| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
| Sporen van een misdaad |
Gerelateerde teksten
Pornografie in Cyberspace
Regulatie van CyberPorno
NetLiefde en CyberSex
|
|---|
| Sporen van een misdaad |
|---|
| "Pedofilie is de gevaarlijkste virus op de elektronische snelweg. Het kan de menselijke waardigheid doden. Het kan de vrijheid doden. Het kan Internet zelf doden" [H. Yushkiavitshus, onderdirecteur Unesco] |
In samenlevingen met een enigszins ontwikkelde beschaving is kinderpornografie meestal een morele steen des aanstoots van de eerste orde. Wanneer kinderen misbruikt worden voor het genot van volwassenen bekruipt ons direct het gevoel dat er een morele grens wordt overschreden. De verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen via het internet is daarom al jarenlang een onderwerp van verhitte gesprekken. Hoewel de overigens zeer kleine vraag naar kinderpornografie blijft bestaan, is er bijna niemand die de productie en distributie van dergelijk beeldmateriaal in het openbaar durft te verdedigen. Dat is niet vreemd in naties waarin productie, verspreiding en bezit van kinderpornografie niet alleen maatschappelijk taboe maar ook strafrechtelijk verboden is.
Hier wordt in kaart gebracht op welke manieren kinderpornografische afbeeldingen via het internet worden gedistribueerd. Hoe dergelijke praktijken kunnen worden bestreden, wordt geanalyseerd in Regulatie en Zelfregulatie van Internet en meer in het bijzonder in Regulatie van CyberPorno.
|
|
|
|
Er zijn geen betrouwbare cijfers beschikbaar van het aantal kinderen dat slachtoffer wordt van kinderporno, noch van het aantal producties of afnemers [Frenken 1997]. Maar we weten wel dat het aantal zedenmisdrijven via het internet snel toeneemt en met name het seksueel misbruik van kinderen. Kinderpornografie wordt geproduceerd in een gesloten wereld. Alle participanten verplichten elkaar tot geheimhouding omdat zij allemaal chantabel zijn. Voor slachtoffers van kinderporno en kinderprostitutie is het meestal zeer moeilijk om hun verhaal naar buiten te brengen. Zij worden niet zelden bedreigd door de plegers die opereren in het circuit van de georganiseerde misdaad. Volgens Unicef zijn er meerdere miljoenen kinderen en jongeren die wereldwijd seksueel worden uitgebuit. Volgens een schatting van de VN Mensenrechtencommissie in 1998 worden wereldwijd 10 miljoen kinderen als seksobject gebruikt door volwassenen. Het gaat om steeds jongere kinderen beginnend bij baby's van enkele maanden.
Productie en verspreiding
|
|---|
Een ding lijkt duidelijk: het internet speelt een steeds belangrijker rol bij de productie en verspreiding van kinderporno. Uit diverse politie-onderzoeken is gebleken dat er zeer omvangrijke pedofiele netwerken actief zijn op het internet. Zij zijn verantwoordelijk voor de verspreiding van enorme hoeveelheden kinderpornografische foto's en films. Veel van dat materiaal wordt door de leden van die netwerken zelf gemaakt en met andere leden van het netwerk geruild. Daarnaast zijn er diverse websites waarop kinderen voor prostitutie worden aangeboden en waarop men informatie kan vinden over gunstige vestigings- of vacantieplaatsen voor pedofielen. In Honduras en Costa Rica nam in 1999 het pedofiele sekstoerisme met 60 procent toe als gevolg van dergelijke websites [Bruce Harris van Casa Alianza, een Centraal-Amerikaanse organisatie tegen seksueel misbruik van kinderen].
In het buitenland gaat Nederland door voor een in zeden verwilderd volkje dat de bakermat vormt voor export van drugs en kinderporno. De vraag is welke omvang kinderpornografie in Nederland heeft, waar wordt het geproduceerd, hoe wordt het verspreid? Mede naar aanleiding van berichten uit het buitenland in 1984 over de rol die Nederland zou spelen bij de produktie van kinderporno, werd in juni 1985 de werkgroep kinderpornografie ingesteld. Zij had als opdracht het inventariseren van bestaande en nog te ontvangen informatie met betrekking tot kinderpornografie in Nederland, het opsporen van eventuele binnenlandse distributiekanalen en het onderzoeken van de herkomst en de bestemming van aangetroffen kinderpornografie. In haar onderzoeksverslag van augustus 1986 komt de werkgroep tot de volgende conclusies:
| Pornografisch materiaal dat via internet verspreid wordt bestaat vaak uit oud materiaal, er wordt in geknipt en geplakt en dan wordt het opnieuw gepresenteerd. Sommige van de plaatjes zijn uit de Wehkampgids geknipt: kinderen in ondergoed. Andere plaatjes en video's zijn op naaktcampings gemaakt. |
Georganiseerde nomadische bewegingen
|
|---|
Volwassenen die kinderen molesteren zijn meestal mannen die in hun publieke omgang met kinderen vaak zeer gewaardeerd worden. In het lokale leven lopen kinderen het meeste risico bedreigd te worden door mensen die gezag over hen uitoefenen. Seksueel misbruik van kinderen vind meestal plaats door familieleden, buren, vrienden en anderen die bij de familie bekend zijn. Het overgrote deel van het kindermisbruik vind plaats in het huis van het slachtoffer of van de dader.
Op internet lopen kinderen het risico slachtoffer te worden van anonieme onbekenden. Pedofielen zwerven door cyberspace op zoek naar kinderpornografisch materiaal en verse prooi. Zij doen dat meestal individueel, maar soms ook in groepsverband, gebruikmakend van speciale netwerken en afgebakende virtuele ruimtes. Voor kinderlokkers en kinderpornografen biedt het internet toegang tot een bredere markt en dus meer potentiële slachtoffers dan ooit te voren. Zij gebruiken het internet om te netwerken met soortgenoten. Daarom zijn peer-to-peer netwerken zo populair bij pedofielen [Meldpunt Kinderporno].
|
Hoe hecht zijn pedofielen op internet georganiseerd? Is er een pedofiele gemeenschap die internet gebruikt om kinderpornografisch materiaal uit te wisselen? Hoe gaan zij precies te werk?
Op internet bestaan er omvangrijke pedoseksuele netwerken die verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van kinderpornografisch materiaal. Het zijn internationale netwerken van mensen die behoefte hebben aan beelden van seks met kinderen en die deze beelden met elkaar uitwisselen. De psychologe Rachel O'Connell (Universiteit van Cork, Ierland) heeft in 1997 onderzoek gedaan naar kinderpornogroepen als alt.binaries.erotica.pre-teen en alt.binaries.pictures.childeren [O'Connel 1999]. Zij concludeerde dat er een groep van tientallen gebruikers bestaat die gemiddeld om de twee weken een andere nieuwsgroep gebruikt om kinderpornografische afbeeldingen te verspreiden. De meeste foto's en videos worden door dezelfde internetgebruikers verspreid.
Binnen het pedofiele netwerk bestaat er een soort informele arbeidsdeling. Er zijn 'infrastructuur-coördinatoren' die nieuwkomers wegwijs maken op het internet, en in het bijzonder op de nieuwsgroepen met kinderporno. Andere mensen concentreren zich op besprekingen van kinderpornografie in de nieuwsgroepen. Daarnaast zijn er mensen die de rol van uitkijkpost vervullen. Zij zorgen ervoor dat de activiteiten niet te lang in dezelfde groep plaatsvinden om het risico van opsporing te verkleinen. Voordat de internet-meldpunten en de politie in actie kunnen komen tegen kinderpornografen in een bepaalde nieuwsgroep, zijn de pedofielen alweer naar een andere groep verhuisd. De netwerken van pedofielen op het internet zijn georganiseerde nomadische bewegingen. Alle mensen die materiaal plaatsen in nieuwsgroepen, MSN-groepen of peer-to-peer systemen doen dat anoniem. Zij gebruiken schuilnamen en zorgen ervoor dat hun echte identiteit niet te achterhalen is. De uitwisseling van kinderporno is omgeven met speciale beveiligingsconstructies. Zowel het verkeer als de inhoud van de uitwisseling worden op speciale wijze geanonimiseerd en gecodeerd. Het IP-nimmer van de eigen pc kan onzichtbaar worden gemaakt door te surfen via een proxy-server (bijvoorbeeld door het gebruik van Freenet). Vervolgens kunnen de uitgewisselde bestanden worden gecodeerd met PGP (Pretty Good Privacy) en/of met Kremlin.
|
|
Roofvogels op de loerHoe gevaarlijk is internet voor kinderen? |
|---|
Gevaarlijke verleidingen: digitale kinderlokkers
Kinderporno op het internet is meer dan het verzamelen en verspreiden van obsceen materiaal. Steeds vaker blijkt dat pedofielen via het internet proberen ontmoetingen te regelen met kinderen. Pedofielen zweven als roofvogels over het internet op zoek naar kinderen de Amerikanen noemen dit ‘hawking’. Zij struinen eerst chatruimtes, webcams, nieuwsgroepen en MSN-groepen af waar kinderen te verwachten zijn. Vervolgens proberen zij daarmee aan de praat te komen in een chatruimte. En tenslotte proberen zij het kind zover te krijgen om een afspraakje te maken. Diverse kinderen worden op deze manier van het internet opgepikt.
|
|
Pedofielen proberen met hun potentiële slachtoffers uitvoerig te praten over wie zij zijn, waar zij wonen, op welke school zij zitten en wat hun hobbies zijn. Op die manier hopen zij de kinderen te verleiden om hun gesprekken voort te zetten in exclusieve conversaties die niet door anderen kan worden geobserveerd (via email, privé-chat, instant messaging of webcam). De afsluiting van deze fase is dat er met het kind een afspraak wordt gemaakt om elkaar ergens te ontmoeten.
Feitelijk seksueel misbruik van kinderen wordt tegenwoordig vaak vooraf gegaan door virtueel zedendelict, ook wel webcam-misdaad genoemd. Yet van Mastrigt, teamchef sociale jeugd- en zedenpolitie van de politie Hollands Midden, beschrijft hoe dit in z'n werk gaat.
Kinderen tussen hoop en vrees
In juni 2000 werd in Engeland een onderzoek gedaan waaruit bleek dat eenderde van de Britse ouders het internet zien als veel meer corrumperend dan televisie of films. Het onderzoek werd uitgevoerd door de NOP (National Opinion Poll) in opdracht van Symantec, een bedrijf dat zich bezig houdt met computerveiligheid.
De helft van de tijd dat kinderen online zijn, is er geen ouderlijk toezicht. Toch maken ouders zich zorgen over wat hun kinderen op het internet uitspoken. Zij geloven dat het internet een veel gevaarlijker invloed heeft op het morele welzijn van hun kinderen dan televisie en film. Hun haren rijzen van schrik bij het vooruitzicht dat hun kinderen ‘ongewenste inhoud’ zien. Ook uit eerder onderzoek (van NUA Internet Surveys) bleek al dat eenderde van de kinderen op het internet inhoud hadden gevonden waardoor zij geschokt waren of dat hen in verlegenheid bracht, terwijl meer dan de helft de inhoud omschrijft als ‘grof’ (rude).
|
Bijna de helft van de jongeren gaat in chatrooms email-contacten aan met mensen die zij daar voor het eerst ontmoeten. Toch laten de meeste teenagers zich niet verleiden tot een lokale ontmoeting met iemand die zij online hebben leren kennen. Jongeren worden zich in toenemende mate bewust van de gevaren die zij op het internet lopen. Zo blijkt uit een Engels onderzoek van de NOP Research Group van juli 2001. Een toenemend aantal jongeren is niet bereid hun email adres of huisadres op het internet te geven. Voor ouders en scholen blijft echter een belangrijke taak weggelegd om kinderen voor te lichten over de risico's die zij op of via het internet lopen. |
Het rapport van het Internet Crime Forum (ICF) concludeert dat "ongeveer 20 procent van de kinderen die chatrooms op het internet gebruiken benaderd zijn door pedofielen en andere ongewenste figuren terwijl zij online waren". Uit een vergelijkende survey in de USA: Online Victimisation: A Report on the Nation's Youth [juni 2000] blijkt dat ongeveer eenvijfde van de jongeren tussen 10 en 17 een ongewenste uitnodiging of toenadering via het internet had meegemaakt.
Uit de Nieuw Zealandse studie blijkt dat 60% van de onderzochte kinderen hun email adres of telefoonnummer had gegeven aan iemand die zij online hadden ontmoet. Slechts de helft zei dat zij het aan hun ouders zouden vertellen wanneer zij online bedreigingen zouden ontvangen van pedofielen.
Dit beeld wordt bevestigd door een onderzoek onder Amerikaanse meisjes tussen de 13 en 18 jaar. Het onderzoek werd in 2001 uitgevoerd door The Girl Scouts of the USA. Daaruit blijkt dat de meeste meisjes zichzelf als de slimste computergebruiker in huis beschouwen. De meisjes blijken heel wat te verbergen voor hun ouders: 30% zegt dat zij op het internet seksueel zijn lastig gevallen (van het vragen naar de maat van de bh tot het opsturen van naakte plaatjes van mannen), maar slechts 7% vertelde dit aan hun ouders. De reden daarvan is de angst dat zij 'unplugged' worden.
|
|
|
|
De Kinderconsument publiceerde in 2002 de uitkomsten van een steekproef onder 1300 jongeren van 10 tot 13 jaar. De resultaten waren nogal schokkend. Tussen de 18 en 44 procent van de kinderen (afhankelijk van de chatbox) bleek last te hebben van scheldpartijen en seksuele intimidatie in populaire chatboxen, zoals die van TMF, Foxkids, Surfkids, Chat.nl en Chatten.nl. Het onderzoek laat ook zien dat kinderen het zelf het spuugzat zijn. Die vervelende mannen die helemaal geen kind blijken te zijn. Die grove scheldpartijen met woorden die ik niet eens ken. Die gore pornoplaatjes die je ongevraagd worden opgestuurd. En die uitnodigingen van onbekenden die je zo snel mogelijk ergens willen ontmoeten.
|
Het jongerenweekblad Kidsweek publiceerde in juni 2003 een steekproef onder 1000 jongeren. Daaruit blijkt dat 2 van de 10 chatters last van pesten en schelden heeft in een chatbox. Een op de tien heeft te maken met seksuele toespelingen. Regelmatig wordt ingebroken op hun gesloten chatbox en worden jongeren gestalkt door mensen die ze in de chatbox ontmoet hebben. Slechts enkelen hadden te maken met pedofielen en werden met pestmails bedreigd. Uit het onderzoek blijkt verder dat de helft van de jongeren zich in de chatbox ouder voordoet. |
|
Het ongewenst gedrag waarmee jongeren op internet worden geconfronteerd is samen te vatten in drie p's: porno, pesten en pedo. |
|
Meisjes ervaren emotioneel complexe situaties op het internet, maar vertellen dat niet aan hun ouders. Zij denken dat zij weten wat veilig en onveilig internetgedrag is en dat zij over voldoende ‘gezond verstand’ beschikken. Zij voelen zich veilig op hun kamer achter de computer. Bij de meeste meisjes worden wel huisregels opgesteld voor internet. Maar de ouderlijke betrokkenheid is meestal beperkt tot verboden zoals: ‘niet met vreemde mannen praten’ en ‘geef geen persoonlijke informatie’. Een kleine meerderheid van de meisjes houdt zich aan deze regels, een grote minderheid doet dit niet. De meeste meisjes zeggen dat zij de ouderlijke regels gemakkelijk kunnen omzeilen. Zij weten hoe zij heimelijk kunnen chatten, de email van hun ouders lezen en heimelijk een cyberliefdesaffaire kunnen onderhouden.
Meisjes zeggen dat zij wel met hun ouders over hun virtuele leven willen praten, maar dat dit onmogelijk is, tenzij ouders weten waarover zij praten. Meisjes zeggen dat zij weten wat zij doen, maar het blijven emotioneel kwetsbare teenagers. Zij weten dat er gevaren zijn en zij proberen deze te vermijden. Maar als zij langere tijd met iemand chatten en een relatie opbouwen, beginnen zij hem te vertrouwen. Alles wat zij over ‘gevaren’ hebben geleerd smelt weg. Het komt tamelijk zelden voor dat meisjes tot persoonlijke ontmoetingen met pedofielen worden verleid. Maar het gebeurt wel. Via het internet ervaren meisjes dat zij als kwetsbaar kind ‘bezig zijn volwassen te worden’. Dat zou een uitgangspunt kunnen zijn voor ouders die met hun kinderen ook over hun virtuele ervaringen willen communiceren. Hoe meer ouders weet hebben van de hoop en vrees van hun kinderen, des te minder kans krijgen kinderverleiders om deze te exploiteren.
In Regulatie van CyberPorno wordt geanalyseerd hoe deze dreigingen en risico's voor kinderen geminimaliseerd kunnen worden.
Informatiebronnen
|
|---|
| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |