| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
dr. Albert Benschop
University of Amsterdam
| Besturing zonder overheid |
|---|
Over de hele wereld maken mensen zich zorgen om het internet. Vooral wanneer het om cyberpornografie gaat wordt links en rechts geroepen om maatregelen die onze kinderen zouden moeten beschermen tegen de virtuele obsceniteiten die slechts met een klik ontsloten kunnen worden. Wanneer illegale en potentieel schadelijke inhoud op het internet gereguleerd moet worden is de vraag: hoe kan dit worden bereikt?
Het internet is weliswaar geen 'wetteloze ruimte' [Reidenberg 1996], maar het vormt wel een nieuwe uitdaging voor effectief politiek leiderschap en bestuur. Er bestaan rechts- en regelgevingen, maar de identiteiten van de regelmakers en de instrumenten die gebruikt worden om de regels te handhaven passen niet in de klassieke regulatiepatronen. In moderne maatschappijen heeft sociale regulatie zich ontwikkeld binnnen de fysieke grenzen van tijd en ruimte. De ontwikkeling van cyberspace heeft haar bewoners ontkoppeld van lokale controles en van de fysieke grenzen van nationaliteit, soevereiniteit en overheid. Het idee van besturing zonder overheid ('governance without government') lijkt de beste benadering voor het internet. Maar als er nieuwe mechanismen van internationale besturing en regulatie in werking gesteld moeten worden, dan is de rol van de natie-staten daarin cruciaal.
Voor de regulatie van illegaal en schadelijk materiaal op het internet bestaan geen eenduidige of enkelvoudige oplossingen. Niet alleen omdat de exacte definitie van de overtredingen (zoals kinderporno) van land tot land verschilt, maar ook omdat datgene wat als schadelijk wordt beschouwd in hoge mate afhankelijk is van culturele verschillen. In elk land bestaan andere (meerderheids)opvattingen over de grens tussen wat toelaatbaar en ontoelaatbaar is. Wie op dit gebied oplossingen wil bieden moet dus op zoek gaan naar een meervoudige oplossing. Zo'n meervoudige regulatie is een mengsel van nationale/internationale wetgeving, en zelf opgelegde regulatie door gebruikers en Internet Service Providers (ISP's).
We kunnen twee vormen van regulatie onderscheiden: (1) de regulatie van potentieel schadelijke inhoud zoals pornografie op het internet, en (2) de regulatie van de in alle gevallen illegale inhoud zoals kinderpornografie. Dit zijn uit de aard der zaak verschillende thema's en moeten niet worden verward. Een regulerende actie die bedoeld is om een bepaalde groep mensen, zoals kinderen, te beschermen, zou niet moeten ontaarden in een ongeconditioneerd verbod om via internet pornografisch materiaal te verspreiden, terwijl dat materiaal voor volwassenen vrij beschikbaar is in andere media.
De uitdaging bestaat erin een regulatiewijze te ontwikkelen waarin een goede balans gevonden wordt tussen het recht op vrijheid van informatie en de morele plicht om kinderen te vrijwaren van materiaal dat schadelijk voor hen kan zijn en om hen (en hun ouders) te beschermen tegen discriminerende en haatdragende propaganda. Is het gezien het grensoverschrijdende karakter van het internet überhaupt mogelijk om hiervoor een interculturele oplossing te vinden?
Zelfregulatie
|
|---|
Het internet wordt niet alleen extern gereguleerd door rechtsregels die door overheden worden opgelegd, maar kent ook diverse vormen van interne regulatie. Van interne regulatie of zelfregulatie is sprake wanneer personen, groepen of organisaties die op het internet opereren zichzelf gedragsnormen en -regels opleggen. Deze normering van eigen internetgedrag kan op verschillende niveaus worden gerealiseerd: (1) door de gebruikers zelf, (2) door groepen of organisaties die informatie- of communicatiediensten onderhouden zoals websites, chatrooms, discussiefora, of ruilbeurzen voor multimediale bestanden, (3) door internet providers die mensen toegang bieden tot het internet, en (4) door nationale en internationale organisaties en netwerken die internetstandaarden vaststellen. Bij zelfregulatie heeft het 'zelf' dus telkens betrekking op andere typen actoren.
Zelfregulatie kent dus meerdere actoren. De normering van internetgedrag kan bovendien diverse vormen aannemen: van het opstellen van ethische gedragscodes (netiquette), het vastleggen van expliciete gedragsregels, het gebruik van filter-software om ongewenste of criminele websites te weren, tot het verwijderen van ongewenst materiaal van servers waarover men directe controle heeft.
Zelfregulatie door gebruikers: zelfcensuur
Het eerste en meest primaire niveau van zelfregulatie komt tot stand door de individuele gebruikers van het internet. Individuele gebruikers kunnen zichzelf beschermen tegen ongewenst pornografisch of illegaal kinderpornografisch materiaal door de sites waarop dit materiaal voorkomt te vermijden of zoveel mogelijk uit te sluiten door het gebruik van filter-software. Individuele gebruikers zijn burgers van de internetwereld die opereren volgens gedragsregels ('netiquette') die zij zichzelf opleggen. Zij kunnen op eigen initiatief de toegang tot bepaalde onderdelen van het internet afsluiten met behulp van pornofilters. Individuele internetgebruikers die op een of andere manier verslaafd zijn geraakt aan het brede aanbod van cyberporno zullen moeten omzien naar speciale hulp en gerichte therapie.
|
[Mashima/Hirose 1996: From Dial-a-Porn to Cyberporn] |
Er zijn diverse digitale chaperones voor kinderen: Cybersitter, NetNanny, NetWatch, SafeSurf, Solcon SurfControl, RSAC, X Stop (gebruikt door de EO). Deze filters plaatsen zichzelf tussen de webbrowser van de computer en de internetverbinding. Zij voorkomen dat ongewenste inhoud wordt doorgegeven. Er zijn drie manieren om te bepalen of een site moet worden geblokkeerd.
De vraag is wie de waardering van sites voor zijn rekening neemt. Gaat het om 'first-party rating' door content providers: eigenaars van websites waarderen hun eigen pagina's? Of gaat het om 'third-party rating' door speciale organisaties zoals de Anti-Defamation League, Internet Watch Foundation of door bedrijven zoals CyberSitter of NetNanny?
|
Veel jongeren hebben met elkaar een levendige ruilhandel met plaatjes, animaties en filmpjes, zonder dat hun ouders hier weet van hebben. Jongeren hebben zeer snel in de gaten dat er al vele programma's en methoden beschikbaar zijn die alle bekende blokkeringssoftware onklaar maakt. Een inmiddels bekend voorbeeld hiervan is Peacefire, die opereert onder de uitdagende leuze: "It's not a crime to be smarter than your parents". |
Kan een technologisch middel een vervanging zijn voor het oplettende oog van de ouders? Is de huidige generatie filter-software beter dan haar voorgangers? Sommige filters zijn veel te simplistisch en sommige zijn veel te complex om effectief te kunnen hanteren. Volgens het consumentenrapport van Netsmart is filtersoftware geen vervanging voor ouderlijk toezicht omdat de meeste filters er niet in slagen om meer dan een deel van de ongewenste sites te blokkeren. In een recenter onderzoek van de Consumentenbond kwam Solcon het beste uit de bus met een score van bijna 90 procent.
Wat kunnen ouders dan nog meer doen om hun kinderen te beschermen tegen ongewenste internet-documenten en te helpen zich veilig over het internet te bewegen? Ouders die sites bezoeken waarvan zij niet willen dat deze hun kinderen onder ogen komen, kunnen de bestanden van de browser op de PC vernietigen. Zij kunnen de meest recente online activiteiten van hun kinderen controleren door de 'history' lijst en de bookmarks te inspecteren. Ouders kunnen de computer in de huiskamer zetten of in een ander open gebied van het huis ('high-traffic places'), zodat zij kunnen zien wat hun kind op het internet doet. Zij kunnen kind-vriendelijke zoekmachines gebruiken (Yahooligans of AskJeeves for Kids). En tenslotte kunnen zij hun kinderen zelf een aantal spelregels bijbrengen, zoals:
|
|
Leer de roofdieren kennen
Clicky activiteiten worden gepresenteerd middels interactieve, 3-D geanimeerde software die leuk én leerzaam is. Clicky is een vriendelijke en behulpzame gids, leert kinderen over de gevaren op het internet, hoe je ze kunt vermijden, en hoe je een goede 'netiquette' in praktijk kan brengen. Clicky introduceert kinderen in het begrip van verbinding ('connecting') op het internet. Clicky praat eerst over alle vrolijke en nuttige dingen die je op het internet kunt doen, zoals leren, iets kopen, spelletjes spelen, en met andere mensen praten. Vervolgens worden de kinderen voorgesteld aan een paar "Webstad Roofdieren". Deze roofdieren staan voor verschillende internetgevaren. Zo probeert Wim-Wil-Alles-Weten altijd aan persoonlijke informatie te komen. Peter-Vuile-Mond gebruikt op het internet alleen maar smerige taal, met vloeken, razen en tieren. Rene-Kijk-Naar-Dit probeert kinderen ervan te overtuigen dat zij naar ongeschikte sites gaan. Teun-Kom-Naar-Me-Toe wil kinderen persoonlijk ontmoeten. Clicky zegt tegen de kinderen dat wanneer zij iets zien dat zij gek vinden, waarvan zij treurig of bang worden, of waarbij zij zich ongemakkelijk voelen, dat zij dit dan moeten vertellen aan een volwassene die zij vertrouwen.
|
Het komt regelmatig voor dat kinderen seksueel misbruikt worden door een pedofiel die zij in een babbelbox hebben ontmoet. Wie dergelijke excessen en andere dubieuze contacten wil voorkomen, doet er goed aan te letten op de indicaties voor 'ongewenst contact'.
Wat ouders kunnen doen om hun kinderen te helpen veilig te zijn op het internet?
Pornofilters kunnen ook worden misbruikt. In een irritante campagne van CompuServe worden vrouwen gestimuleerd om het surfgedrag van hun mannen aan 'fatsoenlijke' banden te leggen. Men gaat daarbij zelfs zover dat men het filter aanprijst omdat het sites met 'seks' en 'bloot' blokkeert. Op die manier worden ook websites met goede, educatieve, voorlichtende informatie over seksualiteit en seksueel overdraagbare ziektes in het verdomhoekje gezet. Zo verstoppen conservatieve 'moraalridders van de informatiemaatschappij' hun verborgen politieke agenda's in filterprogramma's.
|
Bij de zelfregulatie van online groepen, netwerken, organisaties of gemeenschappen ligt de nadruk op sociale controle door middel van ethische gedragcodes (netiquette) en meer of minder sterk geformaliseerde gedragsregels. Het institutionaliseren van filters door organisaties stuit op dezelfde problemen die hiervoor besproken zijn.
Zelfregulatie door internetproviders
Het vierde niveau van zelfregulatie is de regelgeving van de internet service providers (ISP's). Providers kunnen bijvoorbeeld besluiten dat pornografisch materiaal op hun servers per definitie achter een 'adult check' (leeftijdscontrole) gezet moet worden, zodat dit voor kinderen onder de 16 jaar niet of aanzienlijk moeilijker toegankelijk is. Providers kunnen ook zelf maatregelen nemen tegen kinderpornografisch materiaal.
In mei 1997 heeft de Nederlandse Vereniging van Internet Providers (NLIP) hiervoor samen met internet gebruikers, de Centrale Inlichtingen en Recherchedienst (CRI) en het ECPAT het Meldpunt Kinderporno opgericht, dat in de toekomst wordt uitgebreid tot andere uitingsdelicten, zoals het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) en het Meldpunt overig illegaal materiaal op Internet [mail]. De Nederlandse internetproviders spannen zich - samen met politie/justitie en Europese en internationale instanties - in om illegale, volgens de vigerende Nederlandse wet- en regelgeving verboden, informatie zo snel mogelijk van het internet te verwijderen. Maar de providers maken ook duidelijk dat zij niet kunnen voorkomen dat er ergens op het internet illegale informatie staat die ook in Nederland bekeken kan worden. Gezien het internationale karakter van het internet en het grondwettelijk verbod op censuur ('vrijheid van meningsuiting') is deze import van illegaal materiaal zeer moeilijk te bestrijden.
In september 1996 werd in Engeland de Internet Watch Foundation (IWF) opgericht. De IWF heeft een e-mail, telefoon en fax hot-line waar gebruikers materiaal gerelateerd met kinderporno en ander illegaal of obsceen materiaal kunnen aanmelden. De IWF informeert alle providers wanneer zij ongewenste inhoud heeft gelokaliseerd.
|
Meldpunten Kinderporno
| |
|
Europa
|
|
|
België
|
|
|
Duitsland
|
|
|
Engeland
|
|
|
Finland
|
|
|
Frankrijk
|
|
|
Ierland
|
Nederland
|
Noorwegen
|
|
Oostenrijk
|
|
|
Australië
|
|
|
USA
|
|
Voor een effectief optreden tegen kinderporno moeten de diverse meldpunten nauwer met elkaar samenwerken. Op Europees niveau is dit al moeilijk door de grote verschillen in de wetgeving van de lidstaten en door de verschillende achtergrond van de meldpunten. Om de samenwerking tussen de meldpunten te bevorderen heeft de Europese Commissie een speciaal programma opgezet, Internet Hotline Providers in Europe (INHOPE). Inhope streeft naar een veilige omgeving voor internetgebruikers waarin kinderen worden beschermd en de privacy en waardigheid van Europese burgers wordt gerespecteerd. Het programma staat onder toezicht van Childnet International, een non-gouvernementele organisatie die opkomt voor de belangen van kinderen. In het kader van het 'Actieplan voor een veilig Internet' heeft de Europese Commissie geld beschikbaar gesteld voor Inhope.
Het is onjuist te veronderstellen dat providers alleen verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor inhoud die door derde partijen op het internet wordt gezet. Het werkelijke probleem ligt elders: in de lokale en niet in de virtuele wereld, waar kinderpornografisch materiaal wordt gemaakt. Zolang dergelijk materiaal geproduceerd wordt, kan er nooit een totale oplossing komen voor haar beschikbaarheid via het internet. Het internet is gewoon weer een nieuw en handig medium voor pedofielen die dergelijk materiaal willen verspreiden.
Wie strafrechtelijk materiaal via het internet aanbiedt begaat een strafbaar feit. Maar ook tussenpersonen of intermediairen kunnen aansprakelijk worden gesteld voor uitingsdelicten (zoals racisme, kinderpornografie) die op het internet worden gedaan. Internet providers zijn tussenpersonen, die net als alle andere burgers een eigen "verantwoordelijkheid volgens de wet" hebben [art. 7 lid 1 Grondwet]. Wanneer providers bij de openbaarmaking of verspreiding van bepaald informatie onvoldoende zorg betrachten en weten of redelijkerwijs kunnen weten dat het om strafbaar materiaal gaat, maken zij zich mogelijk schuldig aan een verspreidingsdelict of medeplichtigheid daaraan.
Zelfregulatie van pornobusiness
Veel webpagina's met seksueel expliciet materiaal beschermen zichzelf met passwords die een credit card nummer vereisen. Bijvoorbeeld Adultcheck is een van de belangrijke Amerikaanse ondernemingen die webpagina's reguleren met seksueel expliciete (lees: erotische of pornografische) inhoud. Het systeem vereist dat zowel de instemmende volwassenen als de providers geregistreerd worden door betalende abonnees om username en passwords te krijgen. Hierdoor probeert de pornoindustrie zichzelf te reguleren. Dat is eigen belang, omdat zij de substantiële winst die elk jaar in de pornoindustrie gemaakt wordt wil veiligstellen. Volgens schattingen is de pornografie (inclusief kinderpornografie) een business van 8 tot 10 miljard dollar per jaar. Er wordt ook gezegd dat het op drugs en gokken na het beste melkkoetje is van de georganiseerde misdaad.
Zelfregulatie van internationale organisaties en netwerken
Er zijn diverse internationale organisaties en netwerken die zich inspannen om seksueel misbruik van kinderen (en daarvan afgeleide kinderpornografie) te bestrijden en kinderen te beschermen tegen schadelijk materiaal. Zij geven voorlichting en doen onderzoek, zij initiëren acties en spelen waakhond. Zij vormen een internationaal netwerk van uitkijkposten om het internet effectief te reguleren.
|
Pedofiel Sekstoerisme
In sommige delen van de toerisme-industrie (reisorganisaties, tour operators, gidsen) wordt een 'Code of Conduct' ontwikkeld die pedofiel sekstoerisme moet tegengaan. In de Zweede toerisme-industrie zijn voorstellen gedaan om ethische regels met betrekking tot pedofiel sekstoerisme op te stellen, de eigen staf (in binnen- en buitenland) te trainen over het thema pedofiel sekstoerisme, speciale clausules in contracten met hotels en andere partners in te bouwen, en voorlichting te geven aan reizigers.
|
Ook vanuit de Unesco zijn acties tegen kinderpornografie ondernomen. In januari 1999 werd onder auspiciën van de Unesco een wereldwijde actiegroep opgericht die veilig navigeren op het internet door kinderen en jongeren wil bevorderen en ze tegelijkertijd wil beschermen tegen pedofilie-gerelateerde misdaden op het internet. Zij wil het internet veilig maken voor kinderen zonder de vrijheid van meningsuiting in gevaar te brengen. In het Declaration and Action Plan wordt benadrukt dat het beschermen van kinderen op het internet geen kwestie van censuur is.
Het World Wide Web Consortium (W3C) ontwikkelt technologiën (specificaties, richtlijnen, software en instrumenten) die ervoor moeten zorgen dat het Web zijn volledige potentie kan ontwikkelen als forum voor informatie, commercie, communicatie en wederzijds begrip. Voor regulatie van (kinder)pornografie is deze organisatie niet erg interessant. Dat neemt niet weg dat het Web Accessibility Initiative (WAI) een belangrijke bijdrage levert aan het slechten van barrières die de toegang van gehandicapten (blinden en slechtzienden, doven en slechthorenden) tot het internet versperren. "The power of the Web is in its universality. Access by everyone regeardless of disability is an essential aspect" [Tim Berner-Lee, W3C directeur en uitvinder van het WWW].
Externe regulatie: wetten en dwang
|
|---|
Misdaden bestrijden en misdadigers aanpakken
De beschikbaarheid en verspreiding van kinderporno moet worden bestreden, op het internet en daarbuiten. Politie en justitie maken geen onderscheid of de overtreding wordt begaan op de Amsterdamse wallen of het internationale internet. De belangrijkste zorg van justitiële en politionele gezagsdragers is echter de preventie van kindermisbruik - dat wil zeggen het betrekken van kinderen in de productie van pornografie - en niet de slachtofferloze discussies en fantasieën van volwassenen.
Kinderporno bestaat niet alleen uit beeldmateriaal van de 'crime scene' van seksueel misbruik en exploitatie van kinderen, maar is ook een mogelijk instrument voor toekomstig crimineel misbruik en exploitatie van andere kinderen. In veel landen wordt kinderporno als 'immoreel' en 'illegaal' beschouwd. De Nederlandse wetgeving is gericht op het bestrijden van kinderporno op het internet en daarbuiten. Maar veel pedofielen opereren in indernationaal verband. De centrale doelgroep zouden de producenten en distibuteurs van kinderporno moeten zijn, en niet zozeer de bezitters.
Het overheidsoptreden richt zich zowel op de productie en verspreiding van kinderpornografie op het internet (en elders) als op de verspreiding van seksueel expliciet materiaal dat voor kinderen ongeschikt is. Zo'n regulerende actie moet echter niet de vorm aannemen van een onvoorwaardelijk verbod op het gebruik van het internet om erotisch of pornografisch materiaal te verspreiden, terwijl dit vrij beschikbaar is voor volwassenen in andere media.
Internationale Verdragen
Internationaal gezien is er een grote concensus over het feit dat kinderporno bestreden moet worden. Maar er heerst verdeeldheid over de manier waarop dit moet gebeuren. In sommige landen bestaan nauwelijks wetgeving tegen misbruik van kinderen. Dit belemmert internationale samenwerking bij zowel het onderzoek naar kinderpornografie als het verzamelen van het bewijs tegen en uitlevering van kinderpornografen. Deskundige politici zijn het erover eens dat het vervaardigen van effectieve wetten en mogelijkheden voor wetshandhaving internationaal aangepakt moeten worden.
In het Verdrag van de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties dat in september 1990 in werking trad, verbinden de staten zich ertoe "het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik" [art. 34]. De staten verplichten zich maateregelen te nemen om te voorkomen dat een kind wordt aangespoord of gedwongen deel te nemen aan onwettige seksuele activiteiten, dat kinderen worden geëxploiteerd in de prostitutie of andere onwettige seksuele praktijken, of dat kinderen worden geëxploiteerd in pornografische voorstellingen en pornografisch materiaal. Het verdrag is door bijna alle landen geratificeerd, behalve de VS en Somalië.
Europese Aanbevelingen
In 1998 stelde de Raad van Ministers van de EU een aanbeveling op over de bescherming van minderjarigen tegen schadelijke media-inhoud. De EU treedt op voor de bescherming van minderjaren en van de menselijke waardigheid (het worden 'Europese waarden' genoemd). De bescherming van deze algemene belangen moeten volgens de Raad gebaseerd zijn op de fundamentele beginselen van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van de vrijheid van meningsuiting [art. 8 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; art. F.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie].
In de Aanbeveling wordt een onderscheid gemaakt tussen illegale inhoud die de menselijke waardigheid aantast en inhoud die legaal is maar minderjarigen in hun lichamelijke, geestelijk of morele ontwikkeling kan schaden. Beide problemen vereisen volgens de Raad een verschillende benadering.
De Raad bepleit een versterking van nationale maatregelen door communautaire coördinatie en uitwisseling van goede praktijken. Daarbij moet rekening worden gehouden met "de verscheidenheid van de culturen" en "nationale en plaatselijke gevoeligheden". Zij roept het bedrijfsleven op om een nationaal en communautair reguleringskader tot stand te brengen door samenwerking tussen het bedrijfsleven en andere betrokken partijen. De verwachting is dat hierdoor niet alleen sneller praktische oplossingen gevonden kunnen worden voor illegale en schadelijke inhoud op het internet, maar dat ook de flexibiliteit behouden blijft welke nodig is om de snelle ontwikkeling van audiovisuele en informatiediensten bij te houden. De Raad roept tenslotte op tot het oprichten van meldpunten voor klachten en voor transnationale samenwerking tussen de instanties die klachten behandelen.
Twee jaar later evalueerde de Europese Commissie de implementatie van de aanbevelingen in de lidstaten. Hoewel er bemoedigende resultaten werden behaald concluderen de ministers ook dat de gebruikers onvoldoende bij betrokken werden bij het bepalen, uitvoeren en evalueren van nationale maatregelen en initiatieven [de relevante teksten over Europese regelgeving op het gebied van de audiovisuele media zijn bijeengebracht].
Artikel 240b Wetboek van Strafrecht Vervallen is de passage uit het eerste lid waarin degene die een dergelijke afbeelding in voorraad heeft niet strafbaar is wanneer vaststaat dat hij deze voor een wetenschappelijk, educatief of therapeutisch doel gebruikt. Volgens de oude wet bestond strafbare kinderpornografie uit een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij kinderen betrokken zijn tot 16 jaar. Sinds de wetswijziging van 2002 is dit veranderd in 18 jaar. De seksuele gedraging wordt gerelateerd aan het karakter en de context van de afbeeldingen. |
Kinderporno bestaat uit een reeks met elkaar samenhangende en elkaar begunstigende strafbare feiten: seksueel misbruik van kinderen, de productie van daarop gebaseerde kinderpornografie en de openbaarmaking en verhandeling daarvan. Primair staat de bestrijdging van het 'originaire' zedendelict, het daadwerkelijke seksueel misbruik van kinderen. Optreden tegen de bron van kinderpornografie is echter niet altijd mogelijk, vooral wanneer deze buiten Nederland wordt vervaardigd. Effectieve bestrijding van de vervaardiging van kinderpornografie gaat hand in hand met een effectief strafrechtelijk optreden tegen de verspreiding daarvan. In Nederland is nu ook het in voorraad hebben van kinderpornografie strafbaar ongeacht of men dit bezit voor privé doeleinden wil gebruiken of voor commerciële uitbating. "Het in voorraad hebben van kinderpornografie bouwt rechtstreeks of door middel van verspreiding voort op en profiteert van ten aanzien van kinderen gepleegde zedendelicten" [Memorie van Toelichting].
Niet strafbaar zijn afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk ontblote kinderen. De afbeelding van een jeugdige in geheel of gedeeltelijk naakte staat is meestal een afbeelding van een niet-seksuele gedraging, ook al kan zo'n afbeelding op sommige liefhebbers van dit soort afbeeldingen een seksueel prikkelende uitwerking hebben. Eveneens niet strafbaar was de productie, verspreiding of in bezit hebben van beeldmateriaal bij de vervaardiging waarvan niet een echt kind betrokken is geweest, maar waarin een werkelijke seksuele gedraging wordt nagebootst ('fictieve kinderporno'). Strafrechtelijke vervolging werd hier aanvankelijk niet gewenst geacht omdat daarbij geen reëel persoon betrokken is. Door moderne computertechnieken is het mogelijk afbeeldingen te produceren die gedragingen weergeven die niet of nauwelijks van echt zijn te onderscheiden. Van kinderpornografie was dus alleen sprake wanneer het ging om een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een kind is betrokken. Kinderporno is immers strafbaar om kinderen tegen seksueel misbruik te behoefen, niet om mensen ervan te weerhouden kennis te nemen van seksueel prikkelend beeldmateriaal.
In januari 2001 stelde de minister van justitie Korthals op dit punt een wijziging in het Wetboek van Strafrecht voor waarin kinderporno voortaan ook stafbaar is als het pornografisch karakter van een afbeelding is verkregen door een digitale montage, zonder dat een kind daadwerkelijk fysiek is misbruikt. In de Memorie van Antwoord [17.5.2002] wordt geargumenteerd waarom ook het vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben van virtuele kinderporno strafbaar moet worden gesteld.
Maar in Nederland is sinds 1 oktober 2002 ook het produceren, verspreiden en in bezit hebben van virtuele kinderporno strafbaar [bron]. De strafbaarstelling daarvan wordt verdedigd met het argument dat virtuele kinderporno kan aanzetten tot seksueel misbruik van reële kinderen. Kinderen zouden het risico lopen daarvan slachtoffer te worden en daarom zouden personen die zich aan zulke digitaal gemanipuleerde plaatjes en animaties verlustigen moeten worden aangepakt [Memorie van toelichting, 2002]. Daarmee wordt echter gedeeltelijk het uitgangspunt verlaten dat het kinderpornoartikel dient ter bescherming van het kind [Moerings 2003]. Tegelijkertijd werd de minimumleeftijd voor deelname in pornografie verhoogd van zestien naar achttien jaar.
|
De Zandvoortse zaak heeft niet alleen aan het licht gebracht dat het mogelijk is om jarenlang straffeloos via internet kinderpornografische beelden te verzamelen en door te verkopen.
|
De Nederlandse politie heeft de laatste jaren de bestrijding van kinderpornografie hoger op de prioriteitenlijst gezet. Elk korps heeft minstens een expert Jeugd- en Zedenzaken die zich hiermee bezighoudt. De samenwerkingsverbanden met externe partijen zoals het Openbaar Ministerie en de hulpverlening is uitgebreid. De informatieuitwisseling is verbeterd door de opbouw van drie databanken. De landelijke databank van het KLPD vervult een bibliotheekfunctie en bevat tienduizenden afbeeldingen. Het KIDS-systeem dat ontwikkeld is door de politie Amsterdam-Amstelland vervult een recherchefunctie. Het CICLAS-systeem van de Centrale Recherche van het KLPD vervult een registratiefunctie en bevat informatie over moord- en zedenzaken. Hoewel de koppeling tussen deze databanken nog niet gerealiseerd is, wordt op diverse manieren relevante informatie uitgewisseld.
De surveillance op het internet reageert op signalen van kinderpornografie. Met behulp van informatie van de Meldpunten worden verspreiders en makers van kinderporno geïdentificeerd en virtuele kinderpornonetwerken in kaart gebracht. Ook het tappen van en infiltreren in deze netwerken behoort tot het actierepertoire.
Het is triest maar waar: het Meldpunt Kinderporno zit inmiddels met de handen in het haar. Enerzijds neemt het aantal meldingen hand over hand toe en wordt ook de aard van de meldingen steeds complexer. Anderzijds draaien de Nederlandse en Europese overheid de geldkraan steeds verder dicht.
| Jaar | Meldingen | Aangiftes* |
|---|---|---|
| 2000 | 4.007 | |
| 2001 | 5.076 | 37 |
| 2002 | 6.119 | 226 |
| 2003 | 5.999 | 3.914 |
| 2004 | 6.322 | 4.765 |
| 2005 | 8.185 | 5.126 |
| *Aangiftes van kinderporno aan KLPD én buitenlandse meldpunten | ||
De verwerking van meldingen wordt steeds complexer. In het begin draaide het meestal om kinderpornografische websites die makkelijk te traceren zijn. “Nu zijn er echter ook chatboxen en p2p-netwerken als KaZaA. Dat is een stuk lastiger te controleren. We komen niet meer aan alle meldingen toe” [Christine Karman, voorzitter van de Stichting Meldpunt Kinderporno - bron]. De verspreiding van kinderporno via e-mail, chatboxen, p2p-netwerken, instant messaging en MSN-groepen is moeilijk te traceren en te documenteren voor aangifte bij de politie. Daarom kan de organisatie betrekkelijk weinig doen met dit soort meldingen. Des te opmerkelijker is het dat de overheid haar subsidie aan de Stichting Meldpunt Kinderporno verlaagd (en van het toegezegde bedrag slechts de helft daadwerkelijk wordt ontvangen). In 2003 krijgt de stichting een subsidie van 56.000 euro. Slechts de helft daarvan is daadwerkelijk ontvangen. Ook de Europese Unie geeft subsidie, maar die wordt ook steeds kleiner (en zij heeft 9 maanden nodig om een declaratie daadwerkelijk uit te betalen).
In de Nederlandse wetgeving is het produceren, verspreiden en in bezit hebben van kinderporno verboden. In een aantal landen is inmiddels discussie ontstaan over de vraag of ook het surfen naar kinderpornografisch materiaal verboden moet worden. Canada wordt waarschijnlijk het eerste land ter wereld waarin zo'n verbod wordt doorgevoerd. De federale regering van Ottawa heeft aangekondigd dat zij in 2002 het surfen naar kinderporno op het internet strafbaar wil stellen. Burgerrechten organisaties zoals de Canadian Civil Liberties Association (CCLA) vrezen dat dit zal leiden tot een aantasting van de vrijheid van meningsuiting [bron]. Het valt niet te ontkennen dat de vrijheid van het individu door zo'n nieuwe wet wordt ingeperkt. Zoals altijd stelt de vrijheid van de een bijna per definitie grenzen aan de vrijheid van een ander. De vraag blijft hoe men de rechten van burgers afweegt ten opzichte van de rechten van kinderen. Er zijn goede conventionele en morele argumenten om in dit geval de rechten van de kinderen te laten prevaleren.
Informatiebronnen
|
|---|
| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |