafgaande jaren was afgenomen. De nieuwe dreiging komt veeleer van transnationale groepen met een gedecentraliseerd leiderschap dat moeilijker is te identificeren en een netwerkstructuur welke zich moeilijk laat ontregelen. Er zijn minder centraal gecontroleerde operaties, en meer handelingen die op lagere niveaus worden geïnitieerd en uitgevoerd. Natuurlijk bestaan er nog steeds leiders, maar dat zijn niet zozeer militaire commandanten dan wel charismatische figuren die politieke en ideologische leiding geven.
Gedecentreerd high-tech terrorisme
Cyberterrorisme is een gedecentreerde vorm van terrorisme, en is daarom moeilijker te bestrijden dan het traditionele terrorisme met zijn gecentraliseerde organisatie en leiderschap. Het terrorisme van de toekomst is gedecentreerd in haar organisatie en leiderschap en gebruikt nieuwe middelen. Ook terroristen leren gebruik te maken van geavanceerde technologieën.
De meest directe en serieuze dreiging gaat uit van Osama bin Laden en zijn wereldwijde netwerk van luitenanten en geassocieerden. Sinds 1998 heeft Bin Laden alle Amerikaanse burgers legitieme aanvalsdoelen bestempeld. De bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Afrika in 1998 en zijn Millennium plots lieten al zien dat zijn netwerk in staat is om zonder enige waarschuwing meerdere aanslagen tegelijkertijd te organiseren. Bij de gecombineerde aanslag op het World Trade Centre in New York en het Pentagon in Washington op 11 september 2001 rees daarom direct het vermoeden dat Bin Laden hiervoor verantwoordelijk was.
|
In de jaren ’80 was Bin Laden een van de guerrilla-leiders tegen de bezetting van Afghanistan door de toenmalige Sovjet-Unie. Na de militaire nederlaag van de Sovjet-Unie kwam daar de fundamentalistische moslimbeweging Taliban aan de macht. De islamitische Taliban-regering heeft Bin Laden toegestaan zich in Afghanistan te verschansen en weigerde hem uit te leveren. De Amerikaanse aanval op het ‘terroristen nest’ Afghanistan bracht het taliban-bewind ten val, vernietigde kerndelen van Bin Laden’s netwerk, maar kreeg de spin van het netwerk niet te pakken. De politieke invloed van Bin Laden op verarmde en vernederde delen van de Arabische en Islamistische gemeenschappen werd hierdoor alleen maar versterkt. Bin Laden werd het inspirerende voorbeeld voor islamitische vrijheidsstrijders. Het doel van Bin Laden en zijn Al-Qaida netwerk is het hele Arabische schiereiland van Amerikaanse invloeden te zuiveren. In het bijzonder moeten de drie heilige plaatsen van de islam Mekka, Medina en Jeruzalem worden bevrijd. Op lange termijn wil Bin Laden een wereldwijd kaliefaat instellen. Dat is een regeringsvorm waarin staat en religie volledig met elkaar verweven zijn, en waarin de elite(s) van de dominante kerken of stromingen het ‘recht op het laatste woord’ in alle politieke beslissingen opeisen. Instellingen en landen die zich tegen zo’n staatsvorm verzetten moeten door gewelddadige aanslagen in het fundamentalistische gareel worden gebracht. |
Terroristische groepen gebruiken elk wapen dat gemakkelijk te hanteren is. Internationale terroristische netwerken hebben de explosie in informatie- en internettechnologie gebruikt om zich sterker te maken. Dezelfde technologieën die mensen gebruiken om online met elkaar te communiceren, informatie uit te wisselen, sociale netwerken te bouwen of boeken te kopen, maken het ook mogelijk dat terroristen via internet geld inzamelen, hun dogma’s en geloofsartikelen verspreiden, rekruten vinden, de interne organisatie reguleren en grootschalige operaties plannen. Sommige groepen ontwikkelen zelf rudimentaire instrumenten voor cyberaanslagen. Terroristische groepen zoeken actief op het internet naar informatie over chemische, biologische, radiologische en zelfs nucleaire aanslagen. En zij zoeken vooral naar relatief goedkope, maar uiterst krachtige middelen van ‘massadisruptie’ via internet.
Dreigingen
Geen ander land ter wereld is zo afhankelijk van informatiesystemen als de Verenigde Staten. Daarom maakt men zich juist daar zoveel zorgen over de kwetsbaarheid voor aanslagen op vitale informatiestructuren. De grootste dreiging bestaat hierin:
|
|
In het verleden concentreerden supermachten concentreerden hun aandacht altijd op het ‘buiten de deur’ houden van terroristen. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten brachten terroristische dreigingen in kaart, lokaliseerden potentieel gevaarlijke organisaties en sektes, identificeerden leiders, leden en aanhangers, en spoorden logistieke en tactische bronnen op. Al deze inlichtingen hadden primair als doel terroristen bij de grens van de natie te keren of binnen de natie te isoleren. Tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. “De grenzen die ons altijd beschermden tegen dit soort internationale verschijnselen zijn steeds minder belangrijk, en met name in cyberspace zijn er geen grenzen” [Richard Clarke, landelijk coördinator voor veiligheid, bescherming van infrastructuur en contra-terrorisme voor de National Security Council, tijdens een persconferentie].
Al in 1991 sloeg de National Research Council alarm in haar rapport Computers at Risk: “De terrorist van morgen is in staat om meer te doen met een toetsenbord dan met een bom”. In 1998 werd deze waarschuwing herhaald in het rapport Cybercrime, Cyberterrorism, and Cyberwarfare van het Global Organized Crime Project van het Center for Strategic and International Studies in Washington, D.C.:
Volgens de directeur van het National Infrastructure Protection Center [NIPC, maart 2001 ], Ronald L. Dick kunnen de meest vitale infrastructuren van de VS door iedereen worden aangevallen: van schurkenstaten, via terroristenorganisaties tot ontevreden individuele werknemers. Aan het begin van de 21ste eeuw werden er elke week zo’n 50 nieuwe computervirussen gemaakt, die allemaal in staat zijn om schade te aan te richten. Er is wel gesuggereerd dat de grootste dreiging niet zozeer komt van terroristische organisaties of netwerken die internettechnologie gebruiken om vijandige landen of culturen militair of economisch te vernietigen, maar van ontevreden werknemers [Intrusions into Government Computer Networks]. De zwakste schakel in de keten van computerveiligheid is de mens. De meeste computerinbraken zijn mogelijk door menselijke fouten.
Wat is cyberterrorisme? |
|---|
|
|
Cyberterrorisme in strikte zin is het gebruik van technieken en tactieken van ‘informatie-oorlog’ door terroristische organisaties teneinde cyberspace te beïnvloeden. Een cyberterrorist opereert uitsluitend binnen cyberspace. De infrastructuren die het bestaan van cyberspace ondersteunen worden niet fysiek vernietigd. Een technoterrorist richt zijn aanval tegen de systemen die in de fysieke wereld bestaan, teneinde cyberspace te vernietigen. Technoterreur richt zich dus tegen de hardware, de computers zelf worden met conventionele wapens zoals bommen en fysieke aangevallen [Littleton 1995]. Meestal wordt de term cyberterrorisme breed gedefinieerd zodat dit ook het technoterrorisme omvat.
Cyberspace is een permanent slagveld geworden. Cyberspionnen, dieven, saboteurs en sensatiezoekers breken in computersystemen, stelen persoonsgegevens, verhandelen geheimen, vandaliseren websites, ontregelen elektronische diensten, saboteren gegevens en systemen, lanceren computervirussen en wormen, bedrijven frauduleuze handelingen en persen particulieren en bedrijven af. Dergelijke criminele activiteiten worden vergemakkelijkt door steeds krachtiger en gebruiksvriendelijker software waarmee computerinbraken en systeemmanipulaties kunnen worden uitgevoerd. Zeer geavanceerde inbraak-, virus- en ontregelinssoftware kan volledig gratis van duizenden websites op het internet worden gedownload.
Veel aanvallen op computersystemen zijn serieus en kostbaar. Het ILOVEYOU virus heeft in mei 2000 naar schatting tientallen miljoenen gebruikers besmet en 6,4 miljard dollar schade veroorzaakt. De denial-of-service aanval tegen Yahoo, CNN, eBay en andere commerciële websites zou meer dan een miljard dollar schade hebben veroorzaakt. Dit schokte het vertrouwen van ondernemers en consumenten in e-commerce.
Technieken, methoden en tactieken: Aanvallen.....! |
|---|
Hoe gaan cyberaanslagen in zijn werk en welke middelen en tactieken worden daarbij gehanteerd? Er bestaat inmiddels een groot repertoir aan middelen en methodieken om de toegang tot computers te blokkeren, computernetwerken te ontregelen en gegevensbestanden te manipuleren. Om een indruk te krijgen volgen eerst een paar voorbeelden.
In 1998 bombardeerden Spaanse activisten het Institute for Global Communications (IGC) met duizenden nep-emails. Omdat deze email niet bij ISP-gebruikers bezorgd kon worden werd de emailvoorziening lam gelegd. De activisten overlaadden IGC medewerkers en hun accounts met spam, overvielen hun website met nepbestellingen met creditcards, en dreigden dezelfde tactiek toe te passen op organisaties die gebruik maken van IGC diensten. Volgens de activisten ondersteunde het IGC terrorisme omdat haar website materiaal over de terroristische groep ETA bevatte. Het IGC besloot uiteindelijk toe te geven en haalde de site van het net.
In 1998 overspoelde de Tamil guerrillas ambassades van Sri Lanka gedurende twee weken met miljoenen e-mails. De boodschap luidde: “We are the Internet Black Tigers and we’re doing this to disrupt your communications.” Waarschijnlijk was dit de eerste politiek gemotiveerde cyberaanslag op computersystemen van een land. De aanval was bedoeld om de communicatie van de overheid te ontregelen
Er werd ook gebruik gemaakt van de techniek van het ‘onthoofden’ van webpagina’s: het stelen of modificeren van de openingspagina. Nadat per ongeluk de Chinese ambassade in Belgrado was gebombardeerd, plaatsten Chinese hacktivisten boodschappen zoals: “We won’t stop attacking until the war stops!” op websites van de Amerikaanse overheid.
Sinds het Kosovo conflict is cyberspace veranderd in “an ethereal war zone where the battle for the hearts and minds is being waged through the use of electronic images, online discussion group postings, and hacking attacks” [Los Angeles Times, april 2000]. Het was slechts de eerste ronde van wat een belangrijk, uiterst geavanceerd instrument zal worden in de eeuwenoude traditie van oorlogspropaganda [Pratkanis/Elliot 1991]. Als oorlogsstrategen zich daarover al geen zorgen maakten, dan doen zij dat sindsdien wel degelijk [Kosovo in Oorlog].
|
De technologie voor het digitaal manipuleren van beeld, video en audo bestanden is in de laatste jaren sterk ontwikkeld. Het gevolg hiervan is dat er een groot aantal programma’s verkrijgbaar zijn waarmee informatie in binaire databestanden kan worden verborgen. Met steganografie wordt informatie ingevoerd in digitale bestanden die voor het menselijke oog onzichtbaar blijven. Maar toch worden door de manipulatie van beelmateriaal de ‘originele’ eigenschappen van het digitale bestand vervormd en gedegradeerd [Johnson/Jajodia 1998].
Op de vrije internetmarkt zijn honderden programma’s verkrijgbaar waarmee stego-bestanden gemaakt kunnen worden. Daar staat tegenover dat er nu ook programma’s verkrijgbaar zijn waarmee stego bestanden geïdentificeerd kunnen worden. WetStone Technologies ontwikkelde een stegodetector met de naam S-Dart. Dit programma inspecteert of er op websites bestanden staan die tekenen vertonen van steganografie. Niels Provos ontwikkelde de Stego Suite, een programma voor de opsporing en analyse van digitale steganografie in .pnm en .jpeg beeldformaten en in het .wav audio formaat.
|
|
Eind 2000 werd het controlenetwerk van de elektriciteitsdistributie van Californië gekraakt door een hacker die hierdoor in staat was het licht uit te doen [bron]. In juni 2001 werd een vergelijkbare poging gedaan [bron]. Het controlecentrum van de Gazprom, de Russische Gasunie, werd overgenomen door hackers die de pompen en afsluiters konden bedienen [bron]. Een Australische hacker kon de afsluiters en pompen van de riolering zodanig manipuleren dat de riolen overstroomden in de rivier en kustwateren van Maroochydore. Wat in het water leefde ging dood, de rivier werd zwart en de stank voor de bewoners was ondragelijk [bron]. Deze voorbeelden geven een indruk van ontwrichtende en destructieve effecten die bereikt kunnen worden met een minimum aan middelen en een gemiddelde kennis van ontregelingstechnieken. In diverse landen stellen overheden of militaire instanties inmiddels enorme fondsen beschikbaar voor hooggekwalificeerde computer- en netwerkexperts die nieuwe cyberwapens ontwikkelen. Hierdoor zullen er nog veel krachtiger en effectiever ontregelingstechnieken in het cyberstrijdperk worden geworpen. |
Zowel het internet als op zichzelfstaande computersystemen kunnen van binnenuit of van buitenaf worden gemanipuleerd en vernietigd. Van buitenaf is dit is bijvoorbeeld mogelijk met instrumenten zoals het op afstand afluisteren van datacommunicatie van computers (‘square waves’), toetsenborden (‘keystroke logging’) en van draadloze lokale netwerken en mobiele computers. Draadloze netwerken kunnen vanaf grote afstand worden afgeluisterd ën gemanipuleerd.
|
Intussen zijn er niet-nucleaire methoden ontwikkeld om sterke elektromagnetische impulsen op te wekken. Een van de technisch meest uitgerijpte methoden is de Flux Compression Generator Design (FCD). Het principe van de bommen die daarmee gemaakt kunnen worden is dat door een explosie een elektromagnetisch veld in zeer korte tijd wordt gecomprimeerd. Daarbij verandert de mechanische explosieenergie zich in elektromagnetische energie die door de bom als elektromagnetische impuls wordt vrijgemaakt. De elektronische bommen van dit type bevinden zich intussen ook in de arsenalen van de strijdkrachten van staten uit het voormalige Oostblok. Zij genereren een elektromagnetische impuls van miljoenen Joules, die in enige tienden tot hondersten microseconde vrijkomt [Güow 2001].
|
Met het HERF-wapen kunnen de elektronische circuits van computers en communicatieapparatuur zo sterk worden overbelast dat het aangevallen informatiesysteem volledig wordt ontwricht. De elektromagnetische signalen zijn zo sterk dat niet alleen de cruciale interne componenten van het systeem (chips en de elektrisch transfertechnologie) worden vernietigd, maar ook de harddisks, floppy diskettes, tapes en backups. De elektromagnetische impuls verplaatst zich via antennes of bedraging voort en maakt alle daarop aangesloten elektronische apparatuur onklaar in een omtrek van enkele honderden meters. Sommige HERF-wapens lijken op bommen die hun straling in alle richtingen verspreiden; anderen zijn zo sterk geconcentreerd dat het precisiegeweren lijken. In de handen van terroristen kan zo’n wapen bijvoorbeeld worden gebruikt om vliegtuigen te laten neerstorten, en wel op veilige afstand.
EMP-wapens zijn niet alleen goed bekend in Rusland, maar werden ook met succes ingezet door de Amerikaanse luchtmacht tegen radarinstallaties in Irak (1991) en tegen de elektronische infrastructuur van Yugoslavië (1999). Het Los Alamos National Laboratory in New Mexico, dat al sinds het eind van de jaren vijftig testen uitvoert met EMP-bommen, ontwikkelde een EMP-wapen in kofferformaat. Eenvoudige EMP-wapens kunnen met enig talent al binnen twee weken worden geconstrueerd (kosten € 500,-). Dergelijke instrumenten kunnen worden ingezet om computers, communicatiesystemen, energiecentrales, auto’s, vliegtuigen en medische apparatuur te ontregelen [Schwartau 2000].
Denial of Service Attack [D.o.S] |
|---|
Een ‘Denial of Service’ (DoS) aanval is geen virus, maar een methode die hackers gebruiken om legitieme gebruikers de toegang tot een computer of netwerk te verhinderen. DoS is het zonder toestemming uitschakelen van diensten, bijvoorbeeld door het laten crashen van het hele systeem. Het primaire doel van de aanval is om te verhinderen dat het slachtoffer toegang krijgt tot een specifieke bron. Dergelijke aanvallen zijn gemakkelijk te lanceren en het is zeer moeilijk om zich daartegen te beschermen. Het basisprobleem is dat Unix ervan uitgaat dat gebruikers van het systeem of van andere systemen zich goed gedragen.
Een DoS-aanval is een gerichte poging door hackers om legitieme gebruikers uit te sluiten van een dienst. Voorbeelden hiervan zijn:
|
De 15-jarige Canadese ‘mafiaboy’ - zijn computernaam - speelde in ieder geval een rol in de aanval op de CNN site, en het vermoeden is dat hij ook een rol speelde in andere aanvallen in de VS, zoals die op Yahoo!, EBay, Amazon, Excite en Etrade. De mafiaboy werd opgepakt omdat hij in een Internet Relay Chat (IRC) had opgeschept over zijn prestaties. Hij beschikte niet over bijzondere computervaardigheden en maakte gebruik van een paar eenvoudige en gemakkelijk te vinden instrumenten. De aanval werd uitgevoerd met een script dat op het internet vrij gedownload kan worden (in dit geval: Tribe Flood Network, ontwikkelt door de Duitse hacker Mixter). Het script vereist alleen maar dat de gebruiker een doel aangeeft en beslist wanneer het de aanval moet beginnen en eindigen. De rest is grotendeels geautomatiseerd. De mafiaboy werd aangeklaagd onder de Computer Fraud and Abuse Act, waarvan in 1996 de reikwijdte werd uitgebreid tot alle computers die in het bedrijfsleven worden gebruikt. Het verbiedt ongeautoriseerde toegang om informatie te verwerken, de transmissie van alles wat schade, fraude of afpersing kan veroorzaken. De straffen lopen op tot 6 maanden gevangenisstraf, of 10 jaar voor recidieve en tweemaal het monetaire verlies van het slachtoffer. De mafiaboy meende dat hij geboren was om computers te gebruiken en de site van Yahoo! uitkoos als eerste doel, omdat hij deze beschouwde als ‘de God van alle internet sites’. Hij werd veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf. De officier van justitie, Louis Miville-Deschenes, verklaarde dat hij hoopte dat zijn veroordeling een sterke boodschap voor de hackers wereld zou zijn: wie zoiets doet wordt gepakt en bestraft. |
Er zijn veel instrumenten in omloop waarmee gedistribueerde DoS-aanval kan worden uitgevoerd. De hacker plaatst zijn programma in meerdere computers op het internet. Dit heeft een groter effect omdat er meer computers zijn die tegelijkertijd contact zoeken met een bepaalde server. Het is ook moeilijker om de aanvaller te lokaliseren omdat het programma niet draait vanuit de computer van de aanvaller. De aanvaller controleert alleen de computers waarin het programma heimelijk is geïnstalleerd. Systemen waarin heimelijk instrumenten zijn geïnstalleerd voor een DoS-aanval worden Zombie agents of Drones genoemd.
Door de groei van het internet is niet alleen het aantal potentiële aanvallers en doelen toegenomen, maar ook het aantal kwetsbaarheden die, wanneer zij eenmaal zijn ontdekt, ook snel geëxploiteerd worden. Bovendien ontstaat er meer en meer geavanceerde instrumenten voor hacking waardoor zelfs gebruikers met matige internetvaardigheden in staat zijn om vernietigende aanvallen uit te voeren. In de instrumenten die gebruikt worden om Dos-aanvallen te plegen worden steeds meer commando- en controlemogelijkheden ingebouwd. De aanvaller bedient zich van client software voor het dirigeren en coördineren van de acties van server software die draait op honderden of duizenden eerder gecompromiteerde ‘zombie’ computers. Om potentiële zombies te vinden en automatisch de aanvalssoftware te installeren wordt gebruik gemaakt van computerwormen zoals Code Red.
Er zijn diverse programma’s waarmee een gedistribueerde DoS-aanval kan worden opgezet, zoals Tribal Flood Network (TFN), TFN2K, Trinoo en Stacheldraht. Inmiddels zijn er veel gevaarlijker instrumenten voorhanden, zoals Trinity. Trinity is een op Linux gebaseerd instrument voor gedistribueerde DoS-aanvallen, die een hacker kan gebruiken om een massieve IP stroom tegen een computer van het slachtoffer te lanceren. De Trinity software agent moet eerst in het geheim worden geïnstalleerd op een gehackte Linux server. Daarna kan deze agent op afstand worden gecontroleerd om een massale netwerk-overstroming te lanceren.
DoS-aanvallen kennen diverse vormen en zijn gericht tegen uiteenlopende diensten. Er zijn drie basisvormen van aanval:
Hoewel het onmogelijk is om alle DoS-aanvallen te voorkomen, zijn er eenvoudige voorzorgsmaatregelen die beheerders van servers kunnen nemen om het risico van zo’n aanval te verkleinen. Norton Internet Security 2001 kan een computer beschermen tegen het gebruik als Drone of Zombie. Het beschermt de computer door een ondoordringbare barrière tussen de computers en de hackers op het internet te bouwen.
|
|
Bronnen
Cybervandalen, hacktivisten en cyberterroristen |
|---|
Veel van de aanvallen op en inbraken in computers en netwerken zijn het werk van hackers, cybervandalen of hacktivisten. Cyberterrorisme wordt echter meestal bedreven om bepaalde politieke en maatschappelijke doelen te realiseren. Het is lang niet altijd even duidelijk waar de grens ligt tussen
Hoewel terroristen vaak van dezelfde middelen (software) en tactieken (email-bombardementen) gebruik maken als hacktivisten, is dit nog geen reden om beide groepen op een grote ‘terroristische’ hoop te gooien. Ook netactivisten maken gebruik van inzichten en middelen die door hackers zijn ontwikkeld. Hun protestacties zijn veeleer daden van burgerlijke ongehoorzaamheid, net als straatdemonstraties en fysieke sit-ins.
Hackers zijn dus niet per definitie terroristen. Daarom was er veel protest toen de Engelse regering de Terrorism Act 2000 doorvoerde, waarin hackers worden gelijkgesteld aan terroristen, zoals de IRA. Volgens deze wet is iedereen een terrorist die een elektronisch systeem probeert te ontregelen met de intentie van het bedreigen of beïnvloeden van de overheid of het publiek, die “een politiek, religieus of ideologisch doel” dienen. Terrorisme omvat in deze ruime definitie alle acties die een elektronisch systeem penetreren of ontregelen. Daarmee lijkt ook het democratisch legitieme internet-activisme (‘hacktivisme’) bij voorbaat in de terroristische hoek gezet te worden.
Een hacker is iemand die probeert in te breken op computers en elektronische netwerken om te laten zien hoe kwetsbaar deze systemen zijn. Hackers zijn bekwaam in het omzeilen of doorbreken van beveilingssystemen. Hackers zijn er in allerlei kleuren en maten. Daarbij wordt vaak een ethische lijn getrokken tussen ‘white hat’ hackers en de bad guys. Aan de ene kant van het spectrum staan veiligheidsspecialisten van bedrijven die zich strikt aan de regels houden en kwetsbaarheden van software alleen maar melden bij de fabrikanten of betrouwbare derde partijen. Aan de andere kant staan de zwarte hackers of crackers die alleen maar geïnteresseerd zijn in het verwerven van ongeautoriseerde toegang en het kraken van veiligheidssystemen voor eigen monetaire of kwaadaardige doeleinden. Daartussen staan de grijze hackers die het publiek informeren over de veiligheidsgaten in de bedrijfssystemen. Zij maken duidelijk dat de bedrijven en organisaties die hardware, software en diensten maken voor het internet niet genoeg gedaan hebben om hun producten veilig te maken. Zolang dat het geval is zal er op die systemen worden ingebroken. Sterker, “zij verdienen het ook om gehackt te worden” [Richard Clarke, top adviseur van de Ameriaakse regering voor cyberveiligheid].
|
| |
|
Dit was slechts een incident in een serie aanvallen die gericht zijn op overheidssites, met de NASA als een bijzonder geliefd doel. De NASA was een van de 26 overheidsinstellingen in de VS, Engeland en Australië die door een gecoördineerde aanval in januari 2001 werden onthoofd (= openingspagina vervangen). In vergelijkbare gevallen bekende een jaar daarvoor een 20 jarige man uit Californië schuld aan de inbraak in NASA computers van het Jet Propulsion Lan. Een 16 jarige jongen kreeg 6 maanden gevangenisstraf omdat hij erin geslaagd was het NASA systeem zodanig te kraken dat het 3 weken lang ‘down’ was. Autoriteiten van de Amerikaanse Navy stellen in maart 2001 een onderzoek in naar hackers die ingebroken hadden in de computers van een van haar onderzoeksinstellingen. De broncodes voor een programma voor geleide projectielen werden gestolen. De FBI vermoedde dat deze aanval vanuit het buitenland was uitgevoerd. Bron: Tim McDonald, Teen Hacker Charged in NASA Attack [14 maart, 2001]. |
Na een succesvolle inbraak op de klantgegevens worden de bedrijven meestal door de criminele groepen op de hoogte gesteld van hun inbraak of diefstal. Men doet verhulde pogingen tot afpersing door internet veiligheidsdiensten aan te bieden om het systeem tegen andere hackers en crackers te beschermen. Zij vertellen het slachtoffer dat zonder hun diensten zij niet kunnen garanderen dat andere hackers niet het netwerk zullen binnenkomen en zij zetten de creditcard informatie en details over het compromis op het internet. Als het slachtoffer niet coöperatief is bij betalingen of het huren van een groep voor hun eigen veiligheid, wordt de correspondentie steeds bedreigender. Het is het oude mafia-principe: “I’ll make you an offer you cann’t refuse.”
Een andere tactiek is het vragen van zwijggeld. Een geval dat veel aandacht trok was de diefstal van ongeveer 300.000 kaartnumers van CDUniverse.com in december 1999. Daarbij publiceerde een Russische teenager (‘Maxus’) duizenden nummers op het net nadat de muziekverkoper weigerde om tegemoet te komen aan zijn afpersingseis van 100.000 dollar [bron].
In december 2000 begon de FBI een onderzoek naar de Russion Link bij de diefstal van 55.000 credit card nummers van ‘merchant card processor’ CreditCards.com. Nadat de site weigerde om 100.000 dollar te betalen, plaatsten de hackers bijna de helft van het aantal nummers op het web (op de site “Maxus Data Pipe”). Het patroon is globaal hetzelfde: er wordt ingebroken op een informatiesysteem met vitale gegevens en de eigenaar wordt afgeperst onder dreiging van het openbaar maken van het veiligheidslek.
|
Hackers, crackers en cyberterroristen bewegen zich door diverse computersystemen om hun oorspronkelijke lokatie te verbergen. Ook al wordt er vanaf buitenlandse computers op openbare elektronische netwerken ingebroken, de initiatiefnemers kunnen evengoed vanaf eigen grondgebied opereren, en doen dat niet zelden van binnenuit de aangevallen organisatie. Een cyberterrorist kan zijn vernietigende aanvallen vanaf elke plek ter wereld lanceren. Wie digitale tijdbommen gebruikt hoeft niet aanwezig te zijn op de plek waar de computer staat die deze aanval inzet, richt en coördineert. Zelfmoordacties zijn overbodig geworden de cyberterrorist overleeft zijn zijn aanslag.
Kwetsbare doelen |
|---|
Voor een inschatting van de potentiële gevaar van cyberterrorisme moet een analyse worden gemaakt van twee factoren. Ten eerste: welke doelen zijn kwetsbaar voor aanslagen die kunnen leiden tot geweld of substantiële schade? Ten tweede: welke actoren zijn gemotiveerd en in staat om deze aanvallen uit te voeren?
|
|
Zwaktes van gecomputeriseerde systemen kunnen worden gecorrigeerd. Maar het is praktisch onmogelijk om alle faalfactoren te elimineren. Ook al is de technologie zelf goed beveiligd, zij wordt vaak zodanig geconfigureerd of gebruikt dat zij open staat voor interne balansverstoringen en aanvallen van buitenaf. Bovendien is er altijd nog de mogelijkheid dat insiders, die alleen of samen met andere terroristen opereren, hun toegangsrechten misbruiken.
Het internet werd gebouwd om een nucleaire ramp te overleven. Het is een robuust netwerk dat van buitenaf niet gemakkelijk uit de lucht te blazen is. Maar het is ook een netwerk dat kwetsbaar is voor interne balansverstoringen. Kwaardaardige hackers zouden kunnen proberen de 13 ‘root servers’ aan te vallen die computers naar Web adressen of domeinnamen dirigeren, of de 10 top-level ‘domain servers’. Zij kunnen daarmee het internetverkeer ontregelen en grote schade aanrichten. Dat geldt ook voor het tweede veiligheidsrisico, de ‘registrars’, dat wil zeggen de bedrijven die domeinnamen of webadressen verkopen. Als er ingebroken wordt op de databank waarin domeinnamen geregisteerd staan, kan een eigenaar van een domeinnaam niet meer bewijzen dat het zijn domein is. Het internet is dus eigenlijk ook erg fragiel.
Dit wordt nog eens versterkt doordat de bedrijven en organisaties die hardware, software en diensten maken voor het internet zich onvoldoende inspannen om hun producten veilig te maken. De statistieken van het Computer Emergency Response Team (CERT) laten zien dat het aantal kwetsbaarheden van software elk jaar toeneemt. Niet zelden komen er virussen in computers door gebruik te maken van zwaktes die al langer bekend zijn. Het internet zit vol met veiligheidsgaten die zich even snel lijken te vermenigvuldigen als er zogenaamd ondoordringbare veiligheidsprogramma’s geschreven worden door mensen en ondernemingen met gevestigde belangen in de veiligheid van het internet. Elke nieuwe beveiligingstechnologie vormt voor digitale krakers slechts een nieuwe uitdaging om hun inbraaktalenten te demonstreren: ‘if you can make it, we can break it.’
Steeds meer internetgebruikers werken met breedbandverbindingen die slecht beveiligd zijn. Hierdoor wordt de weg geopend voor aanvallen op huiscomputers met snelle en permanente verbindingen die nauwelijks beveiligd zijn. Steeds meer huishoudens worden hierdoor kwetsbaar.
Particulieren, bedrijven en overheidsinstellingen maken tenslotte steeds meer gebruik van mobiele computers en draadloze lokale netwerken. Dergelijke verbindingen zijn zeer makkelijk af te luisteren en kunnen van buitenaf relatief eenvoudig worden gemanipuleerd. Met behulp van antennes en versterkers kunnen dergelijke manipulaties ook van grote afstand worden georkestreerd.
Terroristische aanslagen in cyberspace kunnen worden onderverdeeld in twee typen. Sommige aanslagen richten zich op gegevens, anderen op controlesystemen. In het eerste type wordt geprobeerd om gegevens te stelen of te corrumperen en om toegang tot informatiediensten te blokkeren. Het merendeel van de cyberaanslagen valt in deze categorie. Er worden nummers van creditcards gestolen om zichzelf te verrijken, er worden websites gevandaliseerd om tegen bepaalde gebeurtenissen of toestanden te protesteren of bepaalde naties of politieke stromingen te bestrijden, en er worden belangrijke informatiesystemen buiten werking gesteld door een grootschalige Dos-aanval. Aanslagen op controlesystemen zijn gericht op het ontregelen of overnemen van de controle over fysieke infrastructurele voorzieningen, zoals die voor water, elektriciteit, vervoer en communicatie. Het internet wordt niet alleen gebruikt om gegeven over te seinen, maar ook om in te breken op lokale controlenetwerken.
Wie zijn de schurken? |
|---|
|
|
Terroristische organisaties hebben meestal geen toegang tot elektronische massamedia zoals radio en televisie. Maar tegenwoordig kunnen zij hun berichten nu via internet over de hele wereld verspreiden. Veel van de grotere terroristische groepen hebben zelf een website of hebben ‘fansites’ die aan hen gewijd zijn. Aum Shinrikyo, de groep die verantwoordelijk was voor de gasbommen in de metro van Tokyo, heeft haar eigen website, en zo ook de Hezbollah, de anti-Israelische terreurorganisatie. Via hun sites bereiken terroristische organisaties het meest brede publiek.
Terroristen gebruiken internet om traditionele vormen van terrorisme, zoals het laten ontploffen van bommen, te ondersteunen. Zij zetten websites op om hun boodschappen te verspreiden, sympatisanten te rekruteren, en zij gebruiken het om acties te vor bereiden en te coördineren. Het internet wordt niet alleen gebruikt als communicatiemedium, maar ook als slagveld. Cyberterrorisme wordt meestal bedreven in combinatie met fysieke geweldsacties.
Leden van sommige Islamitische extremistische organisaties hebben geprobeerd een netwerk van hackers en crackers te ontwikkelen om hun computeractiviteiten te ondersteunen. Het vermoeden is dat zij betrokken zijn bij een offensieve informatieoorlog [Clark Staten 1998]. De Al Qaida groep van Osama bin Laden is hiervan de meest uitgesproken, en waarschijnlijk ook gevaarlijkste, representant. Een van de verdachten van de bomaanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Oost Afrika verzond onder diverse namen versleutelde emails naar “associates in al Qaida”. Een terrorist die in 1999 in Pakistan werd gearresteerd, Khalil Deek, gebruikte versleutelde computerbestanden om bomaanslagen in Jordanië voor te bereiden tijdens de eeuwwisseling. Met supercomputers slaagde de NSA (National Security Agency) erin de gecodeerde bestanden te ontsleutelen waardoor de FBI de aanslag kon verijdelen.
Ramzi Yousef, die als hoofdverantwoordelijke voor de bomaanslag op het World Trade Center in 1993, werd in 1995 veroordeeld tot levenslang plus 240 jaar, gebruikte versleutelde bestanden voor een plan om een simultaan-aanslag te plegen op 12 Amerikaanse vliegtuigen (naast plannen voor moordaanslagen op de paus en Bill Clinton). Na een mislukt experiment met explosieven in een appartement in Manilla trof de Fillipijnse politie een laptop aan waarop deze plannen waren opgeslagen. Het koste de FBI meer dan een jaar om de code te kraken. De bedenker van deze plannen was waarschijnlijk zijn neef Khalid Sheikh Mohammed, bijgenaamd ‘het brein’. Deze in Koeweit geboren Pakistani werd op 1 maart 2003 door de Pakistaanse politie (maar onder leiding van de CIA) gearresteerd. Hij wordt beschouwd als het brein achter zowel de eerste aanslag op het WTC in 1993 als de tweede aanslag op 11 september 2001. Hij zou ook de hand hebben gehad in de aanslag op de Amerikaanse journalist Daniel Pearl. Hij zou de op 23 januari 2002 in Karachi ontvoerde journalist persoonlijk de strot hebben doorgesneden in het zicht van een videocamera. Mohammed, die zelf jaren in de Verenigde Staten studeerde, behoort tot de politieke top van Al-Qaida, waarin hij leiding geeft aan de ‘militaire commissie’. In een door de Arabische nieuwzender Al Jazeera uitgezonden herdenking Eén jaar na 11/9 verklaarde ‘het brein’ onomwonden: “Ik heb de doelwitten voor Heilige Dinsdag gekozen”.
|
|
|
|
Hackersgroepen zijn psychologisch en organisationeel ongeschikt voor cyberterrorisme. Het zou ook tegen hun eigen belang ingaan om de infrastructuren van informatie en communicatie massief te ontwrichten. De echte bedreiging komt niet zozeer van amateuristische hackers en crackers maar van hooggeschoolde professionals die hun diensten als cyberhuurlingen aan de man brengen.
The Russian Connection?
Door de verpspreiding van het internet in Rusland is ook daar het inbreken op computersystemen populair geworden. Dat gebeurt niet zozeer door de goed opgeleide elite van het land. De meeste hackers hebben geen gestructureerde computertraining gehad en beschouwen formele educatie als slecht voor het creatieve vermogen om veiligheidssystemen van computers te kraken. Veel opzienbarende inbraken zoals op sites van de Nato en Amerikaanse overheidsinstellingen worden toegeschreven aan Russische hackers en crackers.
De FBI stelde in eind december 1999 een onderzoek in naar de Russische verbinding in de online diefstal van meer dan 55.000 credit card nummers van het bedrijf CreditCards.com. Op de banner van dit bedrijf stond: “Providing secure payment solutions and fraud prevention systems.” Maar het bedrijf werd overspoeld door boze klanten waarvan de creditcards belast waren met uitgaven die zij nooit hadden gedaan. De verantwoordelijke organisatie was verbonden aan een van de vele in Rusland opererende websites die door Global Telecom of Intelplat worden beheerd (het schijnt dat beide één organisatie zijn). De verdachte onderneming, Global Telecom heeft vestigingen in Moskou, Panama en de VS, precies dezelfde lokaties waar CreditCard.com haar kantoren heeft. Daardoor rees het vermoeden dat deze Russische crackers in werkelijkheid ontevreden werknemers van CreditCard.com zijn.
Ook bij andere computerinbraken werd vaak gesuggereerd dat deze vanuit de landen van het voormalige Oostblok werden georganiseerd, terwijl in werkelijkheid niet zelden werden geïnitieerd vanuit een lokatie in de directe nabijheid van het doelwit. Als we de Amerikaanse inlichtingendiensten mogen geloven komt echter zo’n 80 procent van de buitenlandse aanvallen op VS computers vanuit of via Canada. De directeur van de FBI Louis Freeh noemde Canada een “haven voor hackers” omdat het zo’n hoge graad van computerisering kent.
Niveaus van cyberterreur |
|---|
De ‘vraagzijde van terrorisme’ werd geanalyseerd in de studie “Cyberterrorism: Prospects and Implications” [CSTIW 1999]. Daarin werd nogal optimistisch geconcludeerd dat de barrière om iets meer te doen dan irriterende hacks tamelijk hoog is. De belangrijkste reden daarvoor zou zijn dat de meeste terroristen nog niet beschikken over de capaciteiten die nodig zijn om echt gevaarlijke operaties uit te voeren.
Ook terroristen leren echter snel. Hun vermogen om daadwerkelijk cyberterreur uit te oefenen loopt sterk uiteen. De slagkracht die terroristische organisaties via het internet en andere elektronische systemen kunnen realiseren is niet alleen afhankelijk van hun vermogen om geavanceerde ontwrichtingstechnologieëen in te zetten, maar ook om deze complexe activiteiten zowel strategisch, tactisch als operationeel te faciliteren, te coördineren en te organiseren. Het vermogen om daadwerkelijk cyberterreur te bedrijven kent drie niveaus.
Acute dreigingen |
|---|
|
Cyberterrorisme heeft echter ook zijn nadelen. Computers en netwerken zijn complexe systemen, waardoor het moeilijker is om een vernietigende aanval te controleren en een gewenst schadeniveau te bereiken dan bij gebruik van fysieke wapens. Deze nieuwe methodes vereisen aanzienlijke kennis en vaardigheden om effectief te zijn [Soo Hoo e.e. 1997]. Tenzij er mensen gewond raken of gedood worden is er ook minder drama en emotionele lading. Veel terroristen niet geneigd om nieuwe methoden te proberen tenzij zij hun oude methoden niet meer het gewenste effect sorteren.
Terroristen slaan meestal toe met bekende en beproefde methoden [Mates 2001]. De noviteit en elegantie van een aanval is vaak minder belangrijk dan de garantie dat een missie operationeel succesvol is. Het risico dat operaties falen, schrikt terroristen af. Op dit moment vormt de auto- of vliegtuigbom nog een veel grotere dreiging dan de logische bom. Daar staat tegenover dat terroristische groepen alle mogelijkheden van de virtuele omgeving zullen gebruiken om efficiënter te opereren en te groeien [Flemming/Stohl 2000].
De volgende generatie terroristen groeit op in een digitale wereld waarin zij beschikken over nog veel krachtiger en gebruiksvriendelijker instrumenten voor computer hacking en cracking. Zij zullen steeds meer mogelijkheden voor cyberterrorisme kunnen ontdekken dan de terroristen van vandaag, en hun niveau van kennis en vaardigheid van elektronische terreurtechnieken zal ook veel hoger zijn. Slimme en kapitaalkrachtige terroristische organisatie huren hackers en insiders in, en voeden een activistisch kader dat behendig kan omgaan met de cybertechnologie: de Timothy McVeigh’s van cyberspace.
|
|
Volgens Raymond Kenndall, algemeen secretaris van Interpol, kunnen terroristen met computermisdaden op internationale schaal meer schade aanrichten dan met klassieke methoden zoals bomaanslagen of moordaanslagen [Internet Defense Summit in Calfornië, mei 2000]. Veel regeringen beschikken niet over de financiële bronnen noch over de technische kennis om internationaal opererende computerterroristen een stap voor te blijven. In cyberspace zijn zij dus niet in staat om hun traditionele rol als hoeders van de nationale veiligheid te vervullen [bron].
Het met geweld nastreven van politieke doelen waarbij exclusief van elektronische methoden gebruik gemaakt wordt, is nog toekomst‘muziek’. Maar de meer algemene dreiging van cybermisdaad is een moeilijk te beheersen onderdeel van het digitale landschap van vandaag. Behalve de cyberaanslagen op digitale data- en communicatiesystemen worden veel mensen op het internet geterroriseerd door dreigingen met fysiek geweld. Er zijn al genoeg on-line belagingen (‘cyberstalking’), ‘doodsdreigingen’, en haatboodschappen (‘haatgroepen’).
De dreiging van een cyberoorlog komt op sommige momenten gevaarlijk dichtbij. Onmiddelijk na de terroristische vliegtuigaanslag op Amerikaanse bodem in september 2001 werd er een spoedvergadering belegd van het NIPC van de FBI om alle beschikbare ‘cyberintelligence’ te verzamelen en te analyseren. Het vermoeden was dat deze opzienbarende terroristische aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon gevolgd zouden worden door cyberaanslagen. Sommige alarmisten - zoals Richard Clark die de ‘Tsaar van het Cyberterrorisme’ wordt genoemd - meenden zelfs dat Amerika zich moest voorbereiden op een ‘elektronisch Pearl Harbor’.
Cyberveiligheid op de tocht
De terroristische aanslagen in Amerika van 11 september 2001 hebben veel in beweging gezet dat relevant is voor de bestrijding van (cyber)terrorisme. Er zijn grote verschuivingen opgetreden in het denken over cyberveiligheid.
De democratische senator uit Oregon, Ron Wyden stelde voor een soort Nationale Garde te vormen van vrijwilligers. Zo’n ‘National Emergency Technology (NET) Guard’ bestaat uit it-professionals die in geval van nood kunnen optreden. Deze ‘tech corps’ zouden de natie voor toekomstige rampen moeten behoeden. Door gebruik te maken van informatie uit particuliere sector moet voorkomen worden dat cyberaanslagen zich snel verspreiden (zoals ‘denial of service’ aanvallen die een infrastructuur als vervoer kan bedreigen).
Hoewel er in Amerika al een Computer Emergency Response Team (CERT) bestaat, worden er voorstellen gedaan voor oprichting van nieuwe verdedigingsorganisaties. Gouverneur James Gilmore, voorzitter van de adviesgroep die bekend staat onder de naam Gilmore Commissie, stelt op 17 oktober 2001 voor een cyberveiligheidspanel op te richten met vertegenwoordigers van 23 federale instellingen, om het hoofd te bieden aan terroristische bedreigingen van computersystemen. Het aantal internet-aanvallen die door ondernemingen aangemeld verdubbeld zich tot nu toe bijna elk jaar [CERT]. Het derde rapport van Gilmore Commissie bevat aanbevelingen voor cyberveiligheid [Eindrapport 2003].
De verontrusting is niet misplaatst. Hoewel de aanslagen van 11 september daarop niet als zodanig gericht waren sloegen zij toch bressen in de communicatiestructuur van New York, Washington, D.C. en de rest van het land. De mobiele telefoonnetwerken werden zwaar overbelast en braken uiteen. Mobiele toegang tot internet was niet meer mogelijk. Telefoonlijnen werden afgesneden en de communicatie van mensen aan de oostkust van de VS was onmogelijk. Het was zelfs zeer moeilijk om de directe communitie van reddingswerkers, slachtoffers, familieleden en hulpverleningsgroepen te coördineren. In de New York Times werd daarom de terechte conclusie getrokken dat er gezocht moet worden naar nieuwe manieren om noodinformatiesystemen op te zetten. [bron: Wyden: Yahoo! News].
De terroristische logica is dat het basissysteem van dagelijkse verbindingen zodanig verstoord wordt dat het zich tegen de burgers keert die daarop zijn aangewezen. Een vervoerssysteem zoals het vliegverkeer kan worden ontregeld of lamgelegd door vliegtuigkapingen, of door de aannemelijke dreiging daarvan. Een postsysteem van worden ontregeld of lamgelegd door (de dreiging van de) verspreiding van brieven met biologische vernietigingswapens. Een logische uitbreiding van deze werkwijze is dat terroristen aanvallen uitvoeren waardoor de computersystemen zich keren tegen iedereen die daarvan afhankelijk is.
De kracht van het internet is dat het ons in staat stelt snel en vrij met elkaar te communiceren. De pessimisten zeggen dat je erop kunt wachten tot iemand een virus of worm loslaat die een wereldwijde kettingreatie van datavernietiging losmaakt.
De elektronische computernetwerken waarvan we in ons dagelijks leven steeds meer afhankelijk zijn, vormen een serieus veiligheidsprobleem. Sommige politici grepen de dramatische gebeurtenissen in Amerika aan om te pleiten voor nieuwe bevoegdheden van overheid met betrekking tot elektronisch toezicht, of voor nieuwe beperkingen aan de productie en verspreiding van encryptietechnologieën. Wat echter versterkt moet worden zijn de technologieën en veiligheidspraktijken, niet de controle of het toezicht van de overheid over wat er online gebeurt.
Tijdens de militaire operaties van de V.S. in Afghanistan wisten Bin Laden en woordvoerders van zijn Al-Qaida netwerk video-opnames van hun politieke verklaringen te verspreiden via een aantal internationale televisienetwerken. De Amerikaanse overheid spande zich in om de media ervan te overtuigen dat zelfcensuur noodzakelijk was. De videobeelden zouden wel eens een verborgen boodschap kunnen bevatten. Hoewel het technisch heel goed mogelijk is om in videobeelden geheime boodschappen in te bouwen, was dit in dit geval toch zeer onwaarschijnlijk. Er is geen garantie dat de hele boodschap overal wordt uitgezonden (door nieuwsagenturen en tv-netwerken wordt telkens gesneden in de originele beelden), de ontvangers moeten precies weten wanneer het materiaal wordt uitgezonden, en de veiligheidsdiensten zijn alert op verborgen boodschappen in die video. Een verstandig terrorist neemt dergelijke risico’s niet. Hij zet zijn geheime boodschappen met aanvalsdoelen, middelen en tijdstippen in een ijzersterk gecodeerde vorm op het internet. Hij verpakt ze in de meest onschuldige teksten, plaatjes, liedjes of filmjes en zet de voor iedereen zichtbaar, maar slechts door terreurgenoten ontsleutelbaar op het internet.
Het aan banden leggen van sterke encryptie-software is geen realistische optie. Daarvoor is de sterke encryptie in broncode formaat te zeer verspreid over de hele wereld. Er is geen wet of maatregel die kan verhinderen dat kwaadwillende mensen de hand kunnen leggen op encryptie-software met militaire kracht. Men kan hooguit wetten maken waardoor dergelijke software uit handen van de gemiddelde gebruiker blijft. Daarmee bestrijdt men echter geen terroristen, en worden de vrijheidsrechten van staatsburgers beknot.
Niet alleen Amerikaanse overheidsinstellingen, maar ook ondernemingen en andere organisaties haalden informatie van het internet waarvan zij vermoeden dat deze misbruikt zou kunnen worden door terroristische organisaties. Voorbeelden hiervan zijn de Environmental Protection Agency (EPA), het Office of Pipeline Safety (OPS) en de Agency for Toxic Substances and Disease Registry. Tot de informatie die niet meer beschikbaar is behoren met name de plannen voor risicomanagement (RMP). In de chemische industrie werd informatie over potentiële ongelukken en risico’s voor het publiek geheim gehouden (zij wilde dat overigens al langer). Verdwenen zijn niet alleen belangrijke rampenplannen, maar ook kaarten en andere geografische informatie van het Ministerie van Transport, kaarten met pijplijnen [National Pipeline Mapping System (NPMS) van OPS]. Hetzelfde gebeurde met informatie over drinkwatervoorzieningen en andere gevoelige datagebieden.
Het verwijderen van de informatie van deze organisaties bedreigt de veiligheid echter meer dan de online beschikbaarheid van rampenplannen en andere informatie. De veiligheid van gemeenschappen en werknemers wordt het best beschermd door het ‘recht om te weten’. Het bezuinigen op informatie over risico’s doet het gevaar niet verdwijnen [bron: Yahoo! News]
Door het bioterrorisme per post gaan mensen voorzichtiger om met hun brieven. Organisaties die veel post versturen zoals direct-mailing bedrijven komen in de knel te zitten. Maar er wordt ook naar veiliger alternatieven gezocht. E-mail is het voor de handliggende alternatief. Met e-mail kan je geen dodelijke ziektes verspreiden. Het gebruik van e-mail wordt hierdoor versneld. Daarmee neemt echter tevens het risico toe dat de onze communicatie verstoord wordt door virussen die aan e-mails gehecht zijn of daarin verstopt zijn.
|
De Yihat is een groep van 31 professionele hackers uit diverse landen. Zij verklaarden eveneens de cyberoorlog aan de terroristen. Hun acties, zoals de inbraak op de bankrekeningen van Osama bin Laden en zijn organisatie, werden openlijk aangekondigd en voorbereid op de site Kill.net. “Iedereen kan meedoen en zijn aandeel nemen in het anti-terreur-werk”, zegt de woordvoerder van de groep, Kim “kimble” Schmitz. Deze 27-jarige multimiljonair was zelf een overtuigd hacker van Pentagon en Nasa. In 1998 werd hij veroordeld voor het inbreken in systemen van Nasa, Pentagon en Citybank. |
Het National Infrastructure Protection Center (NIPC) van de FBI waarschuwde dat door patriottisch hacken aanzienlijke ‘collateral damage’ kan ontstaan bij alle computernetwerken en telecommunicatiesystemen die niet in staat zijn om de adequate tegenmaatregelen te nemen. Niet ten onrechte verwachtte het NIPC een sterke toename van patriotistisch gemotiveerd politiek hacktivisme, inclusief de verspreiding van virussen. Daarbij werd nog eens herhaald dat het gedrag van deze digitale burgerwachten illegaal is en bestraft kan worden met 5 jaar gevangenisstraf.
Nog opvallender was de reactie van de bekende Duitse organisatie van computer hackers, de Chaos Computer Club (CCC). In een persverklaring van 13 september 2001 veroordeelde de CCC aanvallen tegen communincatiesystemen. De CCC is van mening dat hackers geen gevolg moeten geven aan oproepen om Islamitische websites en communicatiesystemen te vernietigen.
Dat klinkt onrealistisch, maar raakt een gevoelige snaar. Het werd al eerder aan de orde gesteld in het protest tegen de ‘oorlogsverklaring’ van het Legion of the Underground (LoU) tegen de reger