| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
|
Introductie
|
Vormen van democratie
|
|---|---|
| Informatiebronnen | |
Regulatie en zelfregulatie van internet
Oorlog in Cyberspace Zwaarden van Zwakkeren
CyberTerrorisme
|
|
| Introductie |
|---|
Het internet is een virtuele samenleving zonder staat. Geen enkele nationale staat of conglomeraat van nationale staten heeft het gezag om het internet haar wetten en regels op te leggen. De virtuele gemeenschappen die zich binnen het internet hebben gevormd erkennen geen enkel staatsgezag binnen hun territorium. Er rust dus geen overheidsmonopolie op het internet en zij wordt niet door een bepaalde overheid gecontroleerd. In de virtuele wereld van het internet is niemand de baas, er is geen ‘internet-regering’. Maar daarom kan het internet ook geen democratie, autocratie of welke andere vorm van “-atie” zijn. Toch kent het internet een sterke democratische traditie.
Er wordt politiek gemaakt op het internet. Regeringen van alle nationale staten proberen greep te krijgen op het internet. Voor ondemocratische regimes is het een gruwel dat er een vorm van openbaarheid bestaat die zij niet of nauwelijks kunnen controleren. Zij proberen van buitenaf politieke controle op het internet te krijgen. Repressieve regimes gebruiken filtersoftware om 'ongewenste' politieke en sociale communicatie op het web te onderdrukken [dit wordt geanalyseerd in Regulatie en Zelfregulatie van Internet]. Het is echter extreem moeilijk om het internet te controleren. Het internet is ontworpen als gedecentraliseerd computernetwerk juist om zo'n controle tegen te gaan ('survivable network')[dit wordt uitvoeriger behandeld in Geschiedenis van het internet].
Als geïnstitutionaliseerde vorm van openbaarheid is het internet uiteraard zelf ook een politieke arena. De meest uiteenlopende belangengroeperingen en politieke stromingen manifesteren zich op het internet. Zij proberen daar hun doelstellingen uit te dragen, zij treden op voor de belangen en aspiraties die door hen worden gerepreseerd, zij agiteren tegen andere maatschappelijke of politieke groeperingen die hun opties in de weg staan, en zij gebruiken het internet om hun eigen achterban te vergroten en te mobiliseren.
Het internet biedt nieuwe mogelijkheden voor een democratische en rechtvaardige samenleving. Maar zo’n samenleving komt niet vanzelf. Er zal geknokt moeten worden om de toegang tot het internet open te houden zodat zij voor iedereen vrij beschikbaar is. Het internet is maakt het in principe mogelijk om alle communicaties die tot nu toe in gescheiden mediawerelden verliepen (van privégesprekken tot politieke bijeenkomsten) in één medium te verenigen. Het internet is een supermedium in embrionale vorm dat in principe in staat is om alle communicatiemedia (telefoon, radio, televisie, videoconferentie etc.) in zich te verenigen. Omdat het internet in het bijzonder decentrale-interactieve communicaties mogelijk maakt is het bij uitstek een medium dat democratische vormen van politieke openbaarheid faciliteert.
Het internet is geen dienst waarvoor men een prijs kan vragen, het is een recht. Het internet is alleen waardevol wanneer het collectief is en universeel [Berners-Lee 1999]. De ziel van het internet is het delen van informatiebronnen, vrijwillige wederzijdse hulp en democratische openbaarheid. Dit conflicteert met pogingen om het internet te commercialiseren en te privatiseren.
De vraag die hier centraal staat is op welke wijze internet democratische processen kan beïnvloeden.
TeleDemocratie |
|---|
Politiek begint waar tegenstrijdige individuele en maatschappelijke belangen op elkaar botsen en in discursieve of gewelddadige vormen worden uitgevochten. Via politieke instituties en normensystemen komen bindende regels, waarden en sturingsmogelijkheden tot stand waardoor er in de samenleving beslissingen genomen kunnen worden die gezag afdwingen. Institutionele politiek is het tot stand brengen van algemeen verbindende beslissingen met behulp van in regels vastgelegde procedures (Niklas Luhmann noemt dit "procedurele legitimatie"). Omdat er in onze samenleving sprake is van een ongelijke verdeling van macht, gezag en rijkdom zijn deze regels tegelijkertijd garanties voor de instandhouding van heerschappij. De moderne vertegenwoordigende democratie is een organisatievorm van de politieke, openbare macht. Zij berust op twee principes: het gelijkheidspostulaat (alle burgers worden geacht in zekere mate gelijk te zijn en daarom zouden alle burgers in zekere mate als politiek gelijke behandeld moeten worden) en het principe van volkssoevereiniteit. Uit dit gelijkheidspostulaat volgt dat politiek handelen moet corresponderen met de voorkeuren van de meerderheid en dat politieke beslissingen volgens het meerderheidsprincipe genomen worden.
De moeilijkste vraag voor een politieke sociologie van het internet is deze: kan het internet de politieke gelijkheid in het stelsel van vertegenwoordigende democratie bevorderen en substantieel bijdragen tot het ontstaan van een algemene openbaarheid en algemene menings- en besluitvorming?
De basis voor de meeste concepten van digitale democratie zijn gelegen in de permanente crisis in de politieke participatie [Barber 1984, 1997; Hagen 1997, 2000]. Het proces van democratisch meningsvorming in Westerse partij-parlementaire democratieën vertoont een aantal structurele gebreken. Men is ontevreden over de uitkomsten van de institutionele politiek; de legitimiteit van het via partijen en massamedia georganiseerde proces van politieke meningsvorming wordt ter discussie gesteld (‘verentertaining van de politiek’); het via volksvertegenwoordigers verlopende proces van politieke besluitvorming wordt als beperkend ervaren; de problemen die ontstaan door de globalisering van de sociaal-economische verhoudingen kunnen door de institutionele politiek nauwelijks meer worden opgelost. De meest betreurde tekorten van het liberale model van democratie zijn het gebrek aan politieke participatie en de kloof tussen kiezers en gekozenen. Er wordt al jarenlang gediscussieerd over de vraag hoe deze gebreken kunnen worden opgelost. Tegenwoordig wordt vooral gediscussieerd over de vraag hoe met behulp van nieuwe informatie- en communicatietechnieken het democratische politieke proces verbeterd of versterkt kan worden. De trefwoorden zijn ‘elektronische democratie’, ‘cyberdemocratie', ‘virtuele democratie’ of ‘teledemocratie’.
Teledemocratie is het geheel van praktijken om democratie te realiseren zonder de grenzen van tijd, ruimte of andere fysieke condities door gebruik te maken van de mogelijkheden van computer-gemedieerde politieke communicatie, als aanvulling van traditionele analoge politieke praktijken. Teledemocratie moet niet worden verward met of gereduceert tot directe democratie.
De discussies over teledemocratie richten zich niet alleen op de mogelijkheid om internet te gebruiken voor verkiezingen (‘e-voting’), maar vooral ook voor politieke discussie en voor de actieve participatie in politieke belangengroepen en partijen. De nieuwe ideeën over teledemocratie worden niet zozeer geïnspireerd door de leuze van ‘medezeggenschap’ (zie de participatiedebatten in de jaren zeventig: Pateman 1970; C.B. Macpherson 1971), maar door de leuze van de ‘revitalisering van de civiele maatschappij’ (zie de communitarismedebatten in de jaren tachtig en negentig: Michael Walzer, Amitai Etzioni). In het middelpunt van de concepten van teledemocratie staat een participatiebegrip dat vooral gericht is op de versterking van de mogelijkheden van:
Elke nieuwe technologie maakt fantasieën los over hun politieke toepassingsmogelijkheden. In de euforische opvatting, die zich laat leiden door techniekoptimisme, wordt internet gezien als hét instrument om de gebreken van de vertegenwoordigende partijendemocratie op te lossen. Men hoopt dat de door elektronische netwerken gemedieerde informatie, discussie en politieke activiteit niet alleen zal leiden tot beter geïnformeerde en meer bewuste burgers, maar dat zij op deze wijze ook weer - van onderaf - in het politieke proces gereïntegreerd zullen worden. In de sceptische opvatting, die zich laat leiden door techniekpessimisme, wordt juist de nadruk gelegd op de schaduwkanten van de versmelting van techniek met democratie, op gevaren van manipulatie en misbruik van gegevens. De kansen en risico's van het gebruik van mediatechnologieën in het democratische proces worden dus zeer tegenstrijdig beoordeeld.
|
De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat informatie- en communicatietechnologieën niet uit zichzelf of automatisch leiden tot veranderingen in het politieke systeem. Ten eerste is de ontwikkeling van de ICT geen in zichzelf bepaald proces dat slechts de logica van de technologische efficiëntie volgt. Technologische ontwikkelingen zijn ingebed in maatschappelijke en politieke structuren en worden hierdoor mede bepaald. Een vergelijking van verschillende nationale conteksten maakt duidelijk hoezeer specifieke politieke instellingen en culturele patronen van invloed zijn op diverse concepten van digitale democratie [Hagen 1997, 2000]. Ten tweede worden de vormen en de mate van politiek gebruik van computer- en internettechnologie niet zozeer bepaald door de technologische mogelijkheden, maar door uiteenlopende politieke, culturele, economische en sociale factoren [Benschop 1997]. Politieke instellingen en processen veranderen dus niet vanzelf omdat het internet bestaat, en zeker niet in een richting die op applaus kan rekenen van consequente niet ‘burgerlijk-gehalveerde’ democraten (dat wil zeggen van democraten die hun normatieve uitgangspunten niet overboord zetten wanneer zij botsen op de structurele grenzen van kapitalistische eigendoms- en exploitatieverhoudingen). De reden is eenvoudig: de ontwikkeling van technologische toepassingen wordt in sterke mate gecontroleerd door dominante belangen en gevestigde belangengroepen. De internettechnologie zal veeleer bestaande trends versterken. Het succes van teledemocratische projecten en initiatieven wordt niet bepaald door de gebruikte technologie, maar door de maatschappelijke, organisationele en interactionele keuzes die gemaakt worden door de initiatiefnemers en door hun respectievelijke opvatingen en vooronderstellingen over participatie [Arterton 1988:623]. ICT is geen onafhankelijke kracht die automatisch in het voor- of nadeel werkt van democratie. Het is wel een kracht die gebruikt kan worden om bestaande trends te versterken en om bestaande instituties te bekrachtigen. Dat is de reden waarom de meeste projecten die gericht waren op ondersteuning van traditionele, goed gevestigde structuren en processen van democratische systemen veel succesvoller waren dan projecten waarin geprobeerd werd om nieuwe, tranformatieve democratische manieren en middelen te gebruiken [Abramson e.a. 1988; Tsagarousianou e.a 1998]. |
Politieke informatie
|
|---|
De informatie- en communicatietechnologieën van het internet maken het in de eerste plaats mogelijk dat een bijna onbeperkte hoeveelheid informatie op brede schaal beschikbaar gesteld kan worden tegen lage kosten en in zeer korte tijd. In de tweede plaats bieden zij de mogelijkheid om op brede schaal en wereldwijd interactief te communiceren met iedereen die op internet is aangesloten. Ten derde kunnen gigantische hoeveelheden informatie worden opgeslagen, geselecteerd, bewerkt en gemanipuleerd.
Politieke informatie kan via internet op een eenvoudiger en goedkoper manier toegankelijk worden gemaakt. Burgers die toegang hebben tot internet kunnen op elk tijdstip informatie opvragen over praktisch elk onderwerp waarin zij geïnteresseerd zijn. Daarbij kan men in het bijzonder denken aan:
De nieuwe internettechnologieën maken het enerzijds mogelijk dat burgers rechtstreeks hun informatie betrekken bij overheidsinstanties, politieke partijen, en sociaal-politieke bewegingen. Met name van overheidsinformatie mogen burgers verwachten dat deze van een kwalitatief hoog niveau is en dat de informatie actueel is. Burgers zullen in de toekomst waarschijnlijk nog veel hogere eisen stellen aan aan de kwaliteit en actualiteit van de door overheden geboden informatie via internet.
Anderzijds maken diezelfde technologieën het mogelijk dat politieke partijen en volksvertegenwoordigers zich laten informeren door hun feitelijke of potentiële achterbannen, door met hen in debat te gaan, en vooral naar hen te luisteren (onder het motto van het oude chinese spreekwoord: "wie spreekt, leert niets nieuws"). Of zoals Jakob Kohnstamm, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in zijn lezing over De informaile burger [1994] al opmerkte: "Essentieel is het verkleinen van de afstand is het voorkomen van eenrichtingsverkeer: geen elektronische scheepstoeters van de overheid naar de burgers over hoe ze zich moeten gedragen, maar grote elektronische oren om te horen wat burgers willen, wat ze er van vinden."
De burgers zelf krijgen tenslotte de beschikking over een heel skala van nieuwe mogelijkheden voor groepsvorming rond meer of minder geïsoleerde of juist gegeneraliseerde politieke thema's. Het kan zijn dat deze nieuwe verbanden minder langdurig zijn dan de traditionele bindingen aan de grote klasse- of volkspartijen. Maar daarom hoeven deze nieuwe politieke groepsverbanden nog niet minder hecht, betekenisvol en effectief te zijn.
Politieke communicatie |
|---|
McLuhan had zeker ongelijk met zijn stelling 'the medium is the message', hoe vaak deze frase ook is aangehaald. Communicatiemedia zijn gegeneraliseerde technische instrumenten die onder de meest uiteenlopende omstandigheden kunnen zorgen voor de overdracht van de meest uiteenlopende inhoudelijke informatie van willekeurige zenders naar willekeurige ontvangers. Communicatiemedia zijn dus onverschillig ten opzichte van de specificiteit van hun gebruik. Computergemedieerde communicatienetwerken kunnen evengoed gebruikt worden voor de verspreiding van diepe filosofische wijsheden als voor de propaganda van de meest primitieve sentimenten, ze kunnen het produktieve wetenschappelijke gesprek evengoed stimuleren als de ruil van pornografische plaatjes of een terroristische samenzwering.
De digitale computernetwerken zijn een supermedium in embrionale vorm. Het internet kan bijna alle communicatiemedia die we tot nu toe kennen in zich te verenigen en daaraan ook nog extra functies toevoegen. Het bijzondere van de digitalisering is namelijk dat alle informaties in de meest eenvoudige elementaire bouwstenen (bits) worden opgesplitst, onafhankelijk van de vraag of het om taal, schrift, geluid, beelden, video, tekeningen (en zelfs tactiele en olfactorische) communicatievormen gaat. Door de digitale gelijkvormigheid van de informatievorm wordt het mogelijk de functioneel verschillende signaalsystemen die tot dan toe (temporeel of functioneel) gescheiden waren te integreren. Door deze transformatie van de in communicatieprocessen gebruikte signalen in een uniforme, digitale informatievorm, is de grondslag gelegd voor drie nieuwe fenomenen:
|
De technologieën die het contact tussen veel zenders en één ontvanger mogelijk maken zijn op een veel primitiever niveau gebleven dan de ‘een-op-velen’ technologieën van traditionele massacommunicatie. Net als in de oertijden voltrekt de naar boven gerichte communicatie in instellingen zich nog steeds in de vorm dat de afzonderlijke leden klappen voor een spreker, in het voor- of tegenstemmen of in het participeren in een moeizame klachtenprocedure. In all deze gevallen is de hoeveelheid informatie die zij transporteren uiterst gering (bij stemmingen is het slechts een bit). De articulatie van de politieke voorkeuren van burgers wordt vaak belemmerd door het feit dat zij zich in een volledig ander medium voltrekt als waarin informatie van boven naar onder wordt verzonden. Dat geldt ook voor de horizontaal-multilaterale communicatietechnologieën, die meerdere zenders met meerdere ontvangers verbinden. Als men voor het internet-tijdperk in een groep van 100 leden iedereen iets wil meedelen aan iedereen, dan moesten er zo'n 10.000 brieven worden rondgestuurd. Dat was ondoenlijk, maar in met moderne internet-technologieën is een gestructureerde discussie tussen 100 en meer deelnemers denkbaar en uitvoerbaar geworden.
Het ideaalbeeld van een politieke openbaarheid is een openbaarheid die (a) door alle geciviliseerde burgers wordt gedragen, (b) die elkaar ongeacht al hun andere toegeschreven kenmerken zoals etniciteit, religie, sociale klasse erkennen als gelijke onder gelijken, (c) die in een gezagsvrije ruimte een publieke discussie met elkaar aangaan, (d) teneinde een verstandige consensus te realiseren. De opkomst van georganiseerde partijen en grote instellingen alsmede de centralisatieprocessen in pers, radio en tv hebben ertoe geleid dat de participatiekansen steeds ongelijker zijn verdeeld en dat het openbare debat steeds meer vervangen wordt door de in propagandistisch opzicht 'gepubliceerde opinie', die met de normale burger alleen nog rekening houdt als passieve, af en toe tot 'acclamatie' opgeroepen ontvanger. |
Sinds de opkomst van de boekdrukkunst hebben de 'een-naar-velen' technologieën altijd gedomineerd. De opkomst van de massapers in de 19e eeuw en de radio en televisie in de twintigste eeuw heeft deze eenzijdigheid van communicatietechnologieën alleen maar verder versterkt. De enige technologie die de decentrale-interactieve communicatie heeft ondersteund was de telefoon. Deze heeft echter niet bijdragen aan de facilitering van socialiseringsprocessen omdat zij op grond van haar objectieve technische eigenschappen eigenlijk uitsluitend voor diadische dialogen gebruikt wordt. Omdat het diadische communicatierelaties structureel isoleert, heeft het waarschijnlijk vele socialiseringsprocessen belemmerd en dus eerder bijgedragen aan de depolitisering van de bevolking.
Het internet wordt door sommigen opgevat als een eigensoortige vorm van niet-institutionele politiek - als een autonome ruimte voor belangenbehartiging en conflictregulering. Het internet kan echter alleen een ruimte voor niet-gemanipuleerde openbaarheid worden wanneer er voldaan wordt aan drie normatieve voorwaarden van democratische openbaarheid:
Het feitelijk gebruik van het internet volgt in lang niet alle gevallen het gelijkheidsprincipe. Door de structuur van onderlinge verwijzingen zijn er nieuwe hiërarchieën ontstaan.
Het internet wordt nog te vaak gebruikt om een diffuus publiek aan te spreken en overtuigingspolitiek te bedrijven die niet uitnodigt tot serieuze discussie. Echte discussies worden meestal gevoerd in nieuwsgroepen, discussiefora en chatboxes.
|
Onze verre voorouders hebben de overgang meegemaakt van een orale cultuur zonder schrift waarbij de klanken fungeerden als medium van informatieoverdracht naar een cultuur van het geschreven woord. Zij zagen voor het eerst dat informatie ook kan worden vastgelegd en vermenigvuldigd, zonder dat de kennisproducenten zelf steeds in persoon en actief aanwezig hoeven te zijn bij de degegen aan wie deze kennis wordt overgedragen. Wij moeten leren om te gaan met de mogelijkheden van telecommunicatie waardoor het collectieve geheugen zodanig wordt uitgebreid, dat wij kunnen voortbouwen op bijna alles wat voorgangers ons hebben nagelaten. De mogelijkheden om informatie te cumuleren, te structureren en op te slaan zijn bijna onbeperkt. En daarin ligt het probleem van de informatie-overvloed besloten.
Door de overvloed aan politiek relevante informatie op internet zal de behoefte aan het agregeren, categoriseren en toelichten van en het verwijzen naar die informatie alleen maar toenemen. Informatie krijgt pas betekenis na selectie op basis van geëxpliciteerde selectiecriteria en binnen specifieke normatief-politiek en pragmatisch-economisch gedefiniëerde interpretatiekaders. |
Het internet kan ook worden opgevat als een aanvulling op en uitbreiding van de institutionele politiek. Daarbij gaat het vooral om het leggen van verbindingen tussen de openbaarheid die via het internet tot stand komt en de via het partijenstelsel en de parlementaire democratie geïnstitutionaliseerde openbaarheid. Het internet kan gebruikt worden om de transparantie van politieke processen en inhoudelijke voorstellen te vergroten. De uitkomsten van internet-discussies kunnen door politieke vertegenwoordigers gebruikt worden voor hun uiteindelijke beslissingen.
Tenslotte zou het internet-discours ook kunnen worden opgevat als een uitbreiding van de communicatieve mogelijkheden van niet-institutionele politiek. Voor deelnemers aan sociale en emancipatoire bewegingen is internet een communicatieve ruimte waarin zij hun politieke opties en plannen kunnen bespreken, ervaringen uitwisselen en informatie aan elkaar doorspelen. Door ‘globaal te communiceren’ en ‘lokaal te handelen’ kunnen sociale bewegingen hun openbaarheid aanzienlijk uitbreiden. Hier ligt het eigenlijke potentieel van de internet-openbaarheid: het schept nieuwe communicatieruimtes voor processen van menings- en besluitvorming van sociale, emancipatoire en nationale bewegingen, die op hun beurt de institutionele politiek kunnen aanvullen en corrigeren.
Politieke activiteiten |
|---|
Kenmerkend voor de wereld van de lokale staten is dat de realisering van politieke doelstellingen en van de rechtstoepassing in laatste instantie kunnen steunen op het vermogen om fysiek geweld uit te oefenen. In de informatieruimte van het internet is de empirische geldigheid van regels en normeringen echter alleen afhankelijk van instemming zij kan niet direct met dwang worden gesanctioneerd. De sancties blijven symbolisch. Daarom is het maar de vraag of de internetruimte een plaats is om definitieve beslissingen te nemen waaraan de betrokkenen zich niet kunnen onttrekken. Exit is altijd mogelijk de kosten die verbonden zijn aan intreding en uittreding zijn uiterst gering. In tegenstelling tot lokale staten heeft het internet altijd een uitgang.
Elektronische gemeenschappen onderscheiden zich van territoriale dwang- of solidariteitsgemeenschappen door hun onverbindendheid en het daaraan gerelateerde gebrek aan lokale sociale gevolgen van hun (louter) communicatieve handelingen. Internetgemeenschappen zijn virtueel en kunnen dus ontkoppeld zijn van lokale of organische politiek. Het probleem van de politieke informatieruimte is niet zozeer dat er een operationeel centrum ontbreekt, maar dat het zo moeilijk is harde grenzen te trekken. Natuurlijk worden er ook op het internet bepaalde grenzen afgebakend door naamgeving (domein-systeem), clustervorming van adressen, speciale passwoorden, toegangstarieven en software protocollen. Elk stuk van het virtuele land in cyberspace hoort iemand toe en iedere eigenaar heeft het recht om van bezoekers een identificatie of toegangstarief te verlangen. Maar de grenzen van deze cyberruimte zijn zeer relatief ze zijn poreus, gemakkelijk te ontwijken en zeer tijdelijk.
De politiek die op het internet gemaakt wordt concentreerde zich daarom in eerste instantie vooral op politieke menings- en wilsvorming, dus op de voorbereiding van beslissingen en niet zozeer op het beslissingsproces zelf (op verkiezingen, referenda e.d.) of op de implementatie van politieke besluiten. Elektronische netwerken zijn dus nog geen ruimtes waar politieke beslissingen worden genomen die collectief bindend zijn. De politiek op het internet concentreert zich op voorlichting en propaganda, op het initiëren van acties, protesten en petities, op discussies over actuele politieke onderwerpen en programma's van belangenorganisaties, sociale bewegingen, burgerinitiatieven en partijen. Internet is dan misschien nog geen plaats voor algemene democratische politieke beslissingen, maar zij is bij uitstek een plaats voor de meest uiteenlopende vormen van communicatie, zonder welke de beslissingen ondemocratisch en ineffectief zijn.
De informatieruimte van het internet wordt dus vooral gebruikt om het democratisch gehalte van de menings- en wilsvorming van belangengroepen te verhogen. Internet maakt het mogelijk om doelgericht en interactief te communiceren over belangenbehartiging, politieke programma’s en specifieke afwegingen van actuele politieke alternatieven. De kern van de zaak is dat open elektronische netwerken bijzonder geschikt zijn voor interactieve vormen van politieke communicatie in alle richtingen: van ‘een-op-een’ tot ‘velen-op-velen’ . Dat is alleen een ergernis voor politieke elites die trachten hun privileges te handhaven door vast te houden aan de conventionele distributieve vormen van politieke communicatie (de klassieke 'een-op-velen' communicatie van de elite naar de achterban).
Directe en representatieve democratie |
|---|
| In een representatieve of indirecte democratie worden alle of de belangrijkste collectieve beslissingen genomen door representanten van de stemgerechtigde bevolking die in een vrije en geheime stemming zijn gekozen en na verloop van een vaste periode kunnen worden vervangen door andere vertegenwoordigers. In een directe democratie worden de beslissingen niet genomen door de volksvertegenwoordigers, maar door de betrokken burgers zelf. |
De communicatiemogelijkheden die het internet biedt kunnen echter zowel worden ingezet voor directe besluitvorming als voor het kiezen van volksvertegenwoordigers. In zijn adviesaanvraag aan de Raad voor het Openbaar Bestuur [29 augustus 1997] legde de minister van Binnenlandse Zaken Korthals direct het dilemma op tafel: de nieuwe media bieden niet alleen nieuwe kansen voor de representatieve democratie, maar ook bedreigingen.
|
De zeggenschap van burgers over zaken die hen direct raken kan worden versterkt door ontwikkeling en toepassing van software waarmee complexe beslissingen gesimuleerd kunnen worden. Complexe politieke beslissingen worden gekenmerkt door een niet op voorhand transparante samenhang tussen een groot aantal processen en factoren, het moeilijk exact kunnen definiëren van de randvoorwaarden, het opereren met normatieve en kwalitatieve afwegingscriteria, het niet kunnen uittekenen laat staan doorrekenen van alle alternatieve scenario's, en - last but not least - de beperkte mogelijkheden om de gevolgen van alternatieve keuzes in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen. In beslissingsprogrammatuur kunnen de voorwaarden, afwegingscriteria en effecten van politieke keuzes in kaart worden gebracht. Met behulp van dergelijke software kunnen burgers zelf een beter inzicht krijgen in de eigenaardigheden van politieke besluitvorming. |
Het traditionele argument tegen directe democratie was altijd dat het in hoogontwikkelde samenlevingen ondoenlijk is om alle burgers bijeen te brengen om over de publieke zaak te discussiëren en te stemmen: de omvang van moderne staten maakt een face-to-face vergadering van al hun burgers onmogelijk. Tegenwoordig kan echter in principe iedereen die op internet is aangesloten discussiëren en stemmen over politieke onderwerpen. Zelfs wanneer individuen ruimtelijk sterk verspreid zijn, kunnen interactieve massadiscussies worden gevoerd. De nieuwe uitdaging voor directe democratie ligt in het feit dat het nu technisch mogelijk is geworden.
Dat betekent niet dat sterke vormen van directe democratie de politieke partijen op den duur overbodig zouden maken. Zoals meestal gaat het om het vinden van een werkbaar en in democratisch opzicht effectieve balans tussen directe en vertegenwoordigende vormen van democratie.
Stemmen via internet
|
|---|
In steeds meer landen is internet een onmisbare factor in de verkiezingsstrijd geworden. Het internet werd bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen vooral gebruikt voor online fundraising. Daarbij bleek dat de gemiddelde e-donor aanzienlijk meer geld in de verkiezingskas stort dan de traditionele contribuanten met bankcheques. Ook het werven van vrijwilligers is gemakkelijker via het internet. De Republikeinse partij verstuurde tijdens hun campagne een record aantal van miljoen emails (en dat alleen maar omdat ze niet beschikten over de andere 122 miljoen adressen).
Men hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat het internet ook een steeds belangrijker rol zal gaan spelen in het feitelijke verkiezingsproces. Elektronisch stemmen via het internet was tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 alleen maar mogelijk bij de voorverkiezingen in Arizona. De leden van de democratische partij van Arizona konden via internet beslissen wie de partij zou gaan vertegenwoordigen in de landelijke verkiezingsstrijd. Deze verkiezing was een enorm succes. Zo'n 35.000 mensen stemden traditioneel, terwijl 40.000 democraten online stemde, waardoor het totale aantal stemmers verdubbelde. En dat is nu precies wat een aantal politici angst inboezemt: een dergelijke 'quantum leap in turnout' betekent namelijk ook dat zeer veel mensen die niet voor hen stemmen, nu wel gaan stemmen op andere kandidaten.
| Dick Morris was twee decennia een intieme vriend en adviseur van Bill Clinton. Tijdens de presidentiële verkiezingscampagne van 1966 was hij de belangrijkste politieke strateeg van Clinton. Vanwege een seksschandaal met een prostitue werd hij gedwongen af te treden, maar hij bleef de president adviseren tot januari 1998. Hij werkt tegenwoordig als media commentator en is medeoprichter van de website www.vote.com (en de Engelse zuster-site: www.vote.co.uk), dat online stemmingen organiseert over een breed skala politieke onderwerpen. De inzet van zijn site is niet alleen het stimuleren van online stemmen tijdens verkiezingen, maar om ook te stemmen wanneer er geen verkiezingen zijn. Stemmen via internet hoeft zich niet te beperken tot een handeling die om de twee of vier jaar plaatsvind, maar die elke keer georganiseerd kan worden wanneer er iets belangrijks gebeurt (referenda). |
| "Als wij niet zelf kiezen voor de invoering van elektronische interactie met burgers, bijvoorbeeld in de vorm van referenda, dan zal de markt het doen. Zoals ook nu de politieke besluitvorming beinvloed wordt door de uitkomsten van opinieonderzoek, zo zal straks de macht van wie het snelste de 'mening van het publiek' weet te openbaren enorm toenemen, in de mate waarin dat het relatief tijdrovende afwegingsproces van 'appels en peren' in het parlement ondergraaft. De stelling is dus: Het ontbreken van checks en balances in de publieke meningsvorming vergroot het gevaar van Nederlandse Berlusconi's" [J. Kohnstamm, Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, 1994: De Informaile Burger]. |
Bij de implementatie van internetverkiezingen moet uiteraard zeer zorgvuldig te werk worden gedaan en rekening worden gehouden met aspecten beveiliging, betrouwbaarheid, privacy en authenticiteit. Het fundamentele probleem dat moet worden opgelost is het tegelijkertijd realiseren van twee ogenschijnlijk tegenstrijdige eisen: het waarborgen van het stemgeheim en volledige verifieerbaarheid van de uitslag (absolute ballot secrecy + full auditability of the voting system). Deze paradox kan niet worden opgelost door een eenvoudige combinatie van bestaande cryptografische primitieven. Hiervoor zullen nieuwe cryptografische protocollen ontworpen moeten worden (zoals bijvoorbeeld gebeurt in het CyberVote-project van de Europese Commissie). De beveiligingsproblemen zijn op dit moment nog aanzienlijk groot. Alle kiezers zouden vooraf een persoonlijke code moeten aanvragen die gebruikt moet worden bij het online stemmen. Het stemverkeer via internet zelf moet zo zwaar mogelijk worden beveiligd om te voorkomen dat hackers stemmen ongeldig maken door berichten te verminken, of de stemmen zelf te vervalsen. Dat is niet eenvoudig omdat de servers waar de stemmen verzameld worden voortdurend bereikbaar moeten zijn. Als openbaar elektronisch netwerk blijft internet kwetsbaar. Mensen die om een of andere reden verkiezingen willen saboteren, zullen altijd pogingen ondernemen om een server zoveel te bestoken dat deze overbelast raakt en de burgers hun stem niet kunnen uitbrengen. Sceptici zeggen dat bij online verkiezingen de privacy van de stemmers gevaar loopt, controlemogelijkheden ontbreken en hertellingen onmogelijk zijn zodra de integriteit van het verkiezingsproces in het geding komt (gezien de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 is dit geen denkbeeldig risico meer). De risico's van online verkiezingen wegen echter niet op tegen de voordelen, zoals snelheid, betrouwbaarheid van resultaat, slechten van stembarriès voor bejaarden, zieken en gehandicapten.
|
Het online-stemsysteem dat ontwikkeld wordt is gebaseerd op een uitermate veilig protocol waardoor de verkiezingsuitslag geverifieerd kan worden ten opzichte van de uitgebrachte stemmen. Het project bestudeert ook de kiesweten die van kracht zijn in de deelnemende landen. Daarmee worden nadere eisen vastgesteld waaraan het stemsysteem moet voldoen. (Het Nederlandse kiesrecht vereist bijvoorbeeld nog steeds dat de burger zich in het stemlokaal moet kunnen legitimeren, ook al wordt dit in de praktijk zelden gevraagd. Bovendien dient de burger te stemmen in het bij zijn woning gelegen stemlokaal.) Er nemen twee academische partners deel: de Katholieke Universiteit Leuven uit België en de Technische Universiteit Eindhoven uit Nederland. De TU/e is gekozen vanwege de expertise op het gebied van cryptografie en informatiebeveiliging. Met de vernieuwende cryptografische protocollen zal het mogelijk zijn om de stemmers te authentiseren en om hun stemgeheim te waarborgen (zowel bij het versturen van hun stem over het internet, als bij het tellen van de stemmen en het achteraf controleren van de uitslag). CyberVote moet stemmers in staat stellen om hun stem volledig in vertrouwen uit te brengen: het stemgeheim blijft tijdens en na de verkiezingen gewaarborgd en alle ingediende stemmen worden meegeteld in de einduitslag. Hoe speciale cryptografische protocollen helpen om deze tegenstrijdige doelen (garantie van privacy van stemmers én correctheid van verkiezingsuitslag) tegelijkertijd te realiseren, wordt onder andere uitgewerkt in het artikel van Berry Schoenmakers (Technische Universiteit Eindhoven). CyberVote wordt ontworpen voor gebruik in onder andere lokale, regionale, nationale en Europese verkiezingen en zal in 2003 worden getest door middel van een aantal proefverkiezingen in Duitsland, Frankrijk en Zweden. Bij deze proefverkiezingen zullen meer dan 3000 stemmers worden betrokken. Het CyberVote-project streeft ernaar het democratisch proces te verbeteren door meer stemmers te laten deelnemen, en daardoor een groter aantal stemmen te realiseren. De verwachting is dat online-stemmen kan leiden tot een grotere opkomst van burgers bij lokale, regionale, nationale en eventueel federatieve, internationale of thematische verkiezingen. In het project wordt onderzocht in welke mate online-stemmen daadwerkelijk de deelname aan verkiezingen beïnvloedt. CyberVote wil het uitbrengen van een stem vergemakkelijken. Dit is met name van belang voor mensen die zich moeilijk kunnen verplaatsen (ouderen, zieken), die tijdens de verkiezingsdag op reis zijn, of die in het buitenland wonen. Het systeem van CyberVote stelt deze mensen in staat hun stem uit te brengen zonder het bekende stemlokaal te bezoeken. Bovendien leidt dit waarschijnlijk tot een aanzienlijke daling van de kosten van het verkiezingsproces. In Nederland kost het traditionele stemmen naar schatting fl. 16,- per uitgebrachte stem. De verwachting is dat dit door elektronisch stemmen kan worden teruggebracht tot fl. 1,60 per stem. |
| Voordelen van Elektronisch Stemmen | |
|---|---|
| Makkelijker | voor gemeenten: zijn af van veel romslomp: vorderen en inrichten van stemlokalen tot aan het werven van vrijwillgers die een hele dag achter de tafel willen zitten en het nauwkeurig tellen van stemmen. voor kiezers: kunnen vanaf thuis, het werk of waar dan ook stemmen. Verlaging drempels voor mindervaliden, bedlegerigen en zieken. Het internet brengt het stemhokje bij de kiezer thuis. Elektronisch stemmen is bovendien niet gebonden aan sluitingstijden. |
| Flexibeler | Elektronisch stemmen kan voor diverse soorten verkiezingen worden ingezet. Uitgebreide mogelijkheden van gewogen stemmen, het uitbrengen van meerdere stemmen, anti-stemmen, passiestemmen, het herroepen van een stem. |
| Goedkoper | Met huidige technologie kosten verkiezingen fl. 16,- per uitgebrachte stem, met elektronisch stemmen kan dit worden gedecimeerd tot fl. 1,60. |
| Informatiever | Op een beeldscherm van een computer kan veel meer informatie worden aangeboden dan op papier of op een stemmachine. Via internet kan bijvoorbeeld achtergrondinformatie worden verstrekt over programma's van politieke partijen, een economisch-fiscale, sociaal-politieke, cultureel-ethische, lokale of globale vergelijking tussen deze programma's, stemadviezen van deskundigen of gerespecteerde organisaties, stemgedrag van kandidaten. |
| Vergroting participatie | Grotere toegankelijkheid van stemproces voor potentiële stemmers die niet regelmatig aan verkiezingen deelnemen. Veel mensen die nu niet gaan stemmen, zullen elektronisch wel stemmen. Zij hoeven alleen maar verbinding te maken met het elektronisch stemlokaal. |
| Risico's van Elektronisch Stemmen | |
| Manipulatie van apparatuur | Onrechtmatige beïnvloeding van verkiezingsuitslag door manipulatie van apparatuur. Het gebruik van thuiscomputers bij verkiezingen staat niet onder toezicht van het stembureau. |
| Overbelasting | Moedwillige overbelasting van het netwerk om daarmee het verkiezingsproces te verstoren (bijvoorbeeld middels een 'distributed denial of service attack'). |
| Dwang en Omkoping | Mogelijkheden van (georganiseerd) stemmen onder dwang of het (georganiseerd) kopen van stemmen. Bijvoorbeeld gezinshoofden die namens hun gezin stemmen. |
Overheidsbestuur en dienstverlening |
|---|
Internettechnologieën kunnen niet alleen worden gebruikt om processen van politieke menings- en besluitvorming te faciliteren, maar ook om de bestuurbaarheid van de overheid zelf te vergroten. Moderne netwerktechnologieën kunnen op diverse bestuurlijke terreinen worden ingezet: de interne bedrijfsvoering van de overheid, de bestuurlijke samenhang tussen en binnen overheidsinstellingen, de interactieve beleidsvorming (met inspraak van bewoners, stadgenoten en staatgenoten), het management van die instellingen en de continue controle op de uitvoering van het beleid. De belangrijkste wijziging in de interne organisatiestructuur van de overheid ligt in de overgang van een functioneel sectorenmodel naar een doelgroepenmodel dat zich richt op de vragen en behoeften (van bepaalde groepen) burgers [Bekkers 2001].
|
|
|
|
Censuur |
|---|
|
|
Haatgroepen |
|---|
Net als andere media kan internet voor diverse doeleinden worden gebruikt. Er zijn gelukkig veel mensen die internet gebruiken om normen van geweldloosheid en tolerantie te verspreiden. Maar er zijn ook mensen die in hun leven dermate ontregeld en gefrustreerd zijn dat zij kwaadwaardige intolerantie en gewelddadige haat propageren. Haatgroepen zijn groepen die oproepen tot de meest uiteenlopende vormen van discriminatie: van racisme, seksisme, homofobie, anti-semitisme, anti-islamisme, authoritarisme, tot aan het 'beautycism'. Ook ultra-rechtse groeperingen maken gebruik van het internet om hun gevaarlijke vooroordelen, stereotyperingen en leugens te verspreiden.
Door de relatief lage toegangskosten functioneert het internet als een megafoon die over de hele wereld gehoord kan worden. Daarom is internet voor vaak minuscule, maar uiterst militante haatgroepen een middel bij uitstek om hun haatdragende en gewelddadige emoties te etaleren en acties te entameren. Daar komt bij dat in de Verenigde Staten bijna alles wat consequente democraten als haatdragende discriminatie beschouwen met rust wordt gelaten door een beroep op het 'first amendment' dat de vrijheid van meningsuiting beschermd.
|
Als teenager werd hij een actieve racist en richtte een neo-nazistische groep White Youth Alliance op. Nadat hij afgestudeerd was op de Louisiana State University richtte hij de Knight of the Ku Klux Klan op en lanceerde hij een publiciteitsoffensief dat resulteerde in een grote ledenaanwas voor de KKK. Duke wilde de KKK een meer respectabel imago geven. Hij wist de hand te leggen op een televisie-netwerk waarin hij een subtiele vorm van racisme predikt. Op handige wijze worden problemen zoals illegale immigratie en positieve actie misbruikt om propaganda voor blanke superioriteit te maken. In 1980 wordt Duke uit de KKK gezet en richt hij de "National Association for the Advancement of White People" (NAAWP) op, die hijzelf omschreef als een Klan zonder jurken. De NAAWP presenteert zichzelf als een "white rights" organisatie die opkomst voor de blanke belangen en rechten op dezelfde manier als de NAACP opkomt voor de "Advancement of Colored People". Het racisme wordt op subtiele wijze in pseudo-wetenschappelijke en sociologische termen geserveerd. Duke adviseert zijn achterban om nooit direct te refereren aan raciale superioriteit of inferioriteit, maar alleen te spreken over 'raciale verschillen'. Ondanks enig tegengepruttel van nationale leiders, slaagde Duke erin om voor de Republikeinse Partij een zetel te verwerven in de Louisiana State Legistature. Hij verwierp officieel racisme, maar bleef wel Nazi-literatuur verkopen en Joden verwijten dat zij alle andere culturen vernietigen. Bijna slaagde hij erin om zich in de Senaat (1990) en in het gouverneurschap van Lousiana (1991) te laten verkiezen. In 1992 deed hij zelfs nog een gooi naar het presidentschap. Hij verliet daarna de officiële politieke arena, maar concentreerde zich op verspreiding van zijn haatdragende gedachten via oude en nieuwe media. Inmiddels heeft David Duke het internet omarmd als een sleutel voor de toekomst van de blanke superioriteitsbeweging. De aanstaande 'blanke revolutie' wordt volgens Duke op het internet geboren. Hij verwacht dat het internet "een wereldwijde revolutie van blanke trots zal vergemakkelijken". Duke gelooft dat door het internet de controle van zijn vijanden over de 'blanke media' zal verdwijnen.
|
Gelukkig zijn er ook goede tegeninitiatieven van de grond gekomen. In Hate Groups: Watch Them - Fight Them staan de sites waarin de haatgroepen in kaart worden gebracht en waarin acties worden voorgesteld om deze vervuiling van het internet te bestrijden. Denk niet dat een ander het wel voor je zal doen.
Het Simon Wiesenthal Center (SWC) heeft een website ontwikkeld die als een digitale rots in de branding van de haatgroepen staat. Het SWC is een internationale joodse mensenrechtenorganisatie. Zij houdt de herinnering aan de Holocaust levend door het stimuleren van tolerantie en wederzijds begrip door participatie in de gemeenschap, van opvoeding tot verdraagzaamheid en sociale weerbaarheid tegen discriminatie. Het SWC opereert wereldwijd en onderhoud sinds 1991 een eigen Task Force Against Hate met actuele informatie over conferenties, trainingen, publicaties en met achtergrondverhalen over "The Making of a Skinhead". Het pronkstuk van het SWC is het Museum of Tolerance. Bezoekers kunnen indrukwekkende digitale exposities bezichtigen, een educatief centrum bezoeken met bronnen over Holocaust en de 2e Wereldoorlog, met duizenden teksten en nog veel meer foto's. Voor leraren is in het museum van de tolerantie een aparte hoek ingeruimd waar onderwijsonsteunende bronnen zijn opgeslagen. Het Institute of Documentation in Israel presenteert belangrijke historische documenten over anti-semitisme en de Holocaust. In de bibliotheek en archieven van het SWC kunnen tienduizenden documenten ontsloten worden. Inclusief de mogelijkheid om direct met overlevenden van de Holocaust te communiceren. Daarnaast biedt de site de mogelijkheid om een aantal uitstekende boeken en CD-ROMs te kopen. Een aparte sectie met veel gestelde vragen (en antwoorden) en contact informatie ontbreken evenmin als de lijst met nuttige links.
Het SWC is niet de enige organisatie die de strijdt aanbindt met mensen en groepen die het internet gebruiken om hun misplaatste frustraties en discriminerende aggressiviteit te propageren. Maar het is wel een organisatie die optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden om informerende, opiniërende, mobiliserende en organiserende activiteiten, functies en processen via internet te faciliteren. De grootste kracht van het Simon Wiesenthal Centrum is precies dat wat het talent van haar naamgever kenmerkte: het vermogen om uiterst preciese informatie over de Jodenvervolging zodanig te presenteren dat hierdoor ook andere anti-discriminatoire groepen worden aangesproken.
Informatiebronnen |
|---|
| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |