Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Regulatie en Zelfregulatie van Internet

Albert Benschop

Index Pornografie in Cyberspace
Index Regulatie van CyberPorno
Index Kinderporno in Cyberspace
Index Politiek op het internet
red_button CyberTerrorisme
red_button Oorlog in Cyberspace

Vormen en doelen van regulatie

Internet is zonder centrale sturing ontstaan. De kracht van het internet is dat het van onderop is opgebouwd, door het handelen van veel individuen en organisaties. De bouwers van het internet hadden elk op hun eigen terrein de maximale vrijheid om dingen zo in te richten als ze wilden. Alleen daar waar dat echt nodig was —zoals op het gebied van de technische en administratieve domeinregistratie— werden er functies centraal geregeld. Aanvankelijk werd die noodzakelijke coördinatie uitgevoerd door één vrijwilliger. Later gebeurde dit door een sterk in de internetgemeenschap verankerde organisatie, ICANN.

Internet is een virtueel samenlevingsverband zonder staat. Geen enkele nationale staat of conglomeraat van nationale staten heeft het gezag om het internet haar wetten en regels op te leggen. Toch proberen regeringen van nationale staten telkens weer om van buitenaf controle te krijgen op het internet. Het is voor hen een gruwel dat er een vorm van openbaarheid bestaat die zij niet kunnen controleren.

Soevereine staten hebben het recht om activiteiten te reguleren die plaatsvinden binnen hun eigen landsgrenzen. Dit recht om te reguleren wordt gemodereerd door bepaalde internationale verplichtingen. Op internet is het moeilijk om de precieze locatie van bepaalde activiteiten te identificeren. Internet functioneert alleen bij de gratie van de mensen die het gebruiken. Maar de mensen die het internet gebruiken zijn fysiek gelokaliseerd binnen het territorium van een soevereine staat. En die staten hebben nu eenmal het gezag om de activiteiten van hun eigen burgers te reguleren.

Het probleem is dat de territoriale bevoegdheden van een staat nog steeds niet veel verder reiken dan de regel van de kanonskogel in het oude zeerecht: territoriale bevoegdheden reikten niet verder dan men vanaf het vasteland een kanonskogel kon schieten. Internet is niet alleen een slagveld tussen gewetenloze criminelen en handhavers van de rechtszekerheid en veiligheid, maar ook tussen zelfbewuste burgers die zichzelf willen uiten en regeringen die de vrijheid van meningsuiting op internet willen beperken en de informatietechnologie gebruiken om hun burgers te bespioneren.

Wat zijn de mogelijkheden om het internet politiek te reguleren, en wat zijn daarvan de gevaren? Welke initiatieven nemen providers, systeembeheerders, webmasters, moderatoren van online discussies om het internet van binnenuit en vrijwillig te reguleren? De lastigste vraag betreft de verantwoordelijkheid voor illegale en schadelijke inhoud op het internet. De confrontatie tussen de internet-industrie en justitie begon op het vlak van de kinderpornografie, maar heeft zich inmiddels verspreid naar alle andere vormen van illegale en schadelijke inhoud op het internet.

Hoe en in welke mate het internet het best gereguleerd kan worden is onderwerp van een heftig debat. Cyberspace vereist een regelgeving die afwijkt van de wetten die fysieke, geografisch gedefinieerde territoria reguleren. Het recht was altijd verankerd in territoriale grenzen. Cyberspace staat hier haaks op omdat haar werkingsgebied niet meer zo gemakkelijk in territoriale eenheden verdeeld kan worden [Johnson/Post 1996]. Toch zijn veel staten niet erg onder de indruk van de vermeende onafhankelijkheid van geografische beperkingen die voortvloeien uit de elektronische aard van informatie-overdracht of door het vermeende falen van territoriaal verankerde rechten om personen te bereiken die buiten het nationale territorium verblijven [Wilske/Schiller 1997; Goldsmith/Wu 2006]. Internationaal recht maakt het veel meer staten mogelijk om jurisdictie uit te oefenen dan netizens vermoeden.

De brede verspreiding van een communicatiemedium leidt er uiteindelijk toe dat het publiek en het bedrijfsleven proberen regulerende mechanismen in het leven te roepen. Dit kan gebeuren door zelfregulatie van individuen, huishoudens, organisaties, netwerken, en gemeenschappen, instellingen en bedrijven, maar ook door overheidsregulatie. De opkomst van het internet als systeem van massacommunicatie heeft een groot aantal vragen opgeroepen over zo'n regulatie. Daarbij gaat het niet alleen om kwesties als persoonlijke privacy en nationale veiligheid, maar ook om de bescherming van kinderen, reclame, betrouwbaarheid van informatie en monopolistische controle.

De behoefte aan regulatie van het internet is dus meervoudig gemotiveerd. En daarom kunnen met regulatie ook meerdere doelen worden gediend. De doelen van regulatie van inhoud kunnen zijn:

Zelfregulatie en overheidsregulatie hebben elk hun eigen voor- en nadelen. Een effectief regulerend systeem om illegale en schadelijke inhoud op het internet te bestrijden zal beide vormen van regulatie moeten combineren. Aan de hand van de Nederlandse regelgeving wordt eerst ingegaan op de externe of juridische regulatie van het internet met behulp van het materiële en formele strafrecht. Daarna worden de verschillende niveaus en vormen van zelfregulatie besproken.

Index CyberCriminaliteit

Mensen maken zich steeds meer zorgen over criminele activiteiten op het internet. Die bezorgdheid richtte zich aanvankelijk primair op de online verspreiding van kinderporno. Tegenwoordig maakt men zich vooral zorgen over cybercriminaliteit: diefstal van kredietkaarten, bankfraude, inbraken op computernetwerken van overheden en nutsbedrijven, verspreiding van computervirussen die persoonlijke computerbestanden wissen en digitale identiteiten stelen [Fox 2001]. De sterk verspreide publieke angst over cybercriminaliteit en cyberspionage is de krachtbron voor de roep om regulerende maatregelen. Daarbij wordt met name de overheid opgeroepen het internetverkeer te controleren op crimineel gedrag.

Cybercrimes Cybercriminaliteit is een speciale vorm van computercriminaliteit. Computercriminaliteit omvat alle misdrijven die worden verwezenlijkt met behulp van specialistische computerkennis, hardware of software. Cybermisdaden zijn alle misdrijven die gepleegd worden met behulp van computers die op het internet zijn aangesloten. Digitale informatie- en communicatiesystemen maken het mogelijk om op elk tijdstip en vanuit elke plek ter wereld illegale activiteiten te organiseren naar elke willekeurige andere plek. Er zijn geen betrouwbare statistieken over het hele scala van computer-gerelateerde criminele activiteiten. Criminele activiteiten zijn per definitie altijd moeilijk in kaart te brengen omdat wetsovertreders nu eenmaal geneigd zijn hun illegale activiteiten te verheimelijken. Cybercriminelen doen alles om de digitale sporen van hun misdrijf uit te wissen. Bovendien zijn veel bedrijven niet bereid om gevallen van computermisbruik te rapporteren, omdat zij slechte publiciteit proberen te vermijden en zich zo min mogelijk willen blootstellen aan toekomstige cyberaanvallen.

De vier belangrijkste vormen van criminaliteit op het internet zijn:

  1. Aantasting van privacy
    Wie enige tijd onbeschermd op het internet surft laat een spoor van zeer persoonlijke informatie achter. Die sporen worden door sommige commerciële en gouvernementele instellingen verzameld, geordend, geïnterpreteerd en vervolgens verspreid en gebruikt voor commerciële beïnvloeding of voor politieke doeleinden. In diverse landen zijn inmiddels strafrechtelijke bepalingen ontwikkeld tegen het illegaal verzamelen, opslaan, modificeren, ontsluiten of verspreiden van persoonsgegevens.

  2. Inhoud-gerelateerde criminaliteit: uitingsdelicten
    Een tweede vorm van internet gerelateerde criminaliteit heeft betrekking op de specifieke inhoud van de informatie die via internet wordt gecommuniceerd. Het gaat daarbij vooral om de verspreiding van kinderpornografie, racistische documenten en haatsites die oproepen tot geweld. De vraag is niet zozeer of dit criminele handelingen zijn, maar in welke mate dergelijke criminele handelingen effectief strafrechtelijk kunnen worden aangepakt.

  3. Economische misdaden, ongeautoriseerde toegang en sabotage
    De bestrijding van economische criminaliteit op het internet richt zich met name tegen het ongeautoriseerd toegang verwerven tot computersystemen: hacking, sabotage, verspreiding van virussen, spionage, oplichting en fraude. Er zijn achter ook geheel nieuwe vormen van cybercriminaliteit ontstaan: computermanipulaties in plaats van misleiding van mensen. Het doel van deze misdaden is meestal geld in banken of computerprogramma’s. Onder economisch gemotiveerde internetcriminaliteit valt uiteraard ook belastingontduiking (overtreding van Douane Wet, zoals smokkelen en helen).

  4. Inbreuken op intellectueel eigendomsrecht
    Tegengaan door juridische bescherming van computerprogramma’s en van databanken. Naarmate het internet commercieel belangrijker wordt, ontstaan er meer disputen rond domeinnamen: cyberkraken (‘cybersquatting’), warehousing en reverse hijacking.
De Nederlandse overheid kiest voor het uitgangspunt dat alle normen die ‘off line’ gelden ook ‘on line’ van toepassing zijn. Dat wil zeggen dat de in het Wetboek van Strafrecht vastgelegde juridische normen en waarden niet alleen van toepassing zijn op de lokale omgeving, maar ook op virtuele omgevingen. Ook op internet moeten burgers aanspraak kunnen maken op hun grondrechten en overheden dienen zich garant te stellen voor de rechtshandhaving en rechtszekerheid in virtuele omgevingen.

Index Externe Regulatie

Het gebruik van de elektronische snelweg heeft van alle rechtsgebieden de grootste invloed op het strafrecht. Internetgebruik kan diep ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer en stelt sommige traditionele normen — en wijzen van normhandhaving — in een ander perspectief. De strafrechtelijke regulatie van het internet is verankerd in het recht dat regelt wanneer en hoe de overheid straffend jegens haar burgers kan optreden. Internet heeft grote invloed op zowel het materiële als het formele strafrecht. In het materiële strafrecht staan gedragingen die strafbaar zijn gesteld (zie Wetboek van Strafrecht), in het formele strafrecht staat geregeld hoe die normen gehandhaafd worden (zie Wetboek van Strafvordering).

Index


Materieel strafrecht: strafbare feiten
Strafbare feiten in verband met het internet kunnen in vier categorieën worden onderscheiden: (1) het aantasten van het goed functioneren van informatiesystemen; (2) vermogensdelicten, (3) uitingsdelicten en (4) de schending van auteursrechten.

  1. Functioneren van informatiesystemen
    Het functioneren van digitale informatiesystemen kan op verschillende manieren worden aangetast. Criminele handelingen richten zich op op drie fronten: (a) de vertrouwelijkheid van gegevens: ‘confidentiality’, (b) de integriteit van systemen: ‘integrity’ en (c) de ongestoorde beschikbaarheid van gegevens, programmatuur en diensten: ‘availability‘.

    1. De vertrouwelijkheid van gegevens wordt beschermd door de geheimhoudingsplicht van bepaalde beroepsgroepen, zoals ambtenaren, medici en advocaten. De vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen heeft vorm gekregen in artikel 273 van het Wetboek van Strafrecht.

    2. De integriteit van informatiesystemen wordt beschermd door een relatief nieuw type van bepalingen. Informatiesystemen zijn immers van relatief recente datum. Een voorbeeld is de bepaling inzake computervredebreuk [artikel 138a van Wetboek van Strafrecht], gericht tegen het binnendringen in computers of besloten netwerken. Van aantasting van integriteit is reeds sprake wanneer door het computerkraken (‘hacken’) onzekerheid is ontstaan of alle gegevens nog ongewijzigd zijn. Bij de verdere ontwikkeling van de informatietechniek vermoedt de wetgever dat nadere strafbepalingen nodig zijn gericht op bescherming van de integriteit van informatiesystemen. De Minister van Justitie onderzoekt of een aanpassing van artikel 350a van het WvSr is gewenst.

    3. De beschikbaarheid van gegevens, programmatuur en diensten is een afzonderlijk ‘beschermwaardig goed‘. De inbreuk op het ongestoord functioneren van systemen of voor het publiek algemeen beschikbare informatietechnologische voorzieningen, alsmede de aantasting van de beschikbaarheid van dergelijke systemen of voorzieningen is strafbaar gesteld in de artikelen 161 sexies en 161 septies van het WvSr. In het voorstel voor een nieuwe Telecommunicatiewet worden deze bepalingen zodanig aangepast dat ze ook gelden voor de diensten die Internet Service Providers (ISP’s) aanbieden. Hierdoor is onder andere het zgn. bombing van e-mailboxen strafbaar. De integriteit van informatie- en communicatiesystemen wordt ook nog door andere bepalingen beschermd. Zo is het bijvoorbeeld strafbaar om ongeautoriseerd gegevens van een geautomatiseerd werk te wijzigen of te vernietigen [art. 350a en 350b WvSr]. Het is dus strafbaar om gegevens te wijzigen die automatisch door het internetprotocol worden gegenereerd en een aanwijzing geven over de herkomst van een bericht (‘spoofen’).

      Een lastig probleem hierbij is het verschil tussen de diverse groepen die op een of andere manier gebruik maken van de kwetsbaarheden van het internet. Er zijn hackers die de kwetsbaarheden van het internet verkennen (‘exploring the frontiers of cyberspace’) en daarbij op termijn een grotere veiligheid beogen. Er zijn cybervandalen die de kwetsbaarheden van het internet misbruiken om andere mensen of organisaties lastig te vallen door hun informatiesystemen te ontregelen. En er zijn crackers (criminele hackers) die de kwetsbaarheden van het internet misbruiken om zichzelf te verrijken. Een hacker is dus niet per definitie een crimineel. Netzomin als dat iemand die zich schuldig maakt aan een digitale misdaad niet per definitie een hacker is. Maar toch is de geschiedenis van beide sterk met elkaar verweven [Dasselaar 2005: hfst. 2].

  2. Vermogensdelicten: fraude
    Door fraude wordt inbreuk gemaakt op de vermogenspositie van een rechthebbende. De bestaande bepalingen over oplichting en vervalsing zijn voldoende technologie-onafhankelijk omschreven voor toepassing op de elektronische snelweg. Verder is onder meer strafbaar het wederrechtelijk verkrijgen van via telecommunicatie aangeboden diensten door ‘valse signalen’ [art. 326c WvSr], bijvoorbeeld door modems die het mogelijk maken zonder betaling toch de versluierde signalen van betaaltelevisie te verkrijgen. Het aanbieden van deze modems zelf is strafbaar, ook zonder dat het frauduleuze hoofddelict is gepleegd [art. 326c tweede lid].

  3. Uitingsdelicten: belediging, discriminatie, kinderporno
    Uitingsdelicten op het internet staan volop in de belangstelling. Meest in het oog springend zijn de kinderpornografie en de racistische literatuur. Onder de noemer uitingsdelicten valt een heel scala van delicten, zoals belediging [art. 261], het aanbieden van schadelijk materiaal aan kinderen [art. 240a] en de onverhoede confrontatie met pornografie [art. 240]. Uitingsdelicten raken aan het grondrecht van vrijheid van meningsuiting. Bij uitingsdelicten wegen het maatschappelijk schadelijk effect van de uiting zwaarder dan het grondrecht van vrijheid van meningsuiting.

    In Nederland zijn de bepalingen over de verspreiding van aanstootgevend materiaal in 1985 uit het Wetboek van Strafrecht gehaald. Sindsdien geldt algemeen het beginsel dat volwassenen, mondige burgers, zelf kunnen bepalen welke informatie zij tot zich nemen. Voor de overheid is geen taak weggelegd op het terrein van de ‘goede smaak‘ of fatsoen. De overheid heeft wel als taak om gedragingen strafbaar te stellen ter bescherming van derden, zoals kinderen of bepaalde bevolkingsgroepen. Dit uitgangspunt wordt echter internationaal niet alom gedeeld. Zo is in sommige landen pornografie strafbaar gesteld, omdat het als onfatsoenlijk wordt aangemerkt. De overheid bepaalt daar dus wat mensen al dan niet tot zich mogen nemen, ook al is er geen sprake van bescherming van derden.

    De wetgever vraagt zich af of het beginsel dat volwassen burgers zelf moeten kunnen bepalen wat zij tot zich nemen, in de toekomst onverkort kan blijven gehandhaafd. Het internet leidt er immers toe dat de plaats waarvandaan iemand een uiting verricht minder van belang is.

      “Op enig moment is wellicht een verdergaande strafbaarstelling nodig, ook al zou dit een inbreuk betekenen op de vrijheid van de volwassen burger om zelf te bepalen van welke informatie hij kennis neemt. Zo is bijvoorbeeld denkbaar uitbeeldingen van ernstig seksueel geweld te verbieden. Nederland zal in internationaal overleg een open houding aannemen tegenover de ontwikkeling van internationale normen. Soms zal daarbij aanpassing van Nederlandse normen, die afwijken van de internationale consensus, moeten worden geaccepteerd” [Wetgeving voor de digitale snelweg].
     

  4. Schending van Auteursrechten
    Auteursrechten beschermen originele creatieve werken zoals poëzie, fictie, schilderijen en muziek, alsmede software programma’s tegen ongeoorloofde reproductie of andere manipulaties zonder de toestemming van de houder van deze rechten. Toepassing van auteursrechten op het internet is uitermate moeilijk, met name door het gemak waarmee informatie via dit medium gedupliceerd en verspreid kan worden. Bijna elk lied van een compact disk, elke foto uit een tijdschrift of elke tekst uit een boek kan digitaal op een computer worden gekopieerd. Met een paar klikken kan de gebruiker deze documenten naar duizenden andere mensen sturen, die op hun beurt nieuwe kopieën naar nog meer gebruikers kunnen versturen. Houders van auteursrechten zijn gealarmeerd door dit vooruitzicht, vooral omdat zij vaak in hun levensonderhoud voorzien door het verkopen van de rechten op hun creatieve product. Auteurs, artiesten en grote mediaconcerns dringen aan op strenge handhaving van de wet op de auteursrechten. Tegenstanders wijzen erop dat dergelijke regulaties de essentie van de virtuele wereld fundamenteel zou veranderen. Het succes en de groei van het internet is volgens hen juist te danken aan de vrije uitwisseling van ideeën en informatie via het netwerk. “Cyberspace is copying” [David Post, jurist op Georgetown University in Washington, D.C.]. Omdat het internet niet aan geografische grenzen is gebonden, zal elke poging om auteursrechten op het internet af te dwingen in mondiale samenwerking gerealiseerd moeten worden. In Intellectueel eigendom en copyright wordt uitvoeriger ingegaan op de transformatie van auteursrechten in het digitale tijdperk.

Aansprakelijkheid van de provider
Wie strafrechtelijk materiaal via het internet aanbiedt begaat een strafbaar feit. Vaak is het echter moeilijk te achterhalen welke persoon achter een onrechtmatige handeling zit en waar deze persoon zich bevindt. Vaak is het alleen via een provider mogelijk om de pleger van een onrechtmatige daad te achterhalen. Juist daarom is een andere vraag hoog op de agenda geplaatst: hoe staat het met de aansprakelijkheid van tussenpersonen voor uitingsdelicten die op het internet worden gedaan? Het WvSr stelt het openbaarmaken en verspreiden van bepaalde uitingen strafbaar. Verder worden als medeplichtigen gestraft zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van dat feit [art. 49 WvSr]. Tussenpersonen die beroeps- of bedrijfsmatige informatie doorgeven, kunnen onder omstandigheden als dader of medeplichtige worden aangemerkt. Uitgevers en drukkers genieten daarbij een bijzondere bescherming: kunnen zij desgevraagd de auteur noemen, dan kunnen zij niet worden vervolgd en gaan zij vrijuit [art. 53 en 54 WvSr]. Internetproviders zijn tot op zekere hoogte vergelijkbaar met drukkers of uitgevers. De Minister van Justitie is van mening dat zij aansprakelijk zijn voor de via hen verspreide stafbare informatie, mits zij - afhankelijk van de delictsomschrijving - op de hoogte waren of redelijkerwijs konden zijn van de aard van de informatie. In het voorontwerp voor een Wet Computercriminaliteit II wordt voorgesteld art. 53 van het WvSr ingrijpend te moderniseren. Daarbij staan de volgende aspecten centraal.

  1. Iedere persoon die zijn beroep of bedrijf maakt van de openbaarmaking of verspreiding van uitingen, dient bij de normale uitoefening van dat beroep of bedrijf de bescherming te genieten die het WvSr thans toekent aan uitgevers.

  2. De tussenpersoon kan alleen worden vervolgd indien hij zijn eigen identiteit of die van de (hoofd)dader niet bekendmaakt ofwel nalaat die handelingen te verrichten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd ter voorkoming van verdere verspreiding van de (strafbare) uitingen.

  3. Deze regeling geldt voor alle professionele tussenpersonen, ongeacht het communicatiemedium (techniekonafhankelijkheid).

  4. De reikwijdte van de strafwet wordt niet uitgebreid. Dit betekent o.a. dat tussenpersonen alleen aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de openbaarmaking of verspreiding van informatie, niet voor informatie-uitwisseling tussen enkele personen in de privé-sfeer via bijvoorbeeld e-mail.
De aansprakelijkheid die tussenpersonen volgens de strafwet hebben, wordt door deze regeling ingeperkt, niet uitgebreid. In de regeling die wordt voorgesteld door het wetsvoorstel Computercriminaliteit II is de tussenpersoon alleen aansprakelijk - en kan hij alleen worden vervolgd - wanneer hij niet voldoet aan de aanmaning van de officier van justitie om die handelingen te verrichten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd ter voorkoming van de verdere verspreiding van bepaald - naar het oordeel van de officier van justitie - strafbaar materiaal. Van de tussenpersonen worden dus geen preventieve maatregelen geëist, zonder dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van strafbaar materiaal. Evenmin wordt van hem gevraagd om bij iedere melding of klacht (van bijvoorbeeld een klant of een abonnee), dat zich onder de door de tussenpersoon verspreide informatie mogelijk strafbaar materiaal bevindt, onmiddellijk maatregelen te treffen ter voorkoming van de verdere verspreiding van dat materiaal. Of het betrokken materiaal inderdaad strafbaar is, staat immers met zo'n melding nog niet vast; dit staat primair ter beoordeling van de officier van justitie en de rechter. Van de tussenpersoon wordt niet verwacht dat hij op de stoel van de officier van justitie of de rechter gaat zitten.

Dit laat uiteraard onverlet dat de tussenpersoon, net als iedere andere burger, een eigen “verantwoordelijkheid volgens de wet” heeft [art. 7 lid 1 Grondwet]. Dit betekent dat als de tussenpersoon bij de openbaarmaking of verspreiding van bepaalde informatie onvoldoende zorg betracht en hij weet of redelijkerwijs kan weten dat het om strafbaar materiaal gaat, hij zich mogelijk schuldig maakt aan een verspreidingsdelict of medeplichtigheid daaraan. Op dit punt - wat de strafbaarheid betreft - worden aan tussenpersonen geen lichtere of zwaardere eisen gesteld dan aan ieder ander. Dit sluit aan bij de klassieke strafrechtelijke leerstukken zoals voorwaardelijke opzet en schuld: in veel bestaande uitings- en verspreidingsdelicten komt bestanddeel “redelijkerwijs moeten vermoeden” voor (zie art. 137e lid 1 onder 2 Sr). Dit betekent dat Nederlandse staatburgers een zorgplicht hebben die die meebrengt dat zij zich niet aan strafbaarheid kunnen onttrekken door de ogen te sluiten voor wat er door hun handen gaat. Toch is er een verschil tussen de tussenpersoon en een gewone particulier. De tussenpersoon krijgt een beschermde positie omdat hij een beroep kan doen op een bijzondere vervolgingsuitsluitingsgrond: als de tussenpersoon achteraf alsnog, op aanmaning van de officier van justitie, maatregelen treft ter voorkoming van de verspreiding van het materiaal, kan hij niet worden vervolgd, ook al is hij naar de letter van de wet strafbaar [Wetsvoorstel Computercriminaliteit II].

Op 14 mei 1997 werd de stichting “Meldpunt ter bestrijding van kinderpornografie op Internet” opgericht. In het Meldpunt Kinderporno op Internet participeren Internetproviders verenigd in branchevereniging NLIP, Internetgebruikers, CRI en ECPAT.
De verantwoordelijkheid van de Internetprovider heeft in belangrijke mate gestalte gekregen in het Internet Meldpunt Kinderporno [www.meldpunt.org]. Indien er sprake is van kinderpornografie volgens art. 240b Wetboek van Strafrecht en dit betrekking heeft op onderdanen van de Nederlandse Staat, zal het meldpunt aangifte doen.

De overheid hecht er belang aan dat deze vorm van zelfregulering wordt uitgebreid tot andere uitingsdelicten en op termijn ook tot andere categorieën tussenpersonen. Het regering zal de totstandkoming van die zelfregulering actief bevorderen en prioriteit geven aan de strafrechtelijke handhaving.

De Telecomwet van 1998 verplicht de toegangsbieders hun netwerken open te stellen als justitie daarom vraagt. Internet-providers moeten speciale apparatuur installeren zodat politie en justitie gebruikers kunnen afluisteren, De branchevereniging NLIP raamt de kosten op enkele tonnen tot 1,5 miljoen per provider, afhankelijk van de omvang. “Een grotere provider met bijvoorbeeld zes regionale netwerken is mogelijk zelfs 9 miljoen gulden of meer kwijt aan aftap-apparatuur” [H. Leemans, directeur van de NLIP, Volkskrant 5.12.2000]. De NLIP is bang dat de maatregel vooral kleinere leden de kop gaat kosten. Ook providers die gratis toegang bieden lopen gevaar. De wet verplicht verder tot 'onverwijld' toegang tot het netwerk. Nederland heeft de meest vergaande wetgeving voor het aftappen. Tot 15 april 2001 hebben de providers van justitie de tijd gekregen om de afluisterapparatuur te plaatsen. Er komt een centrale beheersorganisatie die aftapbevelen van opsporingsinstanties controleert. Deze beoordeelt aftap-bevelen van opsporingsinstanties eerst op rechtsgeldigheid en geeft ze pas daarna door aan de betreffende ISP. De ISP’s gaan gemeenschappelijk gebruik maken van aftap-apparatuur. Bij het aftappen van het internetverkeer loop Nederland voorop in Europa. De verwachting is dat het aantal taps zal toenemen, zo snel dat technisch mogelijk is [aftap.nl].

Index


Formeel strafrecht: opsporingsbevoegdheden
Het formele strafrecht beschrijft de bevoegdheden van de overheid jegens burgers teneinde het materiële strafrecht te handhaven. Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien [art. 1 Wetboek van Strafrecht]. Enerzijds betekent dit dat waar de inbreuken op de grondrechten van de burger indringender zijn er zwaardere criteria gelden voor het hanteren van die bevoegdheden en de besluitvorming op een hoger niveau wordt gelegd. Anderzijds geldt dat de bevoegdheden ingrijpend kunnen zijn waar ernstige strafbare feiten (m.n. bij georganiseerde criminaliteit) ernstige schade aan de samenleving kunnen aanbrengen. In de Wet computercriminaliteit II worden regels gegeven met betrekking tot
  1. het vastleggen, ontoegankelijk maken en vernietigen van bepaalde computergegevens t.b.v. de strafvordering;
  2. de verplichting tot medewerking aan het ontsleutelen van geëncrypteerde telecommunicatie;
  3. het onderzoek van e-mail t.b.v. de opsporing, en
  4. het opsporingsonderzoek op openbare computernetwerken, zoals Internet.
Voor de verdere ontwikkeling van het 'digitaal rechercheren' zijn met name de bevoegdheden relevant die geregeld zijn in het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden dat op 17 juni 1997 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Deze bevoegdheden zijn:
  1. Stelselmatige inwinning van informatie over de verdachte door een opsporingsambtenaar zonder dat kenbaar is dat hij als opsporingsambtenaar optreedt [artikel 126]. Op bevel van de officier van justitie kan een opsporingsambtenaar undercover deelnemen aan een nieuwsgroep op het internet of gebruik maken van Internet Relay Chat (IRC).
  2. Opnemen van telecommunicatie en vorderen van verkeersgegevens [artikelen 126f, 126n, 126t en 126u wetsvoorstel], nu geregeld in de artikelen 125f en 125g Wetboek van Strafvordering.
  3. Opnemen van vertrouwelijke communicatie, d.w.z. direct afluisteren [art. 126l en 126s wetsvoorstel] is met name van belang in situaties waarin verdachten gebruik maken van encrypted e-mail. Met deze bevoegdheid is het onder omstandigheden mogelijk dat op een toetsenbord van een computer in een kantoor een bug geplaatst kan worden, zodat vertrouwelijke communicatie onderschept kan worden, voordat het wordt geëncrypteerd [zie hieronder over trojaanse paarden en 'keystroke logging'].
  4. Politiële infiltratie [art. 126h en 126p wetsvoorstel]. Een opsporingsambtenaar kan via internet deelnemen aan een netwerk van personen dat bijvoorbeeld kinderpornografie via het net aanbiedt en verspreidt, om - in het belang van de opsporing - informatie te vergaren over de herkomst ervan.
  5. Pseudo-koop of -dienstverlening [art. 126i en 126q wetsvoorstel]. Wordt zodanig aangepast dat ook de pseudokoop mogelijk is van gegevens afkomstig uit een geautomatiseerd werk door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, bijv. het kopen van kinderporno door een opsporingsambtenaar via internet.
  6. 'Verkennend onderzoek' [art 126ff, wetsvoorstel]. Onderzoek naar verzamelingen van personen, om vast te stellen op welke wijze daarbinnen misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, worden beraamd of gepleegd. Het verkennend onderzoek dient ter voorbereiding van de opsporing.
Bij de toepassing van deze opsporingsbevoegdheden op het internet geldt een belangrijk voorbehoud: Nederlandse opsporingsambtenaren mogen bijvoorbeeld op computernetwerken slechts onderzoek doen voor zover de Nederlandse rechtsmacht reikt. Zij mogen dus geen onderzoek doen wanneer de betrokken computers zich kennelijk buiten Nederland bevinden of wanneer er zodanige aanwijzingen zijn dat er een gerede kans is dat dit het geval is. Strafrechtelijk normering houdt op bij de fysieke landsgrenzen, terwijl internet per definitie een grensoverschrijdend karakter heeft. Wanneer Nederlandse opsporingsambtenaren rechercheren buiten de nationale grenzen zijn zij aangewezen op de medewerkeing van de autoriteiten van het betreffende land.

Index


WIV: Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
In de toekomst kan de controle van de Inlichtingendienst op de dagelijkse communicatie aanzienlijk worden verscherpt. In de nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) worden de bevoegdheden van de inlichtingendiensten aanzienlijk verruimd. Privacyrechten als het briefgeheim (inclusief e-mail) worden beknot. De Inlichtingendienst grijpt de nieuwe technologie aan voor een uitbreiding van hun bevoegdheden [Maurice Wessling van Bits of Freedom, een privacy- en burgerrechtenbeweging]. Ook het briefgeheim [art. 13 Grondwet] wordt aangepast. Als de inlichtingendienst het briefgeheim wil schenden dan is daar nu nog een rechter voor nodig, maar in de toekomst alleen maar één minister. Artikel 13 gaat gelden voor alle vertrouwelijke informatie, van spraak tot brief, van e-mail tot gsm.

Dankzij het internet is het voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en andere inlichtingendiensten veel gemakkelijker geworden om in elke huiskamer binnen te dringen. Inlichtingendiensten zijn in staat en gerechtigd om al je e-mail te lezen en je surfgedrag in kaart brengen. Het is ook mogelijk om vanaf een afstand op je computerscherm mee te kijken. Via een modem of netwerk kan je computer worden gepenetreerd om vervolgens bestanden van je computer te halen of je programma’s te corrumperen. Daarbij kunnen tegelijkertijd ook je cryptosleutels worden gestolen. Dit is mogelijk via een programma dat vermomd als iets anders bij je computer binnenkomt en dan allerlei opdrachten uitvoert zonder dat de gebruiker dit door heeft. Zo’n Trojaans paard kan als attachment via e-mail op de computer terecht, of verborgen zijn in een gecorrumpeerd muziekbestand.

Een voorbeeld daarvan is Back Orifice 2000 van de hackersorganisatie Cult of Dead Cow. Met deze gratis software kun je van een afstand alles zien wat er op een computer gebeurt. Met streaming video zie je dezelfde dingen op hetzelfde moment als de gebruiker ze op zijn eigen scherm ziet. Het levert volledige macht over een pc op. Net als alle andere instrumenten die je in huis hebt kan Back Orifice legitiem worden gebruikt als beheersinstrument, of om mensen te beschaden. Systeembeheerders gebruiken het programma om hun werk te vergemakkelijken.

Afluisteren op Afstand
Datacommunicatie in de computer vindt plaats door zeer herkenbare vierkante elektromagnetische golven (square waves) die een frequentie hebben tussen de 10 KHz en 2 GHz. Met speciale antennes kan deze straling van een kilometer afstand worden opgevangen. Het is zeer moeilijk om het juiste signaal te isoleren, omdat een heleboel andere elektrische apparaten storende ruissignalen uitzenden in hetzelfde frequentiegebied. Toch is men er inmiddels in geslaagd om in een laboratorium met weinig omgevingsruis het processorruissignaal op te vangen, zelfs via de bekabeling van een extern modem. De naam voor deze afluistertechniek is Tempest.

Wie zich tegen deze afluistertechniek wil beschermen kan gebruik maken van een speciale anti-Tempest tent van absorberend materiaal voor hoge frequenties. Deze kosten echter enkele tienduizenden euros. Je kunt hetzelfde bereiken door met je computer in een metalen kooi te gaan zitten. Een draadloos toetsenbord kan echter zonder veel problemen worden afgetapt.

Wie zijn surfroutes en e-mail echt wil anonimiseren kon gebruik maken van de diensten van het Canadese bedrijf Zero Knowledge. Tegen betaling kreeg je een client op je computer die al je e-mail en webverkeer codeerde. Via een netwerk van servers, het Freedom Net, werd het voor derden onmogelijk om je mail of je surfroute te volgen. Deze dienst werd in oktober 2001 abrupt opgeheven.

De site van bureau Jansen en Janssen geeft informatie en tips om jezelf te beschermen. Test wat er tijdens het surfen aan privé-informatie wordt meegestuurd op Elf Qrin’ Cyber Lab [kies Tools en vervolgens Browserinfo]. De inbreukgevoeligheid van je eigen pc kun je testen via het programma Shields Up op de site grc.com.

Een ander wapen is keylogging. Een keylogger is een programma of een stukje hardwarde waarmee men de toetsaanslagen van een computergebruiker kan registreren. De gebruiker merkt er niets van - het spionageprogramma draait stilletjes op de achtergrond. Een keylogger slaat alle informatie op in een logfile die via het internet bezorgd wordt aan de spion. Keylogging kan op twee manieren worden gerealiseerd. Ten eerste kan er een stukje hardware in het toetsenbord worden geplaatst. Daarvoor zal er eerst fysiek bij iemand moeten worden ingebroken. Een dergelijk onderzoek dat op één persoon gericht is, wordt door de inlichtingendienst pas ingezet als ze een persoon verdacht vindt. Ten tweede mag de inlichtingendienst in de toekomst al het communicatieverkeer afluisteren dat door de ether loopt. Dat geldt voor de gsm en de laptop, maar ook voor al het internetverkeer dat via de satelliet gaat. Voor het afluisteren van nationaal verkeer moet de inlichtingendienst een lijst bijhouden waarop ze zoeken (bijvoorbeeld trefwoorden, indentificatienummers van computeronderdelen, stemprofielen). Deze lijst moet één keer per jaar ter goedkeuring aan de minister worden voorgelegd. Bij grensoverschrijdende communicatie is zelfs deze minieme controle niet vereist. De inlichtingendienst kan op die manier precies analyseren wat voor communicatie er is geweest, wie eraan hebben deelgenomen en wat er is gezegd. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat veel van het lokale internetverkeer ook grensoverschrijdend is. Wie een emailtje verstuurt naar zijn buurman heeft grote kans dat dit mailtje via het buitenland gaat. Het internet zoekt namelijk altijd de snelste weg, en de informatie gaat daarbij vaak via de satelliet.

Providers zijn niet de enige ondernemingen die wettelijk verplicht zijn om samen te werken met inlichtingendiensten. Ook sommige softwarebedrijven die beveiligingsprogramma's ontwikkelen worden hiertoe gedwongen. De bedoeling is dat hun programma’s, zoals virusscanners en commerciële firewalls, niet alles registreren wat er binnenkomt, waardoor de activiteiten van de inlichtingendiensten niet traceerbaar zijn. Als je een echt veilig programma wilt hebben moet je ervoor zorgen dat het een open source heeft. Alleen dan kun je nagaan hoe het programma in elkaar zit.

Het bekendste beveiligingsprogramma met een open source is Pretty Good Privacy. PGP is een cryptografieprogramma dat de berichten die je verstuurt en de bestanden op je computer kan versleutelen.

Index Zelfregulatie

“Op internet valt kennelijk niet zoveel te regelen. Het regelt zichzelf, zoals iedere jungle. De enige regel die er geldt, is die van de regelloosheid” [Francisco van Jole, Volkskrant:19.1.01].

 
Internet wordt niet alleen extern gereguleerd door rechtsregels die door overheden worden opgelegd, maar kent ook diverse vormen van interne regulatie. Van interne regulatie of zelfregulatie is sprake wanneer personen, groepen of organisaties die op het internet opereren of daarvoor infrastructurele voorzieningen aanbieden zichzelf gedragsnormen en -regels opleggen. Deze normering van eigen internetgedrag speelt zich af op vier niveaus: internationale internetorganisaties, providers, groepen of organisaties, en particulieren. Bij zelfregulatie heeft het zelf dus telkens betrekking op andere typen actoren. De normering van internetgedrag kan daarbij diverse vormen aannemen: van het opstellen van ethische gedragscodes (netiquette), het vastleggen van expliciete gedragsregels, het gebruik van filtersoftware om ongewenste of criminele websites te weren, tot aan het verwijderen van ongewenst materiaal van servers waarover men directe controle heeft.

  1. Internationale instellingen
    Diverse internationale instellingen en netwerken spannen zich in om het internet te vrijwaren van praktijken en uitingen die volgens min of meer universele normen niet door de beugel kunnen. Kinderpornografie en racisme zijn hiervan de meest bekende voorbeelden. Organisaties zoals de Unesco en ECPAT (End Child Prostitution, Pornography and Trafficking) zijn hiervan duidelijke voorbeelden. Men kan echter ook denken aan de zelfregulerende activiteiten van het World Wide Web Consortium (W3C) of aan de pogingen van de Verenigde Naties om het internet onder controle te brengen van een centrale organisatie waarin alleen overheden vertegenwoordigd zijn.

    Op de World Summit on the Information Society (WISIS) van de Verenigde Naties werd in november 2005 in Tunis gediscussieerd over de vraag of het administratieve beheer van het internet moest worden overgedragen aan een internationale organisatie. Tot nu toe vervult een Amerikaanse onderneming, de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) een centrale rol als administrator of beheerder van het internet. Landen als China, Brazilië en Iran willen dat de Verenigde Staten het technische beheer van het internet overdraagt aan een internationale organisatie, zoals de VN.

    Het bezwaar daartegen is dat de centrale beheersfuncties van het internet dan overgedragen zouden worden aan een centrale organisatie waarin alleen overheden zijn vertegenwoordigd. “Dat zou in strijd zijn met het hele idee van zelfregulering dat het internet groot en succesvol heeft gemaakt. Het zou gevaarlijk zijn voor de verdere ontwikkeling van het net” [Daniel Karrenberg, NRC 13.11.05]. Bovendien moet er niet te veel betekenis worden gehecht aan het ‘administratieve beheer’ van het internet. “Het woord beheerder is eigenlijk te zwaar. ICANN heeft alleen maar invloed op heel beperkte terreinen van administratie en coördinatie. Het belangrijkste wat ze doet is het bijhouden van de lijst met domeinnamen op het hoogste niveau: .nl vvoor Nederland, .fr voor Frankrijk, .com, .org et cetera. En ze wijst per ‘domein’ een beheerder aan, hier bijvoorbeeld de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), die de .nl adressen uitgeeft” [idem]. Tenslotte is ICANN een organisatie die sterk verankerd is in de internationale internetgemeenschap van technici, bedrijven en gebruikers. Zij is voor iedereen toegankelijk en verricht haar werkzaamheden in alle openheid. ICANN ontleent haar legitimatie dus niet aan haar contract met de Amerikaanse regering, maar door haar verworteling in de globale internetgemeenschap.

  2. Providers
    Een tweede type zelfregulatie is de regelgeving van de internet service providers (ISP's). Providers kunnen zelf besluiten om bepaald materiaal niet op hun servers toe te laten of bepaalde ongewenste praktijken niet op hun servers te dulden. In diverse landen hebben providers afzonderlijk of als groep al besloten om bijvoorbeeld geen kinderpornografie of discriminerende uitingen op hun servers toe te laten en malafide praktijken van crackers (= criminele hackers) te bestrijden. Terwijl sommige providers pornografisch materiaal achter een ‘adult check’ plaatsen, werken anderen mee aan de opbouw van Meldpunten voor kinderporno en/of racisme. Hier en daar worden deze meldpunten uitgebreid tot andere uitings- en vermogensdelicten.

  3. Groepen - Organisaties
    Groepen, organisaties, netwerken of gemeenschappen die databanken of websites op het internet plaatsen kunnen voor zichzelf bepaalde ethische normen of gedragsregels opstellen. De nadruk ligt daarbij meestal op informele sociale controle, dat wil zeggen op ethische regulatie via een organisatie-specifieke netiquette en/of informele regels. In veel organisaties, zoals bij de meeste universiteiten, zijn deze gedragsregels ook daadwerkelijk geformaliseerd (bijvoorbeeld in een non-commercie beding). Een voorbeeld hiervan is de Gedragscode & Disclaimer van Fontys Hogescholen. Een andere manier van zelfregulatie door organisaties is de institutionalisering van gedragsregels in de vorm van filters. Een voorbeeld hiervan is de wijze waarop in Nederland de Evangelisch Omroep (EO) haar leden een ‘veilige’ toegang tot internet wil bieden via FilterNet. Sites met pornografisch, gewelddadig of godlasterend materiaal worden weggefilterd.

    Er zijn ook andere vormen van typen van zelfregulatie denkbaar. Zo kunnen branche-organisaties besluiten om bepaalde gedragsregels op te stellen die gelden voor alle ledenorganisaties die op het internet opereren. Eigenaars van banensites kunnen bijvoorbeeld een branche-organisatie oprichten die spelregels opstelt voor banensites, zoals authenticiteit en betrouwbaarheid van de personeelsadvertenties, openbaarheid over succespercentages, vertrouwelijke omgang met informatie van sollicitanten. Voor online-winkels introduceerde de Nederlandse Consumentenbond het Webtrader logo om bij consumenten vertrouwen te wekken. Opvallend veel van deze winkels kwamen in het nieuws wegens beveiligingsproblemen en privacy-lekken.

  4. Individuen - Huishoudens
    Het laagste niveau van zelfregulatie is unilaterale actie door een individu. “Zelf” is hier dus de individuele gebruiker. Het motto van de persoonlijke zelfregulatie luidt: “Als iets je niet bevalt, kijk er dan niet naar.“ Internetgebruikers zijn 'netizens' (burgers van de internetwereld) die opereren volgens regels van netiquette die zij zichzelf opleggen. In de daarop aansluitende systemen van zelfregulatie wordt op eigen initiatief de toegang tot bepaalde onderdelen van het internet beperkt door het aanbrengen van filters.

    De primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van kinderen die gebruik maken van het internet ligt bij de ouders. De meeste ouders nemen die verantwoordelijkheid door zelf aanwezig te zijn wanneer hun kinderen online gaan. Slechts een klein percentage ouders gebruikt filter-software, producten die beloven dat kinderen geen ongewenst materiaal krijgen te zien. Zelfregulatie van particulieren kan dus door 'zelfcensuur' via filters worden gerealiseerd. Er zijn diverse digitale chaperonnes voor kinderen die elk hun zwakke en sterke kanten hebben. Terwijl sommige filters veel te simplistisch zijn, zijn anderen weer veel te complex om effectief gehanteerd te kunnen worden. In ieder geval lijken technologische middelen zoals filters nooit een adequate vervanging te zijn voor het oplettende oog van ouders. In Regulatie van Cyberporno wordt hierop uitvoeriger ingegaan.

    In bepaalde omstandigheden kan filtersoftware een probaat middel zijn waarmee mensen zichzelf en hun kinderen kunnen vrijwaren van een ongevraagde confrontatie met ongewenst materiaal. Maar sommige organisaties schieten daarin volledig door. In een reclamecampagne van CompuServe worden vrouwen gestimuleerd om het surfgedrag van hun mannen aan 'fatsoenlijke' banden te leggen. Men gaat daarbij zelfs zover dat men het filter aanprijst omdat het sites over 'seks' en 'bloot' blokkeert. Op die manier worden alle sites met goede, educatieve, voorlichtende informatie over seksualiteit en seksueel overdraagbare ziektes in het verdomhoekje gezet. Het lijkt wel of de moraalridders van CompuServe de gelegenheid aangrijpen om ons high-tech snufjes aan te prijzen die ons terugbrengt naar een tijd waarin alles wat met bloot of seks te maken heeft taboe is.

Diverse auteurs hebben de vraag opgeworpen of regulatie van het internet het beste bereikt kan worden door overheidssancties of door een combinatie van zelfregulatie van de industrie en individuele keuze. Soms lijkt het alsof het om een alles of niets kwestie gaat. Er zijn echter goede redenen aan te nemen dat een overheidsregulatie die niet door zelfregulerende maatregelen wordt onderbouwd weinig effectief kan zijn. Omgekeerd lijkt de stelling “dat het internet zichzelf maar moet regelen” [L. van der Meulen, Voorzitter van het Commissariaat voor de Media] tot een even ineffectief resultaat te leiden. Het is alsof een commissaris van de verkeerspolitie zegt dat fietsers maar hun eigen normen moeten vaststellen.

Zelfregulatie van het internet is een ingewikkeld probleem, dat nog eens bemoeilijkt wordt door het inherent transnationale aard van het web, het economisch en sociaal belang van de nieuwe digitale diensten, de diversiteit van culturele normen in dit gebied en de beschikbaarheid van technologische instrumenten die keuzes voor bepaalde inhoud beïnvloeden.

Technologische oplossingen zoals filters stellen bezorgde ouders en andere internetgebruikers in staat om schadelijk of ongewenst materiaal te vermijden, zonder de vrijheid van meningsuiting van internetpublicisten te schenden. Een zelfregulerende oplossing kent twee belangrijke componenten: (a) het gebruik van technologie om keuze door eindgebruikers te vergemakkelijken, en (b) de lokatie van die keuze op een gedecentraliseerd, of lokaal niveau in plaats van op een nationaal of globaal niveau. Zelfregulatie respecteert dus de autonomie van de eindgebruiker.

Index Regulatie van kansspelen

In 1997 werd er aan kansspelen op internet zo'n 2 miljard gulden omgezet en de prognose is dat dit in 2002 meer dan 25 miljard zal zijn. Ondanks alle regulerende onzekerheid is het aantal online casino- en goksites in 2000 verdubbeld. Het aantal internet goksites in 2001 wordt geschat op 1.200 à 1.400 [rapport van Bear Stearns]. Yahoo! geeft een uitgebreide lijst met goksites.

Zowel in de VS als Australië zijn pogingen ondernomen om het netgokken volledig uit te bannen. De Amerikaanse wetsvoorstellen werden voorlopig bij het Congres gestald, terwijl in Australië een eenjarig verbod op netgokken van kracht werd. Er werd zelfs gespeculeerd over het volledig blokkeren van de toegang tot bijna alle online casino's voor Australiërs. De casinobazen waren uiteraard op hun hoede. Als voorzorgsmaatregel verplaatsen zij hun operaties naar gokvriendelijke jurisdicties, zoals Antigua, Barbuda, Costa Rica, Engeland en Zuid-Africa. Ook in Nederland stelde staatssecretaris Cohen voor om alle goksites —behalve de Staatsloterij— te verbieden.

Alle grote 'gaming companies' zijn bezig met het opbouwen van online casino's. Ook Nederlandse kansspelorganisaties willen de wettelijke ruimte hebben om interactieve kansspelen aan te bieden op internet. Om gokken op het internet te legitimeren zijn consistente regulerende standaarden, vergunningen en belastingen nodig.

In december 1998 besloot Staatssecretaris Job Cohen van Justitie de mogelijkheden te bezien om een door de overheid genormeerd aanbod van kansspelen op internet toe te staan. Daarbij moest worden onderzocht of en in hoeverre het mogelijk is om niet-gereguleerd of buitenlands aanbod tegen te gaan. Dit was een reactie op het rapport Interactief-spelen.com, dat op initiatief van het College van Toezicht op de kansspelen en het Nederlands Kanspelplatform tot stand kwam. Voornaamste conclusie hierin was om de bestaande vergunninghouders in staat te stellen een spelaanbod op internet te realiseren.

De regering presenteerde de nota Kansspelen herijkt. Deze nota berust op drie pijlers:

  1. het kanaliseren van de speelzucht ten behoeve van de speler, de integriteit van het spel en het tegengaan van misstanden;
  2. de opbrengsten komen ten goede van de staatskas en 'goede doelen';
  3. het tegengaan van de illegaliteit of het wegvloeien van gelden naar buitenlandse aanbieders.
Daarbij werd het spelaanbod van dat moment bevroren. De vergunningen van de permanente kansspelen zouden niet worden verruimd en productinnovatie moest mogelijk blijven.

Door de explosieve groei van het aanbod op internet wil de staatssecretaris onderzoeken hoe een door de overheid genormeerd aanbod toegestaan kan worden. Het aanbod op internet wordt gekwalificeerd als een productinnovatie. Het onderzoek wordt opgezet in samenwerking met de betrokken vergunningverleners, vergunninghouders van landelijke kansspelen en met de VAN Speelautomaten Brancheorganisatie. Ook toezichthouders en specialisten op het gebied van verslavingszorg en informatie- en telecommunicatietechnologie worden hierbij betrokken. Het kabinet zal hierover besluiten en de Tweede Kamer informeren.

Overig aanbod
De Nederlandse overheid wil illegaliteit tegengaan en tegelijkertijd voorkomen dat gelden wegvloeien naar buitenlandse aanbieders. Zij stuit echter bij de handhaving van deze regels op een aantal problemen: de prioriteitstelling, beschikbare capaciteit en het gebruik van het instrumentarium. Naast deze meer algemene problemen kent internet een grensoverschrijdend karakter en de van Nederland afwijkende regelgeving in andere landen. Dit maakt de handhaving in veel gevallen praktisch onmogelijk. Het overleg met de betrokken ministeries, het openbaar ministerie en de politie werd voortgezet om in kaart te brengen welke delicten in het kader van de Wet op de kansspelen met gebruik van internet gepleegd worden en hoe hier eventueel tegen valt op te treden. De overheid beseft echter ook de grenzen van strafrechtelijk optreden em kijkt daarom ook naar andere mogelijkheden, zoals zelfregulering, bijvoorbeeld in samenwerking met internetproviders.

Toekomst kansspelbeleid
Gokkers hebben nog weinig vertrouwen in de goksites. Zij vinden dat de overheid niet het recht heeft om online kansspelen te verbieden. Zolang de de spelletjes niet volledig vrij zijn, hebben zij geen zin in online gokken. Bovendien zijn zij bang dat hun creditcard nummer bij het gokken wordt ontvreemd. Volgens een NIPO onderzoek in opdracht van het College van toezicht op kansspelen komt deelname aan buitenlandse loterijen via internet nauwelijks voor.
De nota Kansspelen herijkt, waarin het kabinetsbeleid over kansspelen staat verwoord, voorzag al dat technologische en internationale ontwikkelingen een negatieve invloed kunnen krijgen op de effectiviteit van de aangekondigde maatregelen. Ook wordt het gevaar gesignaleerd dat de beperking van het legale aanbod een toename van illegaal aanbod kan betekenen. Beide verwachtingen zijn ondertussen bewaarheid, zo blijkt uit in de nota aangekondigde onderzoeken en rapporten. Er is een interdepartementaal overleg tot stand gebracht dat de huidige problemen in hun onderling verband gaat analyseren en met voorstellen komt voor verbetering van de regulering van kansspelen.

Index Kinderporno

"Vice is part of human existence. You wouldn't dump your kids on the sidewalk of a big city and tell them to fend for themselves, and you shouldn't do that on the Internet, either. The beauty of it is that it lets you communicate with anyone around the world, and the bummer about it is the same thing. A lot of sleazebags are out there." [Bill McCarthy, geciteerd in: Garry Barker, Internet regulation doomed, 16 aug. 2000]

 

Het vervaardigen en verspreiden van kinderpornografie was in Nederland al verboden voordat het internet werd uitgevonden. Dat neemt niet weg dat het internet op diverse manieren gebruikt wordt om deze tekenen van seksueel misbruik van kinderen te verspreiden. Dit wordt uitvoeriger geanalyseerd in Kinderporno in Cyberspace. De meer algemene discussie over de zin en mogelijkheden van regulatie van cyberporno moet niet worden verward met de discussie over de bestrijding van kinderpornografie. Deze tekst richt zich uitsluitend op met formeel-juridische aspecten van de bestrijding van kinderpornografie.

De wet: artikel 240b Wetboek van Strafrecht Op 1 februari 1996 is de wijziging van art. 240b WSr in werking getreden. Volgens de beleidsaanwijzing van het Openbaar Ministerie gebeurt strafrechtelijk optreden bij verdenking van kinderporno vanuit de intentie de jeugdige te beschermen tegen seksueel misbruik. Het is nadrukkelijk “niet de bedoeling derden te behoeden voor kennisneming van seksueel prikkelend beeldmateriaal of om uiting te geven aan bepaalde zedelijke opvattingen” [Aanwijzing Kinderporno].

  1. “Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in voorraad heeft. [De minimumleeftijd voor deelname in pornografie werd in oktober 2022 verhoogd van zestien naar achtien jaar].

  2. Niet strafbaar is degene, die een dergelijke afbeelding in voorraad heeft waarvan vaststaat dat hij deze voor een wetenschappelijk, educatief of therapeutisch doel gebruikt.

  3. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een gewoonte maakt.”
Memorie van Toelichting
Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, opgesteld door de Minister van Justitie E.M.H. Hirsch Ballin.

Nota bij art. 240b [20.02.95]
De Minister W. Sorgdrager stelt vast dat alle fracties het uitgangspunt van het wetsvoorstel onderschrijven: “dat strafrechtelijk optreden tegen kinderpornografie een effectieve bijdrage kan leveren aan de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen.” Zij verduidelijkt haar eigen visie op artikel 240b: “Seksueel misbruik van kinderen en het vastleggen van dat misbruik in beelden vormen een ernstige bedreiging voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van kinderen.” Uit onderzoek naar aanleiding van ‘concrete’ strafzaken was gebleken dat kinderpornografie in omvang en ernst aanzienlijk was toegenomen. De minister is van mening dat het verschijnsel wel bestaat en zeer ernstig is, maar dat er geen sprake is van een aanzienlijke toename.

Mede naar aanleiding van berichten uit het buitenland in 1984 over de rol die Nederland zou spelen bij de produktie van kinderporno, werd in juni 1985 de werkgroep kinderpornografie ingesteld. Zij had als opdracht het inventariseren van bestaande en nog te ontvangen informatie m.b.t. kinderpornografie in Nederland, het opsporen van eventuele binnenlandse distributiekanalen en het doen van onderzoek naar de herkomst en de bestemming van aangetroffen kinderpornografie. In haar onderzoeksverslag van augustus 1986 kwam de werkgroep tot de volgende conclusies:

  1. “Er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan in Nederland van produktie van kinderpornografie in de zin van het seksueel misbruik maken van kinderen met als doel de commerciële vervaardiging van kinderpornografie.
  2. Ten aanzien van zes firma's bestaat het vermoeden dat zij zich in het verleden hebben bezig gehouden met het druktechnisch verzorgen en uitgeven van kinderpornografische werken; de meeste hebben deze activiteiten enkele jaren geleden gestaakt, terwijl een enkele waarschijnlijk pas naar aanleiding van de verhoogde aandacht in 1984 gestopt is.
  3. Kinderpornografie was tot 1984 relatief ruim beschikbaar in Nederland; thans wordt kinderpornografie nog slechts sporadisch aangetroffen in streken waar politie en justitie nog geen blijk hebben gegeven van actief optreden tegen het verschijnsel.
  4. Er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan van een georganiseerd distributiesysteem voor commerciële kinderpornografie, noch binnenlands noch voor export.
  5. Vanuit Nederland is een verhoudingsgewijs aanmerkelijke hoeveelheid kinderpornografie verzonden naar de VS en Duitsland; recente informatie geeft aan dat deze verzending terugloopt.
  6. De in Nederland aangetroffen kinderpornografie bestaat voor het grootste deel uit amateuristisch materiaal, vermoedelijk gemaakt door ontuchtplegers voor privé-bezit, maar van lieverlee toch in het commerciële circuit geraakt.
  7. Het vaststellen van de plaats waar het pornografisch materiaal is opgenomen is slechts zeer incidenteel mogelijk; het in Nederland aangetroffen materiaal maakt het niet mogelijk een bepaalde plaats als min of meer belangrijke plaats van herkomst aan te wijzen.
  8. Voorzover het mogelijk is de plaats van druktechnische verzorging van in Nederland aangetroffen kinderpornografie vast te stellen, blijkt het meeste van Deense en Nederlandse oorsprong te zijn, daterend uit de tijd dat daarvoor in deze landen de juridische ruimte bestond.
  9. De handhaving van artikel 240b Sr. zal (tijdelijk) een relatief geringe extra-belasting van het politieapparaat met zich meebrengen, maar vormt geen structurele extra-belasting van betekenis.
  10. De bevindingen van de werkgroep rechtvaardigen niet het instellen van een omvangrijk nader onderzoek naar het verschijnsel kinderpornografie in Nederland.”

De werkgroep heeft ook aanbevelingen gedaan die uitgangspunten zijn voor een effectieve opsporing en verzameling van bewijsmateriaal. De procureurs-generaal hebben blijkens de Beleidsuitgangspunten inzake kinderpornografie (Stcrt. 1987, 144) deze aanbevelingen overgenomen. De aanbevelingen houden het volgende in:

  1. Politie en justitie dienen een uniforme interpretatie van artikel 240b Sr. te hanteren en deze zo duidelijk mogelijk uit te dragen.
  2. Het opsporings- en vervolgingsbeleid dienen landelijk uniform te zijn.
  3. Verkooppunten van pornografie dienen regelmatig door de politie op aanwezigheid van kinderpornografie gecontroleerd te worden.
  4. Het openlijk aanbieden van of vragen naar kinderpornografie dient als regel tot een opsporingsonderzoek te leiden.
  5. Bij verdenking van commerciële productie van kinderpornografie dient als regel een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd te worden en het doen van huiszoeking in een zo vroeg mogelijk stadium bevorderd te worden.
  6. Indien de politie stuit op een geval van ontucht met kinderen dient zij op de mogelijkheid van (niet-commerciële) kinderpornografie bedacht te zijn en het doen van huiszoeking in een zo vroeg mogelijk stadium te bevorderen.
  7. De CRI dient een archief bij te houden van in Nederland aangetroffen kinderpornografie.
  8. Per korps zal een centrale dienst of persoon het contact met de CRI over kinderpornografie moeten onderhouden.
  9. Periodiek zal de CRI de resultaten van Nederlands onderzoek dienen te vergelijken met de onderzoeksresultaten van de meest daarvoor in aanmerking komende landen.
Het besef dringt door dat intensief en gericht onderzoek wenselijk is om het verschijnsel in kaart te brengen. Daartoe doet een kinderpornoteam van de Sociale Jeugd- en Zedenpolitie van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland sinds medio 1993 structureel onderzoek naar kinderpornografie. Dit onderzoek betreft zowel individuele strafzaken als onderzoek naar productie- en verspreidingsnetwerken. Daarbij fungeert de CRI als centraal orgaan in het onderzoek naar kinderpornografie en de informatie uitwisseling van kinderpornografie. Daartoe is in 1987 een coördinator aangesteld. Sinds 1991 zijn twee politiefunctionarissen bij de CRI belast met de bestrijding van verschillende vormen van zedencriminaliteit. Zij verzorgen onder meer de landelijke coördinatie voor kinderpornografie door de ontwikkelingen op dit terrein bij te houden, door in voorkomende gevallen informatie uit te wisselen, bij voorbeeld als vanuit het buitenland via Interpol om een onderzoek wordt verzocht en door lidmaatschap van een Interpol-werkgroep.

Het onderzoek van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland betreft het grondgebied van de regio. In het onderzoek is uit verschillende bronnen informatie verzameld, daterend vanaf 1 januari 1991. Daaruit komt naar voren dat ook Nederland een rol speelt in de commerciële productie van kinderporno en dat er (nog steeds) sprake is van een relatief grote rol van Nederland in de distributie van kinderpornografie. Daarmee is echter niet gezegd dat Nederland een centrale rol speelt in het verschijnsel kinderpornografie. Veeleer blijkt er sprake te zijn van een wereldwijd netwerk van liefhebbers van kinderpornografie, waarin een levendige ruilhandel plaatsvindt. Uit CID-matige informatie blijkt dat verschillende landen, zowel in Europa, in Noord-Amerika als in de derde wereld bekend staan als producenten van kinderpornografie. Harde feiten ontbreken wat dit betreft, ook omdat aan het inbeslaggenomen materiaal meestal niet is te zien waar en wanneer de primaire productie heeft plaatsgevonden.

Diverse kamerfracties (GroenLinks, D'66) kritiseerden de omschrijving van de term “kinderporno”. Zij waren vooral ongelukkig met de interpretatie van de Hoge Raad [arrest van 6 maart 1990]. Volgens deze interpretatie moet onder afbeelding van een seksuele gedraging ook worden begrepen de afbeelding (van iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, al dan niet alleen) in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling wordt beoogd. Omdat deze interpretatie in strijd is met de wetsgeschiedenis vroegen zij de regering:

  1. De delictsomschrijving zodanig te wijzigen dat daaronder niet valt onschuldig beeldmateriaal (in het bijzonder foto's die enkel naakt laten zien).

  2. Beeldmateriaal bij de vervaardiging waarvan geen jeugdig model heeft gestaan, niet te laten vallen onder het bereik van het artikel.
De minister bevestigde dat Artikel 240b niet ten doel heeft “derden te behoeden tegen kennisneming van seksueel prikkelend beeldmateriaal”.

De “werkgroep kinderpornografie” stelt voor om het begrip seksuele gedraging duidelijker af te bakenen (pp. 20 en 21). Er is een duidelijke normstelling nodig. Een afbeelding van een kind afzonderlijk kan ook een verboden afbeelding zijn: kinderpornografie bestaat voor een groot deel uit dit soort afbeeldingen. Een wettelijke bepaling zou in belangrijke mate haar doel voorbij schieten als dergelijke afbeeldingen buiten beschouwing zouden blijven. Niet elke afbeelding van geheel of gedeeltelijk naakte kinderen kan als kinderpornografisch worden aangemerkt. Dit is pas het geval wanneer daarbij ‘de kennelijke bedoeling van seksuele prikkeling’ voorop staat. Op grond van deze overwegingen kwam de werkgroep tot de volgende omschrijving van kinderpornografie: “een afbeelding van iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, al dan niet alleen in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van een seksuele prikkeling wordt beoogd.” Deze formulering heeft ook in de jurisprudentie ingang gevonden.

De zaak tegen fotograaf Mader
De jurisprudentie over kinderporno concentreert zich rond een aantal zaken waarbij de fotograaf Mader betrokken is geweest. In de beschikking van 6 maart 1990 ging het om de toetsing in cassatie van een beslissing van het hof Amsterdam ten aanzien van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding van Mader, verdacht van overtreding van artikel 240b Sr. Nadat de Hoge Raad het cassatieberoep had verworpen, was de weg vrij voor de behandeling van de strafzaak. Het hof Amsterdam heeft uiteindelijk bij arrest van 30 maart 1992 het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 december 1990 vernietigd en Mader vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het argument was "niet wettig en overtuigend bewezen is dat de wijze van poseren van de jongens op de vermelde foto's een seksuele gedraging vormt als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, ook niet als onder een seksuele gedraging mede zou worden begrepen de afbeelding van iemand - die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt - in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van een seksuele prikkeling wordt beoogd."

De president van de rechtbank Amsterdam deed uitspraak in het kort geding van 14 juni 1994 in de zaak Mader tegen de Staat. Het ging in die zaak om een civiele vordering van Mader. Hij eiste de teruggave van vijf strafrechtelijk in beslag genomen foto's. Deze uitspraak geeft inzicht in de problematiek van het verschijnsel kinderpornografie. De rechtsoverwegingen 5 en 6 van de uitspraak luiden:

    “5. Tot uitgangspunt dient dat beoordeeld moet worden of het hoogst onwaarschijnlijk voorkomt dat Mader zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dat de vordering van de officier van justitie tot verbeurdverklaring van de foto's door de strafrechter zal worden toegewezen, zodat de inbeslagneming dient te worden gehandhaafd en het beklag tegen inbeslagneming ongegrond dient te worden verklaard. Daartoe dient met name te worden beoordeeld of het hoogst onwaarschijnlijk voorkomt dat de strafrechter zal oordelen dat de door de gefotografeerde jongens (die geen van allen de zestienjarige leeftijd hebben bereikt) ingenomen pose(n) door de aard van de afbeelding of door de seksuele prikkeling die daardoor wordt opgeroepen, een zodanig seksueel karakter heeft/hebben dat van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b Wetboek van Strafrecht sprake is. Van foto's die een dergelijke seksuele gedraging van jeugdigen jonger dan 16 jaar behelzen, wordt - zo blijkt uit de wetsgeschiedenis - aangenomen dat ze zijn tot stand gekomen door misbruik van het betreffende kind. In verband met de interpretatie van de genoemde criteria zijn de hiervoor genoemde uitspraken van rechtbank en hof in een eerdere strafzaak tegen Mader een gegeven waarmee in deze zaak rekening zal worden gehouden.
    6. Gelet op deze uitgangspunten wordt vooralsnog hoogst onwaarschijnlijk geoordeeld dat de strafrechter zal oordelen dat de foto's nummer 1 en 2, waarop steeds een jongen in een natuurlijke omgeving in een betrekkelijk natuurlijke pose is afgebeeld, een zodanig seksueel karakter hebben dat van een seksuele gedraging sprake is. Door de Staat is nog aangevoerd dat hiervan steeds sprake is wanneer het afgebeelde orgaan zich in (half) opgerichte toestand bevindt. De toestand van het geslachtsdeel in de betreffende foto's is, ook gelet op de ambiance van de foto's, echter niet zodanig dat hierin per definitie een seksuele gedraging besloten is.
    Van de foto's nummer 3 en 5 kan voorshands evenmin gezegd worden dat zij door de aard van de afbeelding of door de seksuele prikkeling die daardoor wordt opgeroepen, een zodanig seksueel karakter hebben dat deze afbeeldingen door de strafrechter zullen worden beoordeeld als bevattende een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b Wetboek van Strafrecht.
    Over de foto nummer 4 kan ten slotte verschillend worden gedacht. Denkbaar is dat door "the playmate of the month"-pose een seksuele prikkeling wordt opgeroepen. In vergelijking met foto IV uit de vorige strafzaak op grond waarvan het hof Mader heeft vrij gesproken, moet echter voor hoogst onwaarschijnlijk worden gehouden dat door de strafrechter, in afwijking van zijn oordeel ten aanzien van foto IV, deze afbeelding wel zal worden gekwalificeerd als bevattende een seksuele gedraging.
    De foto's dienen dan ook alle aan Mader te worden teruggegeven, zodat het gevorderde zoals omschreven onder 2.a. toewijsbaar is.”
De Staat stelde geen hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het openbaar ministerie zag af van verdere vervolging.

De minister trok hieruit de volgende conclusie: een afbeelding van een houding van een jeugdige die een seksuele prikkel teweeg kan brengen bij een persoon die naar die afbeelding kijkt is nog geen seksuele gedraging in de zin van de wet. “Dat zou er immers toe leiden dat een afbeelding van een bloot kind op zich onder de strafbepaling zou vallen, omdat er personen zijn die vanwege hun geaardheid door een dergelijke afbeelding seksueel opgewonden raken.” Het uitgangspunt bij de toepassing van de strafwet is dat het gaat om een gedraging, die - als ze wordt vastgelegd - schadelijk is voor de jeugdige, òf vanwege de publicatie daarvan. Dat de afbeelding primair wordt vervaardigd en in omloop wordt gebracht met het oogmerk anderen seksueel te prikkelen, is volgens de minister bijzaak. “Het gaat om bescherming van de jeugdige tegen seksuele exploitatie.”

De vraag is echter welke soort gedragingen wel en welke niet onder het bereik van het strafrecht vallen. De minister gaf hiervoor slechts een globale aanduiding door een aantal categorieën te onderscheiden.

  1. Seksuele gedragingen waarbij het minderjarige slachtoffer en ten minste een ander zijn betrokken zijn in de regel strafbaar: seksueel binnendringen van het lichaam, het plegen van ontuchtige handelingen met een ander, het dulden van ontuchtige handelingen van een ander. Strafbaar is dus het verleiden van een jeugdige jonger dan 16 jaren en het plegen van ontuchtige handelingen met een derde. Uiteraard is ook en met name het met geweld of bedreiging met geweld dwingen van het slachtoffer tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Daaronder valt ook het plegen van seksuele handelingen met zichzelf.

  2. Strafbaar zijn ook (afbeeldingen van) seksuele gedragingen waarbij uitsluitend de minderjarige is betrokken. Voorkomen moet worden dat een minderjarige in een situatie wordt gebracht waarin hij of zij zich leent voor het op beeldmateriaal vastleggen van een seksuele gedraging waarbij hij of zij alleen of met een ander (met anderen) is betrokken.

  3. Een grensterrein is het aannemen van een ‘uitdagende houding’. Het aannemen van een uitdagende houding kan onder bepaalde omstandigheden als een seksuele gedraging worden opgevat. “Er zijn houdingen uit de afbeelding waarvan kan worden afgeleid dat het brengen van een kind in die houding schadelijk moet worden geacht. Er zijn ook houdingen waaraan een zeker uitdagend karakter niet kan worden ontzegd, maar die niettemin, mede gelet op de wijze waarop zij zijn afgebeeld, een onschuldig karakter dragen.’ De grens tussen ‘schadelijk’ en ‘onschuldig’ is echter niet altijd even eenduidig te trekken.

  4. Afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk ontblote kinderen zijn meestal geen afbeelding van een seksuele gedraging, ook al kan zo'n afbeelding op sommige liefhebbers van dit soort afbeeldingen een seksueel prikkelende uitwerking hebben. “Er kunnen evenwel zodanige bijkomende - onnatuurlijke - ingrediënten zijn vastgelegd, dat het brengen van de jeugdige in die onnatuurlijke - ambiance een seksuele connotatie krijgt die als schadelijk voor het kind moet worden aangemerkt.”

  5. Tenslotte is er beeldmateriaal bij de vervaardiging waarvan niet een echt kind betrokken is geweest, maar waarin een werkelijke seksuele gedraging wordt nagebootst. Omdat daarbij geen reëel persoon is betrokken, zal volgens de minister achtervolging achterwege moeten blijven. Door de moderne computertechnieken is het mogelijk afbeeldingen te vervaardigen die gedragingen weergeven die niet of nauwelijks van echt zijn te onderscheiden. “Waar in een dergelijk geval uit de afbeelding zelf niet valt op te maken dat het afgebeelde niet in de werkelijkheid heeft plaatsgehad, zullen gegevens waaruit kan blijken dat zulks het geval was, uit het verhoor van de verdachte en eventueel daarop gebaseerd nader onderzoek naar voren moeten komen.” Artikel 240b stelt een aantal handelingen ten aanzien van een afbeelding van een seksuele gedraging strafbaar, wanneer daarbij een kind is betrokken.
Van kinderpornografie is sprake wanneer het gaat om een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een kind is betrokken. Dit betekent echter niet dat iedere afbeelding van een seksuele gedraging als kinderporno kan worden aangemerkt. Het gaat om het specifieke karakter van de afbeelding en de context waarin deze is geplaatst. Dat zo'n afbeelding een seksuele prikkeling teweeg kan brengen is niet relevant. Relevant is of de afbeelding, afgezien van haar eventuele seksueel prikkelende karakter, het aanwijsbare gevolg is van seksuele exploitatie van een minderjarige.

Wanneer in een wetenschappelijk of opvoedkundig boek over jeugdseksualiteit afbeeldingen zijn opgenomen van een seksuele gedraging waarbij een minderjarige is betrokken, dan is dit volgens het Nederlands strafrecht geen kinderpornografie. De aard van de illustratie en de context waarin deze is geplaatst vallen niet onder het bereik van artikel 240b. Hetzelfde geldt een wetenschappelijke verhandeling over kinderpornografie waarin kinderpornografisch beeldmateriaal is opgenomen. Een dergelijke publicatie is niet strafbaar omdat zo’n publicatie indirect kan bijdragen aan de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen.

Bescherming van kinderen op internet is om meerdere redenen noodzakelijk. Uit onderzoek is herhaaldelijk gebleken dat kinderen die het internet gebruiken niet alleen ongevraagd worden blootgesteld aan pornografie, maar dat zij ook regelmatig seksueel worden benaderd (in veel gevallen door andere adolescenten en teenagers, maar ook door volwassenen en pedofielen). Dit wordt uitvoeriger geanalyseerd in het opstel over Kinderpornografie. Wat daartegen te doen wordt uitvoerig besproken in het opstel over de Regulatie van CyberPorno.

Index Bestrijding van haat en discriminatie
 

"Een van de zaken die nog onvoldoende geregeld zijn, is de bestrijding van racisme op Internet. Racistische uitingen vinden er nog betrekkelijk ongehinderd hun weg. Racisten uit alle delen van de wereld chatten en wisselen informatie uit. Neonazi's verheerlijken de Holocaust. Zonder moeite vind je handelaren die CD's vol songs met discriminerende teksten te koop aanbieden. Op Internet verschijnt materiaal dat, als het in de winkel had gelegen, in veel landen onmiddellijk in beslag zou worden genomen. Ik denk dat we dat materiaal ook op Internet niet vrijelijk moeten laten circuleren.
Sommigen zien in een verbod op dit soort uitingen een ongeoorloofde inperking van de vrijheid van meningsuiting. Ik vind dat iedereen het recht moet hebben om Internet te gebruiken zonder zich bedreigd te voelen" [Minister Van Boxtel: Cyberracisme, 13 oktober 2000].
Internet is een fantastisch medium om mensen met elkaar in contact te brengen, om hen met elkaar te laten communiceren, om van elkaar te leren en elkaar meer te respecteren. Zoals bij alle nieuwe media hopen of verwachten de optimisten dat deze mogelijkheden ook daadwerkelijk worden benut. De internetwereld (‘cyberica’) is echter ook en in toenemende mate een afspiegeling van een door exploitatieve, onderdrukkende en discriminerende splitsingslijnen verscheurde samenleving. Cyberica is daarom ook steeds meer eigenschappen gaan vertonen die voor mensen met een democratische ethiek een gruwel en ergernis zijn. De internetwereld biedt immers ook een uitstekende megafoon voor individuen en organisaties die geloven dat alle maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost door de eliminatie of uitstoting van bepaalde groepen ‘vreemdelingen’ of ‘buitenstaanders’. Via internet is veel informatie te vinden over achtergronden en activiteiten van deze haatgroepen. In Hate Groups & Anti-Semitism zijn de belangrijkste informatiebronnen bijeengebracht.

Zelfs de meest extreme en minuscule haatgroepen hebben inmiddels ontdekt dat het internet een uiterst krachtig medium is om hun haatdragende boodschap en destructieve actieprogramma uit te dragen. De technologische middelen om informatie uit te wisselen en om met elkaar te communiceren worden ook gebruikt door mensen en organisaties die zichzelf normatief en/of politiek niet gehouden weten door enige humanitaire of democratische moraal.

Op het internet verschijnt veel racistisch materiaal dat, als het in de winkel had gelegen, in veel landen onmiddellijk in beslag zou worden genomen. Aan het begin van de nieuwe eeuw bestonden er al minstens 3000 haat-propagerende websites [Simon Wiesenthal Center]. Wie de moeite neemt om een paar honderd van deze haat-sites te bezoeken zal — zeker vanuit ‘Nederlands’ perspectief — grote moeite hebben om zijn gevoel van walging te verwerken, of om zich een voorstelling te maken van het ongemeen kwaadaardige en gewelddadige karakter van die sites. Wie niet in ‘hulpeloos anti-facisme’ [W.F. Haug] wil blijven steken, zal een weg moeten zoeken om deze emotionele walging en morele verwerpelijkheid om te zetten in een effectieve politieke handelingsstrategie.

Discriminatie op internet is niet minder schadelijk dan discriminatie elders. Racisme en alle andere vormen van discriminatie dienen ook op het internet strafbaar te worden gesteld en pro-actief bestreden te worden. Vanuit Nederlands perspectief is dat geen opmerkelijke stellingname, omdat deze norm in de Nederlandse constitutie is vastgelegd. Om deze norm te universaliseren moet de wetgeving internationaal worden aangescherpt. In de Raad van Europa wordt gewerkt aan een verdrag over computercriminaliteit (‘Crime in Cyberspace’). Daarbij wordt wel expliciet gesproken over verspreiding van kinderporno op internet, maar niet over discriminerende uitingsdelicten.

Gelukkig biedt het internet eveneens goede mogelijkheden om discriminerende haatgroepen te bestrijden. Zo zijn er op nationaal en internationaal niveau diverse initiatieven genomen om haatsites in kaart te brengen, te analyseren en te bestrijden met gebruikmaking van de mogelijkheden van het internet. Een voorbeeld daarvan op Europese schaal is I Care [Internet Centre Anti Racism Europe]. Het staat voor actief verzet tegen discriminatie en intolerantie op welke grond dan ook. Zij organiseert een wereldconferentie tegen racisme, raciale discriminatie, xenofobie en gerelateerde intolerantie [Durban, Zuid-Africa, 31 aug - 7 sept 2001].

Index Europese Regelgeving

"De informationele infrastructuur is een cruciaal onderdeel geworden van de ruggengraat van onze economieën. Gebruikers zouden moeten kunnen vertrouwen op de beschikbaarheid van informatiediensten en zij moeten erop kunnen vertrouwen hun communicaties en gegevens veilig zijn voor onbevoegde toegang of verandering. De opkomst van elektronische commercie en de volledige doorvoering van de informatiesamenleving is daarvan afhankelijk.
    De nieuwe digitale en draadloze technologieën dringen overal in door. Zij geven ons de vrijheid om mobiel te zijn en toch altijd met elkaar verbonden, onderling verbonden in een web van diensten die gebouwd zijn op netwerken van netwerken. Zij geven ons de mogelijkheid om te participeren, te doceren en te leren, samen te spelen en samen te werken, betrokken te worden in het politieke proces. Naarmate samenlevingen in toenemende mate afhankelijk worden van deze technologieën, moeten er effectieve praktische en juridische middelen gebruikt worden om te helpen de daarmee verbonden risico's te beheren.
    Informatie Samenlevingstechnologieën (IST's) kunnen en worden gebruikt voor het opzetten en vergemakkelijken van criminele activiteiten. In de handen van gewetenloze, kwaadwillende of zware nalatigheid kunnen deze technologieën instrumenten worden voor activiteiten die het leven, eigendom of waardigheid van individuen in gevaar brengen of beschadigen, of die het publieke belang schaden"
[Commission of the European Communities, Cybercrime & Cybersecurity Communication]

Ook op Europees niveau maken mensen zich zorgen over de toegankelijkheid van potentieel schadelijk materiaal op het internet. Samen met nationale regeringen en vertegenwoordigers van de industrie heeft de Europese Commissie uitgebreide voorstellen gedaan voor de regulatie van het internet. Om dit beleid in praktische aktie om te zetten is de 'Working Party on Illegal and Harmful Content' opgericht.

De Raad van Europa publiceerde in 2001 het eerste verdrag dat cybercriminaliteit moet tegengaan: Convention on Cybercrime. Het verdrag verplicht ondertekenende landen tot het aanpassen van de wetgeving aan de privacybepalingen van de Raad van Europa. Deze bepalingen geven onder andere ruimere bevoegdheden aan politiediensten om inbreuk te plegen op privacyrechten als het gaat om het opsporen van criminaliteit. Daarnaast worden providers verplicht gegevens te bewaren die van belang kunnen zijn bij het oplossen van misdaden.

INCORE (Internet Content Rating for Europe) is opgericht door een groep Europese organisaties met een gemeenschappelijk belang in industriële zelfregulatie en waardering van internet-inhoud. Zij concentreert zich op het scheppen van een waarderings- en filtersysteem dat beantwoord aan de behoeften van Europese gebruikers. INCORE wil nagaan hoe toegang door gebruikers zelf gecontroleerd kan worden zodat zij de uiteindelijke beslissing krijgen over wat er wordt gezien en wat niet. Zij propageert dus zelfregulatie van het internet.

Index Gevechten om de digitale Chinese muur

Ambivalenties
De digitale revolutie begint zich ook thuis te voelen in China. Medio 2000 waren al bijna 17 miljoen Chinese burgers online. Twee jaar later was dit aantal gestegen tot bijna 46 miljoen. Begin 2005 waren er meer dan 80 miljoen Chinese internetters. In juni 2009 telde het aantal netizens in China bijna 300 miljoen en is daarmee uitgegroeid tot de grootste online populatie ter wereld. Om het verdere groeipotentieel in te schatten: jaarlijks groeit de internetpopulatie in China met 41,9 %. Eind 2008 was de internet penetratiegraad iets meer dan 22,6% en kwam daarmee voor het eerst boven de gemiddelde penetratiegraad wereldwijd. Eind 2012 telde China 584 miljoen internetinternetgebruikers waarvan 420 miljoen met een mobiele connectie. Meer dan 90 % van de Chinese internetters beschikt over een breedbandverbinding [CNNIC = China Internet Network Information Center]. De verwachting is dat de internetpopulatie in 2013 zal groeien tot meer 700 miljoen.

De politieke leiders van China staan ambivalent ten opzicht van het internet: zij verwelkomen de economische voordelen van e-commerce, maar zij vrezen de politieke consequenties van een open informatie-economie. Zij maken zich met name zorgen over mensen die het internet gebruiken om onafhankelijke politieke opvattingen te ventileren.

De officiële stem van de partij in cyberspace concentreert zich op de bulletin boards van de site van People’s Daily. Deze pagina's worden regelmatig gevuld met scherpe kritiek op de regering, die vervolgens haastig door de staf worden verwijderd. Veel mensen maken gebruik van proxy servers* en andere strategieën om toegang te krijgen tot bepaalde Chinese of buitenlandse websites. De regering probeert deze toegangswegen te blokkeren. Soms speelt internet een rol in kleinschalige protesten.


Toezicht op internetgebruik
Sinds het internet in 1995 in China werd toegelaten werden alle diensten gekanaliseerd via servers van de overheid. De beheerders van deze servers blokkeren de toegang tot Westerse nieuwssites, Chinese dissidenten sites, Taiwanese kranten en ander ‘bezwaarlijk’ materiaal. Er werd een machtig Ministerie van Informatie-industrie opgericht om de Chinese toegang tot internet te reguleren (censureren). Het Ministerie van Staatsveiligheid is verantwoordelijk voor het toezicht op lokaal gebruik van internet.

Toch is ondanks deze bureaucratie, of misschien wel dank zij, overheidsregulatie van het internet sporadisch en ongeorganiseerd geweest. Veel buitenlands nieuws wordt geblokkeerd, maar lang niet alles. Niet alle sites van dissidenten en oppositionele organisaties zijn geblokkeerd.

In diverse provincies zijn speciale politie-eenheden opgericht om toezicht te houden op internetmisdaden: aan banden leggen van pornografie en ‘ordehandhaving’ op het internet. Het strafrecht is zodanig aangepast dat subversieve online activiteiten vervolgd kunnen worden. De wetten op de staatsveiligheid en geheimhouding maken het de autoriteiten mogelijk om mensen op te sluiten voor een breed scala van internet-gerelateerde overtredingen.

Index


The Great Firewall
Na jarenlange debatten presenteerde de regering in oktober en november 2000 twee series regulaties met specifieke regels voor eigendom, inhoud en andere aspecten van internetgebruik.

De eerste serie regels beperkt directe buitenlandse investering in internetbedrijven en vereist dat bedrijven zich melden bij het Ministerie van Informatie-Industrie met het verzoek tot toestemming voordat zij aandelen uitbrengen of een overeenkomst tekenen met een buitenlandse investeerder. Artikel 15 van de Measures for Managing Internet Information Services [ Beijing, 1.10.2000] verbiedt de verspreiding van informatie die de eenwording van het land schade doen, de nationale veiligheid in gevaar brengen, of subversief zijn ten opzichte van de overheid. Ook het propageren van ‘kwaadaardige sektes’ is verboden, evenals het verspreiden van materiaal dat de sociale orde verstoort of de sociale stabiliteit ondergraaft. Andere artikelen verbieden de verspreiding van pornografie of obsceen materiaal, samen met alles dat “de eer en de belangen van de staat” schade toebrengt.

De regelgeving geldt ook voor babbelboxen, die in het verleden nogal eens gebruikt werden om anoniem te discussiëren over democratie en de tekortkomingen van de heersende elite. Door de nieuwe regels zijn alle providers gedwongen om de inhoud van de babbelboxen te monitoren en controversiële thema's te beperken. Deze regels worden echter routinematig genegeerd.

De Great Firewall die om China is heengelegd, is de eerste verdedigingslinie van de overheid tegen ongewenste opinies of documenten die via internet verspreid worden. Deze verdedigingslinie wordt doorbroken met behulp van proxy servers* die buiten de Chinese brandwering worden opgesteld. Chinese gebruikers loggen in op de proxyserver welke op haar beurt in de geblokkeerde site inlogt. Hierdoor wordt de software waarmee de overheid sites blokkeert om de tuin geleid.

De nieuwe regels maken van internetdiensten en providers de facto overheidsspionnen. Artikel 14 vereist van alle ISP’s dat zij vastleggen wie op welk tijdstip, via welke telefoon, welke websites heeft bezocht. Internet content providers moeten logboeken bijhouden van alle informatie die op hun sites wordt geplaatst. Zowel ISP’s als content providers moeten deze informatie 60 dagen bewaren en op verzoek overhandigen aan de relevante autoriteiten.

Het CJP [Committee to Protect Journalists] is van mening dat China met internet in ieder geval een vrijere plaats is dan China zonder internet. Het is voor de eerste keer dat er in het hele land ‘onofficieel’ nieuws circuleert. Hierdoor hebben miljoenen mensen toegang tot informatie en ideeën die een generatie geleden ondenkbaar was. De nieuwe internetregulaties herinneren de Chinese burgers eraan dat de commissarissen bereid zijn om de deur voor onafhankelijke meningsuiting dicht te slaan.

De Chinese overheid heeft vanaf het begin geprobeerd controle te krijgen over de inhoud van het internet die haar burgers kunnen ontvangen. Maar zij wil ook meeprofiteren van het geld dat via het internet verdiend kan worden. Zonder toestemming vooraf mag geen organisatie of individu diensten aanbieden voor of optreden als een vertegenwoordiger voor domeinnaam registratie in de Chinese taal.
In China was het altijd al verboden om een onafhankelijke nieuwsorganisatie op te zetten. Toch zijn er een aantal populaire sites die gedragen worden door informele netwerken van verslaggevers en commentatoren. Zij verzorgen een onafhankelijke nieuwsgaring en verspreiden frisse ideeën over actuele gebeurtenissen. In een poging om deze trend te keren vereisen de nieuwe internetregulaties dat alle Chinese portaalsites het overheidsnieuws verspreiden en speciale toestemming moeten vragen voordat zij nieuws plaatsen uit buitenlandse media. Onder de nieuwe regels zijn alleen staatsmedia bevoegd om nieuwe sites op te zetten, en alleen met toestemming van de State Council Information Office (een instelling op kabinetsniveau dat verbonden is aan het Propaganda Ministerie van de communistische partij). Het Information Office behandelt inhoudelijk kwesties, terwijl het Ministerie van Informatie-industrie kijkt naar thema’s als dienstverlening en toegang.

Tiananmen plein - Cartoon Om problemen te voorkomen sluiten Chinese websites soms hun babbelboxen voorafgaande aan gevoelige data, zoals de Tiananmen herdenking. In september 2000 kondigden de autoriteiten in Shanghai aan dat zij de 1000 cybercafés in de stad zouden sluiten. Zij beschuldigden de cybercafés ervan dat zij de plaatselijke jeugd corrumpeerde door hun toegang te bieden tot ‘primitief’ (pornografisch en subversief) materiaal.


Index


Zeven hoofdzonden
Op 8 augustus 2001 kondigde de Chinese regering een nieuwe reeks restrictieve maatregelen aan: publicaties kunnen worden verboden wanneer zij een van de zeven verboden onderwerpen behandelen. Elke vorm van kritiek op overheidsbeleid wordt hierdoor verboden (‘schadelijk voor het nationaal belang‘). Het Ministerie van Staatspers en Publicaties vatte haar beleid samen in de “zeven nee’s”:
  1. Het negeren van de leidende rol van het Marxisme, de gedachten van Mao Tse-Tung, of de theorie van Deng Xiaoping.
  2. Het opponeren tegen de leidinggevende principes, de officiële lijn of de politieke maatregelen van de Communistische Partij.
  3. Het onthullen van staatsgeheimen, het aantasten van de nationale veiligheid of het schenden van nationale belangen.
  4. Het opponeren tegen officieel beleid ten aanzien van nationale minderheden en religie, of het schaden van de nationale eenheid en het in gevaar brengen van sociale stabiliteit.
  5. Het propageren van moord, geweld, obsceniteit, bijgeloof of pseudo-wetenschap.
  6. Het verspreiden van geruchten of vervalst nieuws, of het interfereren in het werk van de partij en de regering.
  7. Het schenden van de partijpropaganda discipline of van nationale regels met betrekking tot publicatie en reclame.
Deze extreme beperking van de vrijheid van meningsuiting gaat gepaard met een verzwaring van de straffen voor het schenden van deze verboden. Aanvankelijk kregen redacteuren van kranten en internetsites die onwelgevallige publicaties verspreiden eerst nog een waarschuwing voordat zij werden ontslagen. Pas na herhaalde waarschuwingen werd vervolgens de krant of internetsite gesloten. In het aangescherpte censuurbeleid kan onmiddellijk worden overgegaan tot sluiting van het medium waarmee de censuur wordt overtreden [CPJ, 25.6.01].


The Great Firewall of China
De Chinese regelgevers hebben aanvankelijk nog overwogen om een apart intranet op te bouwen dat door ‘A Great Firewall’ gescheiden werd van het internet. In 1997 verklaarden vertegenwoordigers van het Ministerie van Telecommunicatie dat zij bezig waren een multimedia backbone intranet te maken als vervanging van het internet in China. In 1998 begon het Golden Shield Project. Het eerste deel van dit project werd in november 2006 nog in Beijing aangenomen. Maar ondanks de grote investeringen (€ 640 miljoen) kwam het project niet van de grond, gedeeltelijk omdat concurrerende overheidsafdelingen begonnen waren om op eigen kracht internet op te bouwen. Sommige autoriteiten dromen nog steeds van een louter Chinees informatienetwerk dat volledig is afgesloten van de gevaarlijke verleidingen van het bredere wereldwijde web.

Onder de huidige voorwaarden van de Chinese samenleving zou ‘ongecontroleerde persvrijheid’ betekenen dat mensen vrij van overheidsbetutteling zijn om hun opvattingen en doelstellingen zonder angst te articuleren. Onder kapitalistische voorwaarden betekent ‘ongecontroleerde persvrijheid’ dat individuen en groepen niet meer in staat zijn om hun opvattingen, belangen en verlangens te articuleren omdat kapitaalkrachtige groepen de macht hebben om dissidente opvattingen te marginaliseren of te elimineren.

Al met al is in China de repressie op het internet uitgebreider en verfijnder dan waar dan ook. De Chinese autoriteiten blokkeren niet alleen websites die hen niet bevallen, maar zij monitoren ook het internetgebruik van individuele burgers. China heeft, zo banadrukt Amnesty International keer op keer, het grootste aantal gevangen gezette journalisten en cyberdissidenten ter wereld. Daar staat tegenover dat China niet alleen de grootste en snelst groeiende internetpopulatie ter wereld heeft, maar ook een toenemend aantal dissidenten die naar creatieve oplossingen blijven zoeken om vrije toegang te krijgen tot cyberspace als geheel.

Index


Ideologische Internetoorlog
De Chinese autoriteiten blokkeren een hele serie websites, zoals die van de Washington Post, Voice of America, Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties. Op de zwarte lijst staan verder de dissidente, religieuze beweging Falun Gong. Alle websites die de Chinese autoriteiten niet bevallen worden zonder pardon gesloten of geblokkeerd. Door veel Chinezen werd het ontduiken van deze censuur tot grote kunst verheven. De kunst bestaat hierin dat men een manier moet vinden toegang te krijgen tot kritische buitenlandse websites zonder dat de Chinese autoriteiten hiervan weet hebben. Men moet dus ongemerkt door de Chinese internetblokkades heenbreken.

Chinese internetgebruikers hebben hiervoor inmiddels een groot aantal technieken en trucs ontwikkeld. Zij worden daarbij niet alleen gesteund door buitenlandse softwarebedrijven maar ook door de Amerikaanse overheid. De Amerikaanse overheid stak medio 2001 geld in een computernetwerk dat de Chinezen in staat moest stellen om kritische websites te bezoeken zonder dat de Chinese autoriteiten het in de gaten hebben. Zij huurden hiervoor het internetbedrijf SafeWeb in. SafeWeb beheert gastcomputers die verhullen welke websites worden opgevraagd.

De Chinese autoriteiten vochten uiteraard terug: de Safeweb-servers werden zelf geblokkeerd. De Amerikaanse regering wilde daar iets tegen ondernemen door de computers van SafeWeb minder kwetsbaar te maken voor Chinese blokkkades. Een van de mogelijkheden hiervoor was deSafeweb-servers om de paar uur van internetadres te laten wisselen, waardoor het moeilijker wordt om de ‘vijandige servers’ op te sporen. SafeWeb werd in oktober 2003 overgenomen door Symantec Corp., de bekendste speler op de markt van internetveiligheid.

SafeWeb verspreidde sinds maart 2001 het programma Triangle Boy. Dit programma werkt als een schild voor Chinese burgers die toegang willen tot geblokkeerde internetsites. Deze p2p-technologie probeert de regering in de luren te leggen door het signaal buiten de firewall van de regering te zenden naar een onschuldige site, die vervolgens dat signaal naar de ‘verbannen’ site kaatst en terug naar de eigen computer. Het programma werkt als een intermediair die alle gegevens die verstuurd worden tussen de computer van een gebruiker en de bezochte websites versleutelt. De broncode van het programma is openbaar, zodat iedereen kan verifiëren dat de applicatie precies doet wat haar ontwerpers beweren. Het programma kan direct worden opgehaald van de SafeWeb site.

Het probleem voor Chinezen die zich niet door hun regering willen laten ringeloren bij hun informatievoorziening is hoe zij de hand kunnen leggen op de ‘Triangle Boy’. De toegang tot de website van SafeWeb is immers inmiddels door de Chinese autoriteiten geblokkeerd. Zij staan daarin overigens niet alleen. Ook in Saudi Arabië, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten werd de toegang tot deze site geblokkeerd. En in het kielzog daarvan deden ook een aantal grote financiële instellingen, scholen, bibliotheken en overheidsinstellingen in Westerse landen de site van SafeWeb in de ban.

Op last van de Chinese autoriteiten werden in de eerste maanden van 2004 zo’n 8.600 internetcafés gesloten waarvoor geen vergunning was afgegeven. Volgens de Chinese autoriteiten ging het daarbij in veel gevallen om cafés die in strijd met de wet jongeren toelieten. In China is het verboden om internetcafés uit te baten binnen een straal van tweehonderd meter van scholen. De paternalistische gedachte daarachter is dat leerlingen via internet in aanraking zouden kunnen komen met pornografie of verslaafd kunnen raken aan videospelletjes. Volgens de Chinese autoriteiten brengen internetcafés grote schade toe aan de geestelijke gezondheid van tieners en wordt het onderwijs hierdoor ondermijnd.

Index


De groene dam
Green Dam Girl (klik om te vergroten) Green Dam Girl
In het verzet tegen de nieuwe filtersoftware bracht de oppositie de Green Dam Girl tot leven. In deze cartoon draagt het meisje een konijn (de mascotte van de Groene Dam software), draagt ze een button met een riviercrab (een verwijzing naar de Chinese internetcensuur) en houdt zij een emmer met verf vast om online vuiligheid uit te wissen.
In 2009 kondigde de regering een nieuwe wet aan die fabrikanten verplichten het softwarepakket Groene Dam te installeren op alle computers die vanaf 1 juli in China worden verkocht. Door middel van de in China zelf geproduceerde Groene Dam probeert de overheid de digitale censuur aan te scherpen. Volgens de Chinese overheid zou het programma alleen maar pornografische en gewelddadige websites censureren om kinderen te beschermen (de officiële naam van het filterprogramma is ‘Groene Dam Jeugdbegeleiding’). Het officiële doel van de Groene Dam is het bouwen van een gezonde en hamonieuze online omgeving die de hersens van de jeugd niet vergiftigen. Maar het webfilter blokkeert veel meer dan porno. Bij het intoetsen van bepaalde politieke termen krijgt men een pop-up te zien met de boodschap ‘schadelijke informatie’ en sluit de browser vervolgens gedwongen af. Bovendien houdt de software op de computer een logbestand bij over de gedragingen van de gebruiker. Tensloltte waarschuwden begveiligingsdeskundigen dat de gebruikte software erg kwetsbaar was; cybercriminelen zouden de lekken in het filter kunnen gebruiken om de controle over de pc over te nemen.

De maatregel stuitte op veel kritiek: het bedrijf dat Groene Dam had ontworpen ontving honderden bedreigingen en de Chinese kunstenaar Ai Weiwei riep op 1 juli niet online te gaan om een signaal af te geven. Maar ook Amerikaanse diplomaten en ondernemers, en de EU spraken hun afkeuring uit over het plan omdat het in strijd zou zijn met internationale handelsafspraken. Op de dag dat het filterprogramma verplicht gesteld zou worden, werd bekend dat het plan werd uitgesteld. De voorgenomen protesten en bijeenkomsten kregen door dit uitstel plotseling een feestelijk karakter. “Dit geeft internetgebruikers moed. Ze hebben meer vertrouwen gekregen en zijn meer met elkaar verbonden geraakt door hun strijd tegen Groene Dam”, verklaarde de activist Chen Yongmiao [Trouw, 1.7.09].

Index


Verboden geruchten
Chinese internetgebruikers wetem dat zij nauwkeurig door de overheid in de gaten worden gehouden. Bloggers, twitteraars en facebookers die volges de overheid ‘geruchten’ verspreiden kunnen vanaf september 2013 gemakkelijk drie jaar gevangenisstraf krijgen als dit gerucht vijfduizend keer is aangeklikt of vijfhonderd maal wordt doorgezonden. Die gevangenisstraf kan veel langer worden als deze ‘geruchten’ uitlopen op grootschalige incidenten: chaos, ethnische of religieuze conflicten, of het beschadigen van “het nationale imago” [TechInAsia, 10.9.13].

Het hoogste gerechtshof in China motiveerde haar draconische maatregel als volgt: “Mensen zijn beschadigd en er is een sterke maatschappelijke reactie. Het volk eist zware wettelijke straffen voor criminele activiteiten als het gebruik van internet om roddels te verspreiden en mensen te belasteren. In geen land wordt het in diskrediet brengen van individuen beschouwd als vrijheid van meningsuiting” [Volkskrant, 11.9.13]. De grondgedachte achter deze dwangbuis voor onlune geruchten is volgens Xinhuanet dat er via het internet veel laster, smaad en blackmail wordt verspreid. De nieuwe regels zouden er alleen maar op gericht zijn om “een gezonde ontwikkeling van het internet” te garanderen. De woordvoerder van het hooggerechtshof, Sun Jungong, benadrukte dat internetgebruikers nog steeds worden aangemoedigd om corruptie en andere wetsschendingen aan de kaak te stellen.

Alternatieve routes
Door de rigide internetcensuur op microbloggen zetten veel Chinesen hun ‘gevoelige inhoud’ op niet op Weibo maar op Twitter. Hoewel Twitter al sinds 2009 in China geblokkeerd is maakt men gebruik van een proxy om toch toegang te krijgen tot de site van Twitter.
Op de Chinese twittersite Weibo met meer dan 300 miljoen leden brak een stortvloed van kritiek uit over deze nieuwe juridische maatregel die er volgens velen alleen maar op gericht is om de overheid nog meer repressieve macht te geven in de strijd om de sociale media te controleren. De regeringscampagne tegen internetgeruchten heeft al geleid tot honderden arrestaties [Global Voices Advocacy, 5.9.13].

Dat is volledig in de lijn met de toespraak die de Chinese president Xi Jinping op 19 augustus hield tijdens een bijeenkomst met chefs van de partijpropaganda. Daar verklaarde hij dat ideologische controle de hoogste prioriteit is van de Communistische partij. Hij gaf de propagandamachine van de partij opdracht om “een sterk internetleger” op te bouwen om “de grond van de nieuwe media te bezetten”. De CCP moet een actieve strijd voeren om de publieke opinie voor zich te winnen.

Index Regulatie in Zweden

Op 24 oktober 1998 werd in Zweden een nieuwe wet op persoonsgegevens aangenomen die gebaseerd is op EU wetgeving. De wet [PUL] stelt het strafbaar om namen publiek te maken op het net, zonder dat de genoemde personen daarmee nadrukkelijk instemmen. Daarmee wordt de vrijheid van meningsuiting bedreigd. Zo’n wet maakt het bijvoorbeeld illegaal om mensen te kritiseren op die in het openbare leven een belangrijke rol spelen of die op homepagina’s hun opinies verkondigen. De straf voor deze overtreding kan oplopen tot 2 jaar cel.

De wet maakt weliswaar een uitzondering voor ‘journalistieke’ maar niet voor informatie-doeleinden. De wet was gebaseerd op de EU richtlijn over persoonsgegevens. In tegenstelling tot andere EU-lidstaten wordt in Zweden echter een erg strikte interpretatie van deze richtlijn gehanteerd.

In de site van PUL wordt de wet uitvoerig geanalyseerd, inclusief de gevolgen voor de vrijheid van meningsuiting op het internet. De site geeft voorbeelden van de manier waarop Zweedse gemeenschappen door de wetgeving worden beïnvloed. De gemeenschap van Gallivare in het arctische deel van Zweden heeft een lang gevecht gevoerd met de Zweedse data-inspectie over het recht om protocollen van gemeenteraadsvergaderingen op het net te publiceren. De protocollen bevatte immers namen van mensen. Het Gallivare experiment in lokale democratie werd als illegaal bestempeld. Meer informatie is te vinden in het verslag Christoph Andersson: The Gallivare case and the fight about names on the internet en in zijn opstel: Schweden schränkt bewährte Freiheitsrechte ein.

Index Australië: censuur met beroep op kinderbescherming

In mei 1999 kondigde nam de Australische regering een nieuwe wet aan die toegang tot “aanstootgevende” websites en nieuwsgroepen verbood. Providers die weigeren om bepaalde sites te blokkeren riskeren een boete van meer dan tienduizend dollar per dag, opgelegd door de Australian Broadcasting Authority. Deze officiële censuurinstelling ontvangst extra geld om de wet te handhaven en het internet te reguleren. De Australische regering verklaarde dat de internetwet vooral bedoeld is om kinderen te beschermen tegen schadelijk materiaal op het internet. De wet maakt het mogelijk providers te verplichten filterprogramma’s te gebruiken die websites en nieuwsgroepen blokkeren op grond van trefwoorden [NRC 31.5.99].

Duizenden internetgebruikers en vertegenwoordigers van internetaanbieders protesteerden tegen de wet die zij als censuur bestempelden. Invoering van deze wet zou ertoe leiden dat op internet informatie verboden zou worden die in andere media wel legaal is. De demonstranten bestempelden de wet als een aanval op de vrijheid van meningsuiting. Ondanks alle Ondanks alle protesten werd de Oline Services Bill op 30 juni 2000 door het Australische Huis van Afgevaardigden goedgekeurd.

Vanaf medio 2010 werden alle internetproviders verplicht om het internet te filteren op illegaal materiaal [vgl. Wikipedia; NRC 19.2.10]

Index Afghanistan: vertalibanning van het internet
 

In de nacht van 26 september 1996 trokken de Taliban militia de hoofdstad van Afghanistan binnen en namen controle over de stad. Een van hun eerste daden was het sluiten van de gebouwen van de nationale televisie en het verbieden van alle tv-uitzendingen. De gebouwen van de televisie werden als barakken gebruikt en de persvrijheid —waarvan hun voorgangers al niet veel over hadden gelaten— verdween onder het schrikbewind van de Taliban volledig.

Het enige nationale radiostation zond alleen maar religieuze programma’s uit en officiële propaganda. Vele journalisten die niet op tijd konden ontsnappen of zich verbergen werden gearresteerd. In februari 1997 kondigde de minister voor informatie en cultuur een verbod aan op de verkoop van buitenlandse boeken en tijdschriften. De Taliban maakte een eind aan de verkoop van alle kranten die in Pakistan en Iran gepubliceerd worden.

Het doel van de Taliban was om de meest zuivere islamistische staat ter wereld op te bouwen, waarin allerlei frivoliteiten zoals televisie, muziek en bioscoop verbannen zijn. Meisjes mogen niet naar school en vrouwen mogen niet werken en hebben geen toegang tot medische zorg. Het totalitaire terreurbewind in Kabul verbood alle vrouwen delen van hun lichaam te tonen en dwong hen zich als kosmonauten te kleden, van top tot teen bedekt en gesluierd. Het was vrouwen verboden om iemand te groeten, zelfs andere vrouwen.

De Taliban ontwikkelde een eigen website om erkenning te verwerven voor het regime door de internationale gemeenschap. Maar zij verbood de Afghanen zelf elke toegang tot het internet. Op 13 juli 2001 maakte het regime van de Taliban bekend dat het gebruik van het internet in het land verboden was. De hoogste leider van de Taliban, Mullah Mohammed Omar wond er geen doekjes om:

Het ‘Ministerie voor de Bevordering van Deugd en de onderdrukking van Kwaad’ kreeg alle macht om overtreders van deze absurde wet te straffen volgens de islamitische wet (‘Sharia’), hoewel in de Koran weinig te vinden is over het gebruik van het internet.

Direct na het verbieden van het internet in Afghanistan door de heersende Taliban werd de site van de Taliban (de inmiddels uit de lucht gehaalde www.teliban.com) gekraakt door een Russische hacker, RyDen. Hij verving de voorpagina van de site door de tekst: “Waarom het internet verbannen? De volgende stap is het verbieden om te ademen en te slapen.”
De enige computer met internettoegang in Afghanistan stond in het kantoor van de hoogste leider van de Taliban, Mullah Mohammed Omar. “Alleen een ‘betrouwbare man’ zal er toegang toe hebben.” Dezelfde betrouwbare man verbood eerder televisie, muziek, dansen, het buigen voor andere mensen, scheren, picknicken voor vrouwen, vliegeren en afbeeldingen van dieren en mensen.

De minister van buitenlandse zaken Maulvi Wakil Ahmed Muttawakil:

De Taliban probeerde een systeem te ontwikkelen waarin zij ingaande en uitgaande informatie kon controleren. Ondanks alle intimidatie en terreur bleek dat is niet eenvoudig. De Taliban slaagde er niet in het internetgebruik volledig te controleren zolang Afghanen telefoonlijnen konden huren uit het buurland Pakistan (in Afghanistan zelf bestonden geen internetproviders).

Afghan Women Can't Be Enslaved... In de strijd voor democratie en de rechten van de vrouw in Afghanistan werd mede met behulp van het internet uitgevochten. De onafhankelijke politieke organisatie, de Revolutionary Association of the Women of Afghanistan (RAWA), gebruikten het internet om hun verzet te verwoorden. De site werd onderhouden door sympatisanten vanuit Pakistan.

Het Taliban bewind trad genadeloos hard op tegen deze ‘ongelovigen die de Islamitische samenleving willen corrumperen’ (Hoofdrechter van het Afghaanse Hooggerechtshof, Maulawi Rafiullah Mo'azen]. Pas jaren na de val van het Taliban regime plantte Afghanistan in maart 2003 officieel haar vlag in cyberspace en kreeg zij controle over het .af domein voor Afghaanse websites en email adressen [bron].

Index Internet vrijstaten
 

“The internet routes around censorship and treats it like a malfunction”
[John Gilmore, een van de oprichters van de Electronic Frontier Foundation — EFF]

 
Hoe kunnen overheden hun burgers nog bescherming bieden in de virtuele ruimte? Is het mogelijk om de onderdanen van een staat ook te beschermen tegen bedreigingen die ver buiten de territoriale grenzen worden geïnitieerd? Met de komst van het internet is het er voor de politieke autoriteiten niet gemakkelijker op geworden. In het oude zeerecht reikte de territoriale bevoegdheden van een staat niet verder dan men een kanonskogel vanaf het vasteland kon schieten. Hoewel die grens inmiddels wel iets is opgerekt, zijn er inmiddels nieuwe gebieden ontstaan waar de controlerende en beschermende arm van overheden te kort of te krachteloos is om voor haar burgers op te treden. Die nieuwe gebieden noemen we «internet-vrijstaten».

Sealand: roversfortEen opvallend voorbeeld van zo’n internet-vrijstaat is Sealand. Sealand is een fort in de Noordzee dat niet veel groter is dan een voetbalveld. Het ligt op zes mijl van de Britse kust, ruim 100 kilometer ten westen van Nederland. De bijnaam van het verlaten betonnen platform was ‘Rough Tower’. Het werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Engelsen gebruikt als geschutstoren die moest schieten op Duitse bommenwerpers op weg naar Londen. In 1967 riep de gepensioneerde Engelse majoor, Paddy Roy Bates, Sealand uit tot onafhankelijke staat, met uiteraard zichzelf als staatshoofd: Prins Michael de Eerste. De Britse overheid betwiste de soevereiniteit van het prinsdom, maar daar trok deze zelfgekroonde prins zich niets van aan. Hij maakte zijn eigen regels, introduceerde de Sealand Dollar, eigen paspoorten en postzegels (met daarop foto’s van zijn vrouw Joan, een ex-schoonheidskoningin).

In 2000 stelde Prins Michael zijn territorium ter beschikking van het bedrijf HavenCo, dat gevestigd is in het belastingparadijs Anguilla, een Caribbisch eiland dat zichzelf aanprijst met de leuze: “A zero-tax jurisdictions is hard to beat.” HavenCo presenteert zich als een internet-vrijstaat. Tegen betaling kunnen financiële instellingen vanuit Sealand hun diensten over de hele wereld aanbieden. Er wordt nadrukkelijk op gewezen dat er zeer geavanceerde telecommunicatievoorzieningen op het eiland zijn geplaatst: slechts op 0,3 miliseconde van Londen. “The free world just milliseconds away.”

Verwijzend naar de soevereiniteit van Sealand suggereerde HavenCo dat haar cliënten aan geen enkele regulering of belastingheffing onderworpen zouden zijn. De enige beperking was dat het eilandje niet gebruikt mag worden voor hacking, het verspreiden van kinderporno of ongevraagde reclame. HavenCo probeert met name cliënten aan te trekken die virtuele banken, beleggingsinstellingen of casino’s willen openen of die geen boodschap hebben aan nationale wetgeving op het gebied van de intellectuele eigendom. HavenCo verhuurde op Sealand aan iedereen die wilde ontsnappen aan de lange arm van de staat. Zij pochte dat haar servers veilig zouden zijn voor welke legale actie dan ook, en dat Sealand de eerste plaats op aarde zou worden waar mensen zij zijn om hun zaken te doen zonder dat er iemand over hun schouders meekijkt [Bates 2000].

De vraag was hoelang de Britse overheid deze internet-vrijstaat aan haar kust zou tolereren — zij stuurde ook oorlogsschepen over de halve wereld om haar claim op de Falklands te verdedigen. Aan de droom van HavenCo kwam een eind toen de Engelse regering via de lokale effecten van offshore internetcommunicaties controle kregen op de vrijstaat. Er zijn altijd lokale intermediairen die cruciaal zijn voor het functioneren van ‘onaantastbare’ internetdiensten en die door nationale regeringen onder druk gezet kunnen worden [Goldsmith/WU 2006:68]. Zo werden in Engeland bijvoorbeeld banken verboden om gokgerelateerde transacties te verrichten met een op HavenCo gevestigde onderneming.

Door de openstelling van het internet voor de commercie en de mogelijkheid om ook grotere bestanden te versturen is het karakter van het oorspronkelijke internet (een ‘digitale muurkrant’) aanzienlijk gewijzigd. Burgers die zich op het internet begeven zijn aan veel meer risico’s blootgesteld. Hoe kan een burger nog controleren hoe veilig het is om zijn geld op een digitale bank te storten? Hoe kan een burger of consument, werknemers of ondernemer nog controleren of de partner waarmee zaken worden gedaan ook daadwerkelijk de persoon is waarvoor deze zich uitgeeft? Wie weet nog zeker dat zijn op het internet aangesloten computer voldoende beveiligd is tegen malversaties van vandalen en criminelen? En wie durft er nog een e-mail en aangehaakje attachments te openen van een onbekende afzender?

De vraag is welke gevolgen dit heeft voor de instellingen die in Nederland belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. Op een aantal gebieden worden internetgebruikers inmiddels enigszins beschermd door vormen van zelfregulatie. Maar er zijn zoveel nieuwe risico’s ontstaan dat er goede voorlichting gegeven moet worden over de gevaren op het internet, en dat er stevige drempels worden opgeworpen kwaadwillende roofdieren en vandalistische kleine schurkjes die het internet onveilig maken.

In kringen van het Nederlandse Openbaar Ministerie wordt nuchter onderkend dat men nog over onvoldoende deskundigheid beschikt om ‘cybercrimes’ effectief op te sporen en te vervolgen. Behalve over kinderporno is bij Openbaar Ministerie en politie de kennis over de internet-gerelateerde criminaliteit nog zeer summier. Een stap in de goede richting is het oprichten van diverse meldpunten voor internetcriminaliteit. Voor kinderporno is inmiddels zo’n meldpunt opgericht, maar voor elektronische winkels en de financiële instellingen is dit nog braakliggend terrein. Vergelijk in dit verband het Infragard systeem van de Amerikaanse FBI, waar softwareproducenten en e-commerce bedrijven informatie uitwisselen over en melding kunnen maken van aanvallen van hackers.

De strafrechtelijke initiatieven zullen zich vooral moeten richten op (1) de integriteit van het financiële systeem en de handel; (2) de strategische voorzieningen zoals het vliegverkeer, de elektriciteitsproductie en de telecommunicatie; (3) handel in illegale producten: de handel in producten waarvan de distributie in Nederland verboden is of aan strenge regels is onderworpen, zoals wapens, drugs, valse officiële documenten, en bepaalde medicijnen; (4) computervandalisme: verspreiding van virussen zoals Melissa, I Love You, en Anna Kournikova.

De grote vraag bij dit soort problemen is of Nederland wel rechtsmacht heeft. Uiteraard hebben het Openbaar Ministerie en de politie een taak waar het delicten betreft waarbij uit Nederland afkomstige personen of bedrijven betrokken zijn, waarbij het effect van het delict zich in belangrijke mate in Nederland manifesteert, of de activiteiten op Nederland gericht zijn en de Nederlandse norm voor betrokkenen voldoende kenbaar is geweest.

Eigenaardigheden van overheidsregulatie van internet
Nationale staten proberen internet op zeer uiteenlopende manieren en met verschillende tactieken te reguleren. Ik heb hier slechts de meest opvallende bijzonderheden van overheidsregulatie geanalyseerd. Meer gedetailleerd onderzoek naar regulerende praktijken van andere landen is nodig om het algemene beeld te preciseren en de nationale variaties te specificeren. Zie ook de exemplarische analses van Iran, Egypte en Syrië.

Index Informatiebronnen
 

  1. Ang, Peng Hwa [1996]
    Ordering Chaos.
    Singapore: Thomson.

  2. Ang, Peng Hwa [2005]
    Self-regulation after WGIG

  3. Bertelsmann
    Selbstregulierung von Internet-Inhalten
    De Bertelsmann Stichtig ontwikkelde een eigen systeem voor zelfregulatie met een gedragscode voor de internetindustrie, met een systeem voor waardering en filtering, met internetmeldpunten en met een voorstellen voor strafvervolging bij illegale inhoud.

  4. Bits of Freedom (BOF)
    Een privacy en burgerrechten organisatie. Zij vestigt de aandacht op burgerrechten in relatie tot data privacy, filtering, opsporing, cryptografie, aftappen, vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie.

  5. Burney, Brett [2001]
    Virtual Crime??
    Artikel over het begrip cybermisdaad. Bestaat er zoiets als een echte virtuele misdaad, d.w.z. een misdaad die alleen in cyberspace wordt voltrokken. Of zijn cybermisdaden gewoon conventionele misdaden in de ‘real worldˆ die gepleegd worden met behulp van een computer en/of cyberspace?

  6. Calvert, Guy [1999]
    Gambling America - Balancing the Risks of Gambling and its Regulation [pdf]
    In: Policy Analysis, no. 349. June 18, 1999.

  7. Chase, Michael S. / Mulvenon, James C. [2002]
    You've Got Dissent! Chinese Dissident Use of the Internet and Beiijng's Counter-Strategies
    Een analyse van het politiek gebruik van internet door Chinese dissidenten en de tegenstrategieën van de Chinese overheid. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de politieke dissidenten die in China zelf actief zijn, maar ook naar activisten die in het buitenland verblijven, leden van de Falungong groep, Tibettaanse vluchtelingen en anderen die internet gebruiken voor doeleinden die door de Chinese autoriteiten als subversief worden beschouwd. Het rapport geeft ook een overzicht van de toenemende wetenschappelijke literatuur over de politieke gevolgen van het internet in China.

  8. China Internet Network Information Center (CNNIC)

  9. Commission of the European Communities [2001]
    Cybercrime & Cybersecurity

  10. Committee to Protect Journalists (CJP)

  11. Computer Forensics, Cybercrime and Steganography Resources

  12. Council of Europe [2000]
    Crime in Cyberspace - Fist Draft in International Concention Released for Public Discussion.

  13. Cybercrime
    Computer Crime and Intellectual Property Section (CCIPS) of the Criminal Division of the U.S. Department of Justice. Actuele informatie over computermisdaad en schendingen van intellectueel eigendom; Amerikaanse wetgeving en beleid; veel cases en documenten.

  14. Bates, Roy [2000]
    Rebel Sea Fortress Dreams of Being ‘Data Haven’
    In: Wall Street Journal<, 26.7.2000.

  15. Davies, Philip H.J. [1999]
    Information Warfare and the Future of the Spy
    In: Information, Communication & Society, 2(2) 1999.

  16. Dasselaar, Arjen [2005]
    Handboek Digitale Criminaliteit

  17. Deibert, Ronald J.
    • [2003] Black Code: Censorship, Surveillance and the Militarizatiom of Cyberspace.
      In: Millenium: Journal of International Studies, 32(3)
    • [2013] Black Code: Inside The Battle For Cyberspace.
      Toronto: McClelland & Stewart.

  18. Denning, Dorothy E. / Baugh, William E. [1999]
    Hiding Crimes in Cyberspace
    In: Information, Communication & Society, 2(3) 1999.

  19. Dunnen, Eelco van [1997]
    Internet en de bescherming van rechten.

  20. Fox, Susannah [2001]
    Fear of Online Crime
    A report on crimes on the internet and the support of Americans for FBI interception of criminal suspects' email and new laws to protect online privacy.

  21. Goldtsmith, Jack /Wu, Tim [2006]
    Who Controls the Internet? - Illusions of a Borderless World.
    Oxford University Press.

  22. Hafele, David M. [2004]
    Three Different Shades of Ethical Hacking: Black, White and Gray.

  23. Hillbery, Rhonada [2002]
    Democracy and the Desktop Computer
    In: CaltechNews, 36(1), 2002.

  24. Human Right News
    Freedom of Expression and the Internet in China

  25. Instituut voor Informatierecht [IVir]
    Dossier Grondrechten in de Informatiesamenleving

  26. International Association of Crime Analysts (IACA)

  27. Johnson, David R. /Post, David G. [1996]
    Law and Borders: The Rise of Law in Cyberspace
    48, Stanford Law Review, 1367.

  28. Kasperen, H.W.K. [2004]
    Bestrijding van cybercrime en de noodzaak van internationale regelingen
    In: Computerrecht 3: 116-25.

  29. Kasperen, H.W.K. [2005]
    ICT en strafrecht

  30. Kortekaas, Jan [2005]
    Risicoanalyse georganiseerde criminaliteit. Uitwerking instrumentarium en toepassing op de ICT-ontwikkelingen. Leiden. [summary].

  31. Liang, Guo [October, 2003]
    Surveying Internet Usage and Impact in Twelve Chinese Cities
    Research Center for Social Development, Chinese Academy of Social Sciences.

  32. McCloskey, Matthew J. [1998]
    Bibliography on Self Regulation

  33. Netkwesties
    Webgids: Internetrecht

  34. Neumann, A. Lin [2001]
    The Great Firewall.

  35. NRC

  36. Peekabooty
    Het doel van het Peekabooty project is het maken van een product dat in staat is om overheidscensuur van het WWW te doorbreken. In meer dan 20 landen wordt het www gecensureerd.

  37. Peele, Stanton / Alexander, Bruce K. [1998]
    The Meaning of Addication

  38. SANS Institute [2001/4]
    The Twenty Most Critical Internet Security Vulnerabilities
    Een uitstekend overzicht van de 20 grootste kwetsbaarheden van het internet, gepresenteerd door het SANS Instituut (System Administration, Networking, and Security).

  39. SANS Institute [2009]
    The Top Cyber Security Risks

  40. Slevin, James [2000]
    The Internet and Society. Cambridge: Polity Press.

  41. Taylor, John A. [1998]
    Governance and Electronic Innovation: Whither the Information Polity [pdf]
    In: Information, Communication & Society, 1(2) 1998.

  42. Thomas, Douglas [1998]
    Criminality on the Electronic Frontier: Corporality and the judicial construction of the hacker [pdf]
    In: Information, Communication & Society, 1(4) 1998.

  43. Western, Scott
    Gambling on the Internet.

  44. Wilske, Stephan/Schiller, Teresa [1997]
    International Jurisdiction in Cyberspace: Which States May Regulate The Internet?.
    Fed. Comm. L.J. 117.

  45. Wikipedia

  46. Wu, Timothy S. [1997]
    Cyberspace Sovereignty? -- The Internet And The International System
    10 Harvard Journal of Law & Technology.

  47. Xinhuanet

  48. Zittran, Jonathan / Edelman, Benjamin [2002]
    Internet Filtering Worldwide

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

06 April, 2014
Eerst gepubliceerd: Maart, 2001