Eigenaardigheden Home Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact

Virtuele Gemeenschappen English Version

— Bouwstenen voor een sociologie van het internet —

dr. Albert Benschop

Tijd voor revisies
Geen tweedehands wereld
Netwerken van de toekomst
Sociale aanwezigheid
Kwantiteit schept kwaliteit
Traditionele & virtuele gemeenschap
Politieke gevolgen
Face-to-face of Virtueel?
Referenties
Gerelateerde teksten
Index Zichzelf-organiserende netwerken
Index Peer-to-peer: netwerken van vrienden
Index Flitsmeute: happening voor internetters

Tijd voor revisies en nieuwe concepten

De analyse van virtuele netwerken en gemeenschappen heeft sociale wetenschappers voor aanzienlijke problemen gesteld. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het begrippenapparaat waarmee zij lokale netwerken en gemeenschappen te lijf gaan niet goed is toegesneden op de ontcijfering van hun virtuele tegenhangers. Een aantal kernbegrippen uit de sociologische traditie is daarom toe aan een grondige revisie. Dit geldt niet alleen voor de begrippen sociale relatie en netwerken van sociale relaties, maar ook begrippen als gemeenschap, organisatie en groep. Bovendien is het nodig een aantal nieuwe begrippen te introduceren om vat te krijgen op de eigenaardigheden van sociale figuraties die zich volledig of primair via het internet reproduceren. Dit geldt voor begrippen als 'virtuele relatie', 'virtuele gemeenschap', en 'teleaanwezigheid'. Het zijn belangrijke bouwstenen voor een sociologie van het internet.

Hieronder wordt een poging gedaan om een begin te maken met deze revisie. In het centrum van deze analyse staan de verschillen en overeenkomsten tussen direct persoonlijke ('face-to-face')relaties en computergemedieerde sociale relaties. Daarbij aansluitend worden overeenkomsten en verschillen tussen traditionele en virtuele gemeenschappen onder de loep genomen.

virtuele gemeenschap Er zijn de laatste jaren vele studies verricht over virtuele gemeenschappen. Daaruit kunnen drie algemene conclusies worden getrokken. Ten eerste dat de ontwikkeling van virtuele gemeenschappen voor een deel verklaard kan worden als reactie op de desintegratie van de traditionele, lokale gemeenschappen die verankerd waren in vrij of goedkoop toegankelijke 'third places' zoals kroegen en kerken, parken en pleinen, straathoeken en markten. Ten tweede dat virtuele gemeenschappen min of meer spontaan ontstaan wanneer voldoende mensen elkaar min of meer regelmatig tegenkomen in de 'third places' van cyberspace, zoals chat rooms, discussiefora en conferentiesystemen. Ten derde dat de leden van virtuele gemeenschappen online bijeenkomen om zo ongeveer alles te doen wat anderen in hun lokale sociale wereld doen. Het enige opvallende verschil is dat de leden van virtuele gemeenschappen meestal alleen interacteren en communiceren via teksten, geluiden en/of beelden die als digitale informatie via internet worden verspreid en via hun computers verschijnen.

De onderzoeksagenda's van de cybersociologen staan echter nog vol met lastige open vragen:

Index Geen tweedehands wereld

'Virtuele gemeenschap' is een indicatieve term: het is een verzameling mensen die 'virtueel' een gemeenschap vormen in plaats van een werkelijke gemeenschap in de nostalgische zin van het woord.

Het idee van een virtuele gemeenschap moet niet worden afgedaan als een technologische, cyberpunk-fantasie waarin mensen steeds meer in leven 'tweedehands werelden' [Mills 1959]. In werelden waarin zij, geketend aan hun computerschermen, het leven ervaren via een dehumaniserende technologie in plaats van door menselijk contact en intimiteit. Dat is de negatieve utopie waarin de mens bestuurd en geknecht wordt door 'de technologie' in plaats van omgekeerd.

Een virtuele gemeenschap is een gemeenschap die uitsluitend of primair ontstaat door computergemedieerde communicatie. De pionier van het sociologisch onderzoek naar online gemeenschappen, Howard Rheingold [1993:5] definieerde virtuele gemeenschappen als "sociale aggregaties die vanuit het internet ontstaan wanneer voldoende mensen voldoende lang publieke discussies voeren, met voldoende menselijk gevoel, om netwerken van persoonlijke relaties in cyberspace te vormen."

In deze definitie ligt de nadruk op de relatieve duurzaamheid van de communicaties via het internet en ontbreekt een ruimtelijke dimensie. Rheingold gebruikt een biologische analogie om de gemeenschap binnen cyberspace te beschrijven. Hij vergelijkt een virtuele gemeenschap met het model van een petrischaal:

De gemeenschappen in cyberspace zijn gedeeltelijk ontstaan als reactie op het verdwijnen van informele publieke ruimtes in het lokale leven en gedeeltelijk door de pioniersgeest van netsurfers die tot de virtuele gemeenschap werden aangetrokken omdat de interactie met andere mensen op een volledig nieuw niveau plaats vindt. Het internet is een van de grootste door mensen creëerde netwerken. Zij maakt het mogelijk dat mensen met gelijksoortige belangen, interesses, hobbies of politiek-culturele oriëntaties elkaar met slechts een paar muisklikken kunnen bereiken. Zij is het snelste en meest effectieve manier om het grootste aantal mensen te bereiken.

Hoe sterk zijn de bindingen binnen virtuele gemeenschappen?

Howard Rheingold [1993] The Virtual Community: Homesteading on the Electronic Frontier. New York: Addison-Wesley. Zie ook Rheinhold's Virtual Worlds: Communities and Realities.

Index Netwerken van de toekomst

Netwerkanalyses zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten. Sommige netwerktheoretici sluiten direct aan op de ruiltheoretische benadering van Blau, terwijl anderen voortbouwen op de oudere sociometrische benaderingen, de recentere communicatietheoretische benaderingen of op de meer empirisch georiënteerde cultureel-antropologische onderzoekstraditie. Meer recent is belangstelling voor het scale-free model van Barabási, waarin de basismechanismen van zichzelf organiserende netwerken centraal worden gethematiseerd en het accent ligt op de machtsvorming in netwerken ('hubs'). Het netwerkconcept kan dus in zeer uiteenlopende theoretische referentiekaders worden gebruikt.

Wie in de huidige sociologische literatuur naar een heldere afbakening van het begrip netwerk zoekt, moet zich op een teleurstelling voorbereiden: het netwerk begrip zelf is allesbehalve eenduidig. De reden daarvoor is niet alleen dat het netwerkconcept vanuit zeer diverse theoretische optieken wordt gethematiseerd. Het onderzoeksobject zelf lijkt in de laatste jaren aanzienlijk van karakter veranderd te zijn. Omdat de praktijk van onze persoonlijke sociale relaties en de netwerken van deze sociale relaties zich wijzigt, ligt het voor de hand de vraag op te werpen of het netwerp-concept niet zelf aan een grondige revisie toe is.

Het is in de sociologie gebruikelijk om netwerken te definiëren als een specifiek niveau van sociale handelingsintegratie. Minder gebruikelijk is het om een helder analytisch onderscheid te maken tussen drie niveaus van sociale handelingsintegratie: maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau. In het elektronisch boek Naar een nieuwe economische sociologie is dit analytisch model uitvoerig behandeld vanuit een transformationeel perspectief [zie ook: Bader/Benschop 1988:61; Benschop 1993:75 e.v.]. Volgens het transformationele model van handelingsanalyse is het sociaal handelen van menselijke individuen ingebed of geïntegreerd in drie contexten:

  1. in netwerken van persoonlijke relaties (interactionele handelingscontext),
  2. in patronen van organisationele relaties (organisationele handelingscontext)
  3. in structuren van meer omvattende maatschappelijke verhoudingen (maatschappelijk handelingscontext).
Het interactionele integratieniveau omvat sociale handelingen die zich voltrekken in directe sociale aanwezigheid van actoren: face-to-face interactie en persoonlijke conversatie. De inbedding van sociaal handelen in netwerken van persoonlijke relaties is dus dus slechts één —en niet op voorhand het belangrijkste— niveau van handelingsintegratie.

Niveaus van maatschappijanalyse Systeemniveau Handelingsniveau
Maatschappelijk niveau Omvattend sociaal systeem Maatschappelijk handelen
Organisationeel Organisaties Organisationeel handelen
Interactioneel Directe sociale interactiesystemen:
dyadische sociale relaties & netwerken
Interactioneel of rolhandelen
Bron: Benschop [1993:79]

Er is tot nu toe altijd van uitgegaan dat het interactionele niveau van handelingsintegratie fysieke nabijheid veronderstelt: persoonlijke interactie zou alleen maar mogelijk zijn wanneer er sprake is van een directe tijd-ruimtelijke verbinding tussen minstens twee personen ('copresence'). Alleen in deze situatie zouden de twee kenmerkende eigenschappen van persoonlijke interactie volledig tot hun recht kunnen komen: rijkdom van informatiestroom ('media richness') en facilitatie van terugkoppeling ('feedback'). In de klassieke formulering van Erving Goffmann werd deze conditie van 'copresence' als volgt geformuleerd:

In moderne netwerktheoriën wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen twee typen van sociale relaties: (a) dyadische of paarsgewijze relaties: relationele inbedding; (b) netwerken van sociale relaties: structurele inbedding. Netwerken van sociale relaties komen tot stand middels institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen. Hieruit ontstaan relatief duurzame sociale verplichtingen, zoals respect & piëteit; genegenheid, vriendschap, liefde; trouw, steun, loyaliteit, collegialiteit en kameraadschap.

Sociale sluiting De posities die mensen in interactienetwerken innemen zijn de resultante van twee nauw op elkaar aansluitende sociale processen:

Door deze beide vormen van sociale discriminatie worden de uitgeslotenen beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden materiële en immateriële voordelen.

Sociale discriminatie leidt tot selectieve associaties tussen mensen die beschikken over een gelijksoortig bronnenpotentieel en tot patronageverhoudingen tussen mensen die niet over een gelijksoortig bronnenpotentieel beschikken. Selectieve associaties zijn netwerken van sociale relaties tussen gelijken. De transacties in de sociale relaties tussen - ongeveer - gelijken berusten op wederkerigheid en zijn - ten minste op de lange duur - ongeveer complementair of gelijk. Bekende voorbeelden van selectieve associaties zijn exclusieve bindingen tussen familieleden en verwanten, persoonlijke vriendschapsrelaties en vriendenkringen, intieme erotische en liefdesrelaties, gemeenschappen van dorps-, buurt-, straat- en huisgenoten, bindingen tussen jaargenoten op scholen en universiteiten, professionele bindingen tussen beroepsgenoten, collegiale bindingen tussen bedrijfsgenoten. In de sociologische traditie worden deze selectieve associaties meestal 'gemeenschappen' genoemd.

Gemeenschappen zijn relatief duurzame, min of meer geïnstitutionaliseerde, maar niet noodzakelijk geformaliseerde interactienetwerken van individuen die eenzelfde of gelijksoortige sociale positie innemen of die dezelfde of gelijksoortige belangen of verlangens nastreven. Het zijn kringen van persoonlijke relaties tussen individuen die elkaar persoonlijk kennen of gemakkelijk kunnen ontmoeten. Deze netwerken van sociale relaties ontstaan niet alleen in maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen of in primaire interactiegroepen zoals families, maar ook binnen en in aansluiting op formele organisaties, betrekkingen tussen organisaties, ruilrelaties enzovoort. Face-to-face interacties en interactienetwerken ontstaan niet alleen quasi spontaan, maar zijn ook het resultaat van een specifieke activiteit, relatie-arbeid. Relaties worden gezocht en aangeknoopt, op- en uitgebouwd, gekoesterd en instandgehouden, uitgebreid en geïnstitutionaliseerd. Dit kan zowel bewust en gericht gebeuren, maar ook min of meer terloops en onbewust.

Het lidmaatschap van een gemeenschap komt tot uiting in twee factoren:

  1. De feitelijke participatie in de sociale interacties die typerend zijn voor de betreffende gemeenschap. Dit is vooral van belang in bedrijfs- en beroepsgebonden associaties, in gezins- en buurtrelaties en in vriendenkringen. Men is lid van een gemeenschap in die mate dat men daadwerkelijk deelneemt aan de activiteiten die kenmerkend zijn voor het karakter en reproductiewijze van de gemeenschap.

  2. De feitelijke acceptatie binnen de sociale relaties: wie tot een bepaalde gemeenschap behoort wordt door andere leden van deze gemeenschap als gelijke geaccepteerd ('referentiegroep'). Dit was de ratio van Warner's gemeenschapsbenadering: de leden van sociale gemeenschap hebben 'intieme toegang tot elkaar' en zij hebben 'intieme kennis van elkaar'.
Sociale relaties en gemeenschappen zijn altijd ook nuttige verbindingen die specifieke beloningen impliceren, zoals vertrouwen en emotionele steun, maar ook materiële ondersteuning. Mensen zijn om zeer uiteenlopende reden lid van een bepaalde gemeenschap. Het lidmaatschap van geloofsgemeenschappen is meestal overwegend traditioneel gemotiveerd (piëteit met het geloof van de ouders). Het lidmaatschap van vriendenkringen is meestal primair affectief gemotiveerd (sympathie voor bepaalde personen). Zo kan het lidmaatschap van politieke gemeenschappen primair normatief gemotiveerd zijn (legitimiteit van bepaalde doelstellingen) of juist primair utilitair (goed voor het eigen belang). In werkelijkheid hebben mensen meestal samengestelde en soms tegenstrijdige motieven om zich met een bepaalde gemeenschap te verbinden.

Aan het saamhorigheidsgevoel dat zo kenmerkend is voor een gemeenschap liggen dus meerdere motieven ten grondslag. Het gebruik van de sociale relaties die in een gemeenschap zijn verdisconteerd, impliceert altijd ook een specifieke utilitaire oriëntatie, namelijk de bereidheid om deze relaties te benutten om particuliere —persoonlijke of groepssspecifieke— voordelen te behalen [Boissevain 1974:154]. De gemeenschapsrelaties en de personen die daarin participeren worden dus altijd tot op zekere hoogte —bewust, voorbewust of onbewust— strategisch geobjectiveerd, ook al komen de gemeenschappen niet uitsluitend of hoofdzakelijk om utilitaire redenen tot stand. Net als in emotionele en erotische verhoudingen is hier de strategische objectivering van de Ander bijzonder opvallend: 'partners' worden 'objecten'. Personen worden tot waterdragers of stijgbeugels, nuttige idioten, of tot lust- of liefdesobjecten. In alle menselijke betrekkingen vind men aspecten van een dergelijke strategische objectivering terug. Dit is alleen maar een schandaal voor wie gelooft in het idee van 'relaties om wille van zichzelf' (dit naïeve idealistische concept is slechts de keerzijde van het beperkt burgerlijke egoïsme). Vanuit een normatief-democratisch perspectief is het schandaal echter niet dát men anderen 'gebruikt' of 'benut', maar wanneer dit structureel asymmetrisch gebeurt. Het verlenen van 'vriendendiensten' is zelfs een kernelement van elke vriendengemeenschap.

De combinatie van computer- en telecommunicatietechnologieën heeft geleid tot revolutionaire tijd-ruimtelijke verdichting: versnelling van de tijd en contractie van de ruimte. Hierdoor zijn volledig nieuwe mogelijkheden voor directe persoonlijke interactie en communicatie ontstaan. Bijna alle vormen van interactie en communicatie kunnen via op het internet aangesloten computers verlopen. Door deze computergemedieerde communicatie wordt de oude premisse van de 'co-presentie' voor persoonlijke sociale relaties en netwerken in toenemende mate achterhaald.

"One of the factors that will drive videoconferencing into the mainstream is that it saves on travel expenses. However, what really separates the teleconference from the conference call, what makes videoconferencing so provocative, is the whiteboard. This particular application can be used to mutually manipulate charts and graphs, or to effectively communicate some other visual, such as the x-ray ..." [Danielle M. Underferth]
Interacties die vroeger face-to-face verliepen zullen steeds meer door computers worden gemedieerd. Sociale interactie en communicatie kunnen digitaal worden gerepliceerd. Met de huidige internettechnieken kunnen zowel tekst, geluid als beeld op een geïntegreerde wijze digitaal worden gedupliceerd en gedistribueerd.

Voor directe sociale interactie zijn twee elementen van essentieel belang: stem en gelaatsuitdrukking. Zij zijn bepalend voor het gevoel van sociale aanwezigheid van de ander en van het reciproke gevoel door de ander geaccepteerd te worden. Door de gedigitaliseerde hereniging van gezicht met stem wordt fysieke nabijheid zo goed als werkelijk, dus virtueel gesimuleerd. De aanwezigheid van de communicatiepartner wordt in ieder geval ervaren als sociale werkelijkheid. Virtuele communicatie via het internet biedt steeds betere mogelijkheden om (het gevoel van) sociale aanwezigheid te creëren. Hierdoor zullen de grenzen tussen face-face en computergemedieerde interacties steeds meer vervagen (zonder overigens helemaal te verdwijnen).

Niet alle vormen van socialisatie zijn via digitale media overdraagbaar. Ondanks alle experimenten die er in deze richting worden ondernomen kunnen wij elkaar via computers niet echt ruiken en voelen. Voorzover 'aanraken' via complexe computerapparatuur wel mogelijk is ('cybersuits'), kan dit bij lange na niet tippen aan de hoge sensibiliteit van onze tastorganen. Vooral bij intieme persoonlijke relaties is dit een enorme handicap. Zolang televoelen en teleruiken onmogelijk of uiterst beperkt zijn, wie verlangt er dan naar 'televrijen'.

Computers kunnen direct menselijke interacties nooit volledig mediëren om de eenvoudige (maar zeer essentiële) reden dat computers geen menselijk lichaam hebben. Mensen weten bepaalde dingen omdat zij een menselijk lichaam hebben. Geen enkel organisme dat geen menselijk lichaam heeft kan deze dingen weten op de zelfde wijze dat mensen ze weten. Uit de discussies over kunstmatige intelligentie kan men opmaken dat tevens de cruciale reden is waarom computers nooit echt intelligent kunnen zijn. Omdat zij geen menselijk lichaam hebben, kunnen zij de typisch menselijke ervaringshorizon niet dupliceren.

Wat ruik je lekker ...
Van alle diersoorten heeft de mens zo ongeveer het slechtste reukvermogen. Dat betekent echter niet dat ons reukvermogen onbelangrijk is of ondergeschikt is aan de andere zintuigen waarmee wij het contact met de buitenwereld tot stand brengen en waarmee wij ons op de wereld om ons heen oriënteren.

Uit experimenten is gebleken dat babies van drie weken oud in al in staat zijn om het T-shirt van hun moeders feilloos uit een berg ongewassen kleren te selecteren, louter door te ruiken. Uit andere experimenten blijkt hoe enorm belangrijk de lichaamsgeur is bij het selecteren van mensen die we leuk, aardig of lief vinden. Leg aan mensen foto's voor van andere mensen en vraag met welke persoon zij een avondje zouden willen uitgaan. De antwoorden die men geeft blijken niets te maken te hebben met de 'schoonheid' van de mensen op de foto's, maar alles met de subtiele geuren die tijdens het bekijken van de foto's onopgemerkt in de kamer worden verspreid.

Of wij iemand leuk, aardig of aantrekkelijk vinden wordt in sterke mate bepaald door de geur van die persoon. Vanuit dit inzicht is het niet verwonderlijk dat er rond de parfum zo'n uiterst lucratieve industrie is ontstaan. En misschien verklaart dat ook wel mede het succes dat het boek van Patrick Süskind, Het Parfum, zo'n wereldwijd succes werd.

Mensen kunnen elkaar alleen maar ruiken wanneer zij lijfelijk in een ruimte aanwezig zijn en hun lichamen zich relatief dicht bij elkaar bevinden. Tot nu toe waren we alleen onder deze condities in staat de lichaamsgeuren van een ander te ruiken. De vraag is of wij ook in staat zullen zijn om via computers geuren te verspreiden en te ruiken. Kan de wereld van de geur worden toegevoegd aan de mens-machine interactie?

Ik kan je ruiken Volgens RealAroma is dit inmiddels mogelijk. Wat we hiervoor nodig hebben is een RealAroma Drive en ATML (Aroma Text Markup Language). Met behulp van deze twee (hard- en software) instrumenten zouden we in realtime via het Internet reuksensaties kunnen uitwisselen. Zelfs bezitters van een 14.4k baud modem zouden kunnen genieten van de goddelijkste geuren omdat alle geurconversies lokaal plaatsvinden in de RealAroma Drive. De foto van deze drive ziet er zeer realistisch uit: een kastje met daarop drie reageerbuisjes met basisgeuren, plus het gepatenteerde 3-Vile-syteem dat volgens de instructies uit de ATML-code preciese hoeveelheden van die drie geuren door elkaar mengt tot een uniek ruikend gas, dat aan de voorkant van het apparaat naar buiten kringelt. We kunnen nu eindelijk ons neus gebruiken bij het communiceren, onder het motto 'surf and smell'.

De enige beperking lijkt te zijn dat het server beta programma alleen werkt op Mac en HP UX besturingssystemen en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het ooit op Windows95 zal werken. Bovendien was er zoveel vraag naar dit nieuwe produkt dat het voorlopig niet meer mogelijk is om nieuwe bestellingen te plaatsen. Dat is jammer. Maar het is nog veel vervelender dat het hier slechts om een aardig gepresenteerde grap gaat.

Als we onze vrienden en vriendinnen willen ruiken, zullen we het op de ouderwetse manier moeten doen. We zoeken ze op, gaan er zo dicht mogelijk bijstaan en halen diep adem met onze mond dicht. "Goh, wat ruik jij weer lekker..." In het tijdperk van elektronische, computergemedieerde communicatie is dit natuurlijk wel een erg primitieve vorm van communiceren. Maar wie zou het willen missen?

Met deze beperkingen in het achterhoofd moet men constateren dat we aan het begin staan van de ontwikkeling van nieuwe, computergemedieerde netwerken. Het sociologisch begrip van (netwerken van) persoonlijke sociale relaties is toe aan een grondige revisie. Het moet zodanig worden 'opgerekt' dat computergemedieerde interacties en communicaties daarin een volwaardige plaats krijgen. Dat kan alleen wanneer de klassieke sociologische vooronderstelling van de lijfelijke 'copresence' wordt losgelaten. Mensen kunnen tegenwoordig ook direct met elkaar interacteren en communiceren wanneer zij niet gelijktijdig in een en dezelfde fysieke ruimte aanwezig zijn.

De essentie van het interactionele niveau van handelingsintegratie is niet de directe lijfelijke aanwezigheid, maar de sociale aanwezigheid, dat wil zeggen het vermogen van een communicatiemedium om groepsleden het gevoel te geven van de aanwezigheid van een actor waarmee men direct ('interactief') kan communiceren. Sociale aanwezigheid komt niet alleen tot stand door lijfelijke 'copresence' maar kan ook door computergemedieerde 'telepresence' [Minsky 1980] worden gegenereerd.

Het wordt tijd om het Thomas theorema toe te passen op virtuele gemeenschappen.

Omdat de meeste mensen het Web tegenwoordig als iets reëels beschouwen, moet men volgens het Thomas theorema verwachten dat het ook werkelijke gevolgen heeft. Het websociologisch onderzoek concentreert zich op de virtuele sociale realiteit en haar effecten op lokale samenlevingsverbanden. Er wordt vaak gezegd dat het sociale leven op het internet een weerspiegeling is van de 'echte' samenleving. Dat is maar tot op zekere hoogte waar. De virtuele samenleving die door het internet wordt gefaciliteerd vormt een eigensoortige sociale werkelijkheid met een eigenaardige structuur en dynamiek. Het is de natuurlijke opdracht van de netsociologie om de structurele en dynamische eigenaardigheden van deze virtuele werkkelijkheden te identificeren en te analyseren.

De nieuwe sociale werkelijkheid van elektronische communicatie is virtueel ('just like reality'). Virtuele netwerkers delen dezelfde hallucinatie als andere bewoners van de internetgemeenschap. Virtuele relaties en gemeenschappen bestaan echt. Voor sommige mensen hebben zij veel grotere effecten op hun alledaagse doen en laten dan hun lokale persoonlijke relaties of traditionele gemeenschappen.

Index Sociale aanwezigheid

De begrippen 'interactie', 'sociale relatie', 'netwerk' en 'gemeenschap' zijn aan een grondige revisie toe. De essentie van deze revisie is het loslaten van de traditionele sociologische vooronderstelling dat gelijktijdige aanwezigheid binnen een fysieke ruimte een exclusief definiërend kenmerk is van sociale interactie. Door de tussenkomst van moderne telecommunicatietechnologieën is 'co-presentie' binnen eenzelfde fysieke ruimte geen noodzakelijke conditie meer voor directe sociale interactie. Het is voldoende wanneer de deelnemers aan de interactie sociaal aanwezig zijn en beschikken over een communicatiemedium waardoor zij de aanwezigheid van de andere deelnemers kunnen ervaren. Dit communicatiemedium kan een face-to-face bijeenkomst zijn binnen een fysieke ruimte, maar het kan evenzeer een videoconferentie zijn waarin deelnemers 'telepresent' zijn. Telepresentie is de subjectieve ervaring van het in eenzelfde omgeving aanwezig zijn, zelfs wanneer men fysiek van elkaar gescheiden is [Witmer/Singer 1998].

Het opschorten van ongeloof
Fantasie speelt een belangrijke rol in de ervaring van aanwezigheid in virtuele omgevingen. Ons voorstellingsvermogen stelt ons in staat om ons in te leven in romans, toneelstukken, films of online conversaties. Lezers hebben het vermogen om een zodanige houding aan te nemen dat zij bereid zijn te vergeten dat een roman het literair product is van de fantasie van de auteur zodat zij de fictieve wereld van het boek kunnen voorstellen als een autonome werkelijkheid die door solide opbjecten en individuen met een lichaam wordt bevolkt. Samuel Taylor Coleridge [1847] noemde dit "willing suspension of disbelief". Het stelt lezers in staat om zich in iets te verliezen wat zij anders zouden beschouwen als 'shadows of imagination'. In de virtuele wereld komt deze bereidheid om het ongeloof op te schorten tot uiting in de perceptuele illusie van de ongemedieerdheid van computergemedieerde ervaringen.
Aanwezig zijn is de ervaring van het betrokken zijn op de representaties van een virtuele wereld. Nieuwe multimediale en interactieve technologieën zoals virtual reality en videoconferentie zijn juist ontworpen om de gebruikers van deze media de illusie te geven dat een gemedieerde ervaringen niet gemedieerd is: "the perceptual illusion of nonmediation" [Lombard/Ditton 1997]. De technologisch gemedieerde ervaringen lijken zo natuurlijk en de communicatiepartner lijkt zo dichtbij en aanwezig dat men reageert alsof het medium er niet is. Aanwezigheid is het gevoel onderdeel te zijn van de omgeving welke door het medium gecreëerd wordt een geen onderdeel te zijn van de fysieke omgeving die de mediagebruiker omringt. Via het internet treden gebruikers in een virtuele omgeving waarin zij tijdelijk geloven dat zij in een andere wereld verkeren dan hun lichamen [Slater/Usoh 1993:222].

'Telepresence' in de ogen van Gilles Francescano Telepresentie is het gevoel dat je feitelijk 'daar' bent op een verwijderde plaats van handeling; virtuele presentie is het gevoel of je aanwezig bent in de omgeving die door de computer wordt gecreëerd [Minsky 1980:256; Biocca/Levy 1995; Held/Durlach 1992].

Traditionele media zoals de telefoon, film, radio en televisie genereren een veel lager niveau van aanwezigheid dan het multimediale en interactieve internet. Communicatiewetenschappers hebben hierop al veel eerder gewezen. In hun studie over de sociale psychologie van telecommunicatie kwamen Short, Williams en Christie [1976] tot een bijna identieke conclusie. Het verschil is dat zij ook e-mail beschouwen als een communicatiemedium via welke de sociale aanwezigheid tot stand kan komen. E-mail ontbeert juist de mediarijkdom en directheid van interactie die nodig is om het gevoel van sociale aanwezigheid te wekken (e-mail is een asynchrone communicatievorm). Media rijkdom refereert aan de mate waarin een communicatiemedium kan voorzien in directe terugkoppeling, het aantal gebruikte signalen en kanalen, achtergrondsignalen, en socio-emotionele inhoud in een communicatiesessie [Daft/Lengel 1986; Rice 1992]. De eigenaardige mogelijkheden en beperkingen van asynchrone communicatie via tekstuele berichten worden uitvoerig geanalyseerd in: Communiceren via e-mail.

Communicatiemedia verschillen van elkaar in de mate waarin zij sociale aanwezigheid faciliteren. Bij een videoconferentie kunnen via meerdere communicatiekanalen verbale, nonverbale en visuele signalen worden uitgewisseld en komt tijdens een communicatiesessie tevens socio-emotionele inhoud tot stand. Communicatie via email is in dit opzicht veel beperkter: het zijn elektronische brieven die hoogstens minimale sociale aanwezigheid kunnen suggereren vanwege de snelheid van deze vorm van communicatie. Maar email communicatie blijft - als men afziet van recente vormen van 'voice-mail' - bestaan uit asynchrone uitwisseling van geschreven woorden, zonder van visuele en auditieve signalen.

Ook videoconferenties kennen hun beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat tijdens conversatie over videoconferentie de luisteraars minder 'onderonsjes' hadden en minder vaak interrupteerden, dat zij het overgeven van het woord niet adequaat anticipeerden en dat de woordovergaves formeel waren [O'Conaill/ Whittaker/Wilbur 1993]. Toch krijgen ook deelnemers aan videoconferenties al snel de indruk dat zij in dezelfde ruimte verkeren en dat de andere deelnemers in die virtuele ruimte sociaal aanwezig zijn.

In face-to-face bijeenkomsten wordt een veel bredere reeks van verbale en niet-verbale signalen uitgewisseld dan bij videoconferenties en genereren hierdoor een grotere mate van sociale aanwezigheid en media rijkdom.

Sociale aanwezigheid is een voorwaarde voor directe communicatie en interactie en deze kan via diverse communicatiemedia tot stand komen. Sommige communicatiemedia faciliteren de sociale aanwezigheid sterker dan andere, omdat zij een rijkere communicatie en snelle interactie mogelijk maken. Essentieel daarbij zijn de mogelijkheden voor (a) uitwisseling van verbale en non-verbale signalen: koppeling van beeld, geluid en tekst via meerdere kanalen, en voor (b) directe terugkoppeling: als conditie voor levendigheid van communicatie.

Zen en de kunst van het vergeten van het medium
Bij een goede film gaan toeschouwers volledig op in de scenes die met lichtstralen op het witte doek worden geprojecteerd. Zij vergeten dat zij in een bioscoop zitten te kijken naar beelden en geluiden die op filmrollen zijn opgeslagen. Hoewel zij op geen enkele manier invloed kunnen uitoefenen op de handelingssequentie van de film, zijn de toeschouwers bereid om hun wetenschap van de feitelijke lokale situatie op te schorten. Deze 'willingness to suspend disbelief' [Coleridge] door de mediagebruiker vormt ook de kern van de virtuele ervaringen die internetgebruikers opdoen. Ervaren deelnemers aan virtuele communicatie zijn bereid om hun wetenschap van de gemedieerdheid van de ervaring te vergeten. Door gedeelde illusie van niet-gemedieerdheid komen in virtuele omgevingen toch autentieke ervaringen tot stand.
    Men moet oppassen met de termen gemedieerde en niet-gemedieerde ervaringen. Strikt genomen worden immers al onze ervaringen gemedieerd door onze gevoels- en waarnemingssytemen. Onder niet-gemedieerde ervaringen wordt hier verstaan: ervaringen die worden opgedaan zonder tussenkomst van technologie. Ook brillen, contactlenzen en gehoorapparaten zijn media die tussen ons waarnemingssysteem en onze omgeving staan.

Zen en de kunst van het boogschieten Het vergeten van het medium vormt ook de kern van de Zen Boedhistische kunst van het boogschieten. De leerlingen krijgen van de Zen meester eerst een boog zonder pijlen. Zij moeten de boog spannen, zonder de snaar los te laten. Op zekere dag besluit de meester dat het tijd wordt om de boog te ontspannen. Nadat het ontspannen van de boog voldoende is geoefend mag de leerling daadwerkelijk met pijlen schieten. De leerling mag echter niet op het doel mikken maar moet 'de pijl zijn doel laten vinden'. Na nog een aantal maanden oefening merkt de leerling dat hij doeltreffend kan schieten. Een volleerd boogschutter vergeet de boog en mikt niet op zijn doel, maar laat de pijl zijn doel vinden. Op het toppunt van perfectie versmelten boog, pijl, doel en boogschutter met elkaar.

Index Kwantiteit schept kwaliteit

Wie geen wiskundige is beleeft meestal weinig lol aan getallen. Zeker niet wanneer die getallen alleen maar uit enen en nullen bestaan. Waarom raken zoveel mensen dan toch opgewonden wanneer zij in feite alleen maar bezig zijn om enen en nullen heen en weer sturen, via het Internet? Als men überhaupt kan zeggen dat de virtuele werkelijkheid een fysiek bestaan heeft, dan is zij opgebouwd uit gigantische reeksen enen en nullen. Het internet is 'gemaakt van kwantiteit' maar manifesteert zich aan haar deelnemers als een serie signalen — teksten, beelden, geluiden — waaraan wij kwalitatieve betekenissen toekennen, waarmee we lol kunnen beleven, waarvan we kunnen leren, waarover wij opgewonden kunnen raken, waardoor we zelfs verliefd kunnen raken. Dit zou men de metafysica van cyberspace kunnen noemen.

Is dat een andere metafysica dan die van de film? Wanneer je naar de bioscoop gaat om een naar film te kijken gebeurt het vaker dat je meeleeft met een van de hoofdpersonen, dat je schrikt wanneer die hoofdpersoon in gevaar is, dat je blij bent wanneer deze verliefd wordt, en dat je in verwarring raakt als je niet precies weet hoe het zal aflopen. Kortom: je hebt allerlei soorten gevoelens, ook al is het een virtuele ervaring. De persoon waarmee je meeleeft is een acteur of actrice die in werkelijkheid nooit in gevaar is. De gevoelens die op het scherm worden geprojecteerd worden geacteerd, het zijn gespeelde gevoelens. In werkelijkheid zit je alleen maar in een bioscoop te kijken naar een film die met grote snelheid door een projector wordt gespoeld.

De grondslag van al onze virtuele ervaringen is de menselijke fantasie. Middels ons voorstellingsvermogen kan iets dat niet helemaal waar is worden omgevormd tot iets dat waar lijkt. 'Dromen zijn bedrog, maar als ik wakker wordt dan zie ik je nog'. De computers waarmee we op het internet inhaken zijn droommachines. We produceren er nieuwe werkelijkheidsvormen mee die alleen maar tussen onze oren bestaan en pas tot uiting komen in de effecten die deze dromen hebben op ons lokale sociale leven. Bijna alles waar we ons lichaam niet voor nodig hebben kan met de droommachine worden gedupliceerd: we kunnen virtueel communiceren en interacteren, spelletjes spelen en discusiëren, we kunnen virtueel trouwen en scheiden, verjaardagen vieren en treuren om de dood van onze geliefden. Omdat we ons lichaam thuis achter onze computer laten zitten, kunnen we zelfs veel meer. De wetten van de fysica lijken in de virtuele wereld niet te werken. Daarom kunnen ons sneller dan de bliksem verplaatsen over de hele aardbol en daarbuiten, kunnen we door massieve muren heenlopen en naar het diepste van de grootste oceanen afdalen. In de computergemedieerde fantasiewereld van cyberspace is eigenlijk alles mogelijk waarvoor we niet ons lichaam (en het daarin verankerde reuk- en tastvermogen) nodig hebben. In deze virtuele wereld kan (bijna) alles door de gebruikers worden geherprogrammeerd.

Index Traditionele en virtuele gemeenschappen

De meeste mensen hebben een natuurlijke affiniteit met de gemeenschap [Cooley 1903]. We worden geboren en opgevoed in een gezins- en familiegemeenschap, we wonen in lokale gemeenschappen van de straat, de buurt, de wijk, het stadsdeel of het dorp, we worden opgeleid op schoolgemeenschappen, we werken in bedrijfs- en afdelingsgemeenschappen, we belijden ons geloof in een religieuze gemeenschap, we vieren feest met gemeenschappen van vrienden en bekenden, we spreken binnen een taalgemeenschap, en we particieren in meer omvattende gemeenschappen van de territoriale staat, de Europese statengemeenschap en de wereldgemeenschap. Het structurele proces dat tot gemeenschapsvorming leidt is communicatie: zonder communicatie kan er geen sociaal handelen zijn dat leidt tot een gemeenschappelijke organisatie van onze sociale relaties. Dit betekent ook dat nieuwe communicatietechnologieën gebruikt kunnen worden om reeds bestaande gemeenschapsvormen te transformeren of geheel eigensoortige gemeenschapsvormen te ontwikkelen.

Het is inmiddels een sociologische gemeenplaats dat het traditionele gemeenschapsbegrip problematisch is. Het traditionele begrip gemeenschap refereert aan een reeks sociale relaties die opereren binnen specifieke — etnische, religieuze, linguistische — grenzen of geografische lokaliteiten. Zo'n gemeenschap wordt gekenmerkt door een organische betekenis van communiteit, broederschap, gezin en gewoonte en door een binding die gebaseerd is op begrip, consensus en taal. Kortom: traditionele gemeenschappen worden gekenmerkt door directe sociale interactie, een gedeeld waardensysteem en een gedeeld symboolsysteem [Vliet/Burgers 1987].

Het begrip gemeenschap speelt al veel langer een rol in de discussies over 'de goede samenleving'. Maatschappij wordt daarentegen gekenmerkt door een vorm van hyper-individualisme waarin relaties tussen mensen mechanisch, vergankelijk, en contractueel georiënteerd worden. Tönnies [1887] introduceerde het onderscheid tussen maatschappij ('Gesellschaft') en gemeenschap ('Gemeinschaft'). Dit laatste aspect van sociale relaties plaatste hij in de context van moderniteit en de voortdurende degeneratie van traditionele sociale structuren. De processen van urbanisatie en industrialisatie zouden leiden tot de vernietiging van de gemeenschap en dus van de traditionele communiteit, zekerheid en intimiteit.

GemeenschapMaatschappij
Directe persoonlijke relaties:
geografisch beperkte, directe sociale interactie
Verzakelijkte, contractuele relaties:
mechanische relaties of marktrelaties
Gemeenschapsgevoel: intimiteit Individualisme: zakelijkheid
Collectieve identiteit Rationele belangenverbinding
Gemeenschappelijke belangen Concurrende belangen

De moderne communicatietechnologieën bieden nieuwe mogelijkheden voor andere soorten sociale relaties en gemeenschappen. De ontwikkeling van elektronische communicatietechnologieën heeft tijd en ruimte weliswaar niet vernietigd [zoals McLuhan 1964 beweerde], maar wel zodanig gecomprimeerd dat we feitelijk leven in een grenzenloze 'global village'. De internettechnologie verbindt mensen in een nieuw type gemeenschap, in virtuele gemeenschappen. De internettechnologie zelf doet echter niets: zij kan gebruikt worden om mensen verenigen in coherente gemeenschappen van mensen met gelijksoortige belangen of interesses, maar zij kan mensen ook verder atomiseren waardoor zij zich verder terugtrekken in tribalisme.

Computer-mediated communication (CMC) is zowel een interpersoonlijk (een-op-een) communicatiemedium als een een-op-velen en zelfs een velen-op-velen vorm van massacommunicatie. Computergemedieerde communicatie kan grote invloed uitoefenen op de aard van het sociale leven. Dit geldt niet alleen voor onze interpersoonlijke relaties, maar ook voor het karakter van gemeenschappen, netwerken, organisaties en groepen in de samenleving.

Een virtuele gemeenschap omvat alle dimensies van een lokale gemeenschap:

Wat verandert er als mensen via computers met elkaar communiceren? Kunnen we via computers onze emoties wel uiten? Leidt de anonimiteit van communicatie via computers en netwerken tot ongewenste effecten zoals ongeremd en onbeheerst gedrag?

Er wordt vaak gesuggereerd dat communicatie via computers inferieur is omdat het nooit kan tippen aan de communicatiemogelijkheden van een face-to-face-contact. Het is hetzelfde vooroordeel als in de begintijd van de telefoon. Mensen zouden steeds minder direct persoonlijk contact hebben, het hele gezinsleven zou eraan gaan, vriendenkringen zouden uiteenvallen enz. De telefoon zou alleen geschikt zijn voor korte zakelijke berichten en niet voor affectieve, emotionele communicatie.

Het onderzoek naar computergemedieerde communicatie laat echter een heel ander beeld zien. Via computernetwerken is het wel degelijk mogelijk om emoties uit te wisselen en affectieve relaties aan te gaan. Mensen lijken bij computergemedieerde communicatie zelfs een meer socialer gedrag te vertonen en houden zich sterk vast aan groepsnormen [Tom Postmes, 'Social influence in computer-mediated groups', 1997].

Natuurlijk heeft elk medium zijn eigen specifieke mogelijkheden en beperkingen. In computergemedieerde communicatie kunnen niet alle signalen worden uitgewisseld die in face-to-face contacten worden verzonden en ontvangen. Toch is de sociaal-emotionele inhoud van een contact tussen personen relatief onafhankelijk van het medium waardoor dit contact tot stand komt. Of via computernetwerken affectieve, emotionele communicatie mogelijk is, is primair afhankelijk van de sociale contekst, dat wil zeggen van de verwachtingen, normen en waarden van de deelnemers.

Medium is geen doorgeefluik
Het medium waarin wij onze ervaringen opdoen en uitdrukken is in belangrijke mate constitutief voor deze ervaring. Wanneer men zelf op straat wordt beroofd is dit een heel andere ervaring dan wanneer wij een beroving zien in een televisieserie. Diffuse en/of tegenstrijdige ervaringen kunnen we meestal slechts begrijpen door hen eerst te articuleren via een medium, zoals een tekst, een beeld, een muzikale compositie, of een film. Articulatie van ervaringen is voorwaarde voor een discursief begrip ervan.

De verschillende media structureren onze ervaringen telkens op specifieke wijze [McLuhan, Havelock, Ong, Heim]. Media zijn dus geen transparante vensters die uitzicht bieden op onze belevingen, maar voertuigen die onze ervaringen structureren en tot op zekere hoogte constitueren. Een gedachte die tot uitdrukking wordt gebracht in een mondeling gesprek, in een gedrukte tekst, in een radio documentaire of in een web document, wordt telkens op andere wijze gearticuleerd en genereert daarmee in feite telkens een andere ervaring.

Index Politieke gevolgen

Wat zijn de gevolgen voor gemeenschappen en publieke discussies die tot stand komen met gebruikmaking van de internettechnologieën? Het voor de hand liggende antwoord is dat dit afhangt van de manier waarop mensen het internet willen gebruiken en daadwerkelijk gebruiken om de kwaliteit van hun bestaan te verbeteren. Dit antwoord moet minstens op een punt worden gerelativeerd: technologieën zijn nooit neutraal, maar dragen de sporen van de context waarin deze zijn geproduceerd en gecommercialiseerd, en hebben daarom vaak ook politieke en ideologische betekenis. De vorm die een technologie aanneemt en de manier waarop deze geïmplementeerd wordt kan machtsverhoudingen in samenlevingen beïnvloeden: gezag wordt herverdeeld over degenen die met de technologie te maken krijgen. Een eenmaal geadopteerde technologie kan de kans vergroten dat bestaande gezagspatronen worden gereproduceerd, of dat er juist ruimte ontstaat voor nieuwe patronen.

Een technologie moet altijd worden bekeken in de context waarin deze wordt gebruikt. Wanneer virtuele communicatie primair via elektronische post zou verlopen, dan zal dit weinig invloed hebben op de machtsverhoudingen tussen de gebruikers indien andere communicatiemiddelen open blijven. Wanneer echter een groot deel van de bevolking zichzelf op computernetwerken begint te organiseren in virtuele relaties, netwerken en gemeenschappen te vormen, dan kunnen machtsverhoudingen gaan verschuiven of kantelen. In ieder geval is de rest van de bevolking die uitgesloten is van internetgebruik minder in staat om volledig te participeren in alle domeinen van de samenleving.

Er zijn minstens drie barrières voor de verspreiding van het computer- en internetgebruik. Het moet betaalbaar zijn, het moet intellectueel toegankelijk zijn, en er moet tijd beschikbaar zijn om het internet daadwerkelijk te gebruiken. De gevolgen hiervan zijn bekend. De arme en minst geschoolde delen van de bevolking zijn in het nadeel. Zij kunnen de voor virtuele participatie noodzakelijk technologie niet betalen. De negatief geprivilegieerden beschikken veelal niet over de intellectuele en culturele vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het gebruik van het internet. En zij hebben in het algemeen minder tijd beschikbaar om computers en aanverwante apparaten te gebruiken.

Virtuele gemeenschappen zijn niet per definitie globale gemeenschappen zonder enige geografische of etnische afbakening. Er zijn globale virtuele gemeenschappen waarvan de leden daadwerkelijk over de hele wereld verspreid zijn (vaak met uitsluiting van mensen die de Engelse taal niet machtig zijn). Voorbeelden daarvan zijn gemeenschappen van mensen met dezelfde hobby, culturele interesse, professionele specialisatie, neurose, ziekte of seksuele voorkeur. De deelnemers associëren zich met elkaar omdat zij gelijksoortige belangen, interesses of verlangens hebben. Maar er zijn ook lokale virtuele gemeenschappen waarbij de verbondenheid van deelnemers gebaseerd is op geografische nabijheid. Dat zijn virtuele gemeenschappen van straat, buurt-, stads-, dorps- of landgenoten. Zij gebruiken de globale mogelijkheden van het internet voor lokale doeleinden. Zo zijn er ook etnische virtuele gemeenschappen die gedragen worden door mensen die zich door historische of etnische oorsprong verbonden voelen. Zij gebruiken het internet om hun onderlinge contacten te versterken, hun eigen identiteit en klachten te articuleren, om aandacht te vragen voor hun problematiek, en om zo hun praktische bijdrage te leveren aan culturele diversiteit.

Hieruit kunnen twee conclusies worden getrokken. Ten eerste kunnen reeds gevormde lokale of traditionele gemeenschappen worden versterkt en aangevuld door zich ook virtueel als gemeenschap te manifesteren. Zij gebruiken het internet om hun interne relaties te stabiliseren en zichzelf als gemeenschap uit te breiden. Sommige gemeenschapsactiviteiten lenen zich meer voor virtualisering dan andere. De voordelen van het on-line verspreiden van nieuwsbrieven, documenten en tijdschriften liggen voor de hand, evenals de snelle en goedkope mogelijkheden om op afstand met elkaar te communiceren. Ook het peilen van de meningen en het bespreken van beleid of acties kan via het internet veel sneller, efficiëter en democratischer verlopen.

Daarmee komen we op de tweede conclusie: virtuele gemeenschapsvorming is niet alleen een substitutie van lokale gemeenschapsactiviteiten, maar biedt ook mogelijkheden om meer gemeenschapsleden op nieuwe wijze met elkaar te laten interacteren. In virtuele gemeenschappen hoeven mensen niet meer op bepaalde tijdstippen naar vergaderingen toe om te participeren in de discussies en besluitvorming die voor hen van belang zijn. Gemeenschapsleden kunnen op elk door hun gewenst moment hun bijdrage aan het virtuele gebeuren leveren. Discussies in virtuele gemeenschappen kunnen ook zeer levendig zijn, juist omdat mensen in de gelegenheid is om direct op elkaar te reageren. In virtuele gemeenschappen is het voor deelnemers gemakkelijker om hun eigen inzet te bepalen — de participatiegraden en -vormen kunnen sterk uiteenlopen. Alle eerder verzamelde informatie, discussies en antwoorden op veel gestelde vragen kunnen op de website van de gemeenschap in een gebruiksvriendelijke databank worden opgeslagen. Belangstellenden en potentiële leden kunnen zich snel informeren over de gemeenschap. In de meeste virtuele gemeenschappen wordt veel goede ondersteuning geboden aan nieuwe leden. En uiteraard zijn goed ingerichte websites van virtuele gemeenschappen de megafoon met het grootste bereik: iedereen die men wil bereiken is in staat om de virtuele gemeenschap te bezoeken.

Pessimistische futurologen voorspelden dat er wel eens minder behoefte aan face-to-face interactie zou kunnen ontstaan als de populariteit van virtuele communicatie toeneemt. Alle studies tot nu toe laten precies het omgekeerde zien. Naarmate mensen meer gebruik maken van virtuele communicatie worden hun contacten globaler en zijn zij meer bereid en geneigd om elkaar ook lokaal eens te ontmoeten. Sommige lokale communicaties in conventionele gemeenschappen kunnen volledig vervangen worden door virtuele communicatie. Dat hoeft niet te leiden tot een reductie van de gevoelde gemeenschapszin, of tot een ‘duiventil-gemeenschap’ waarbij de leden naar willekeur in- en uittreden.

Het verlaten van een traditionele gemeenschap is vaak emotioneel traumatisch. Men verlaat het ‘warme nest’ of men wordt eruit gestoten. In hechte en betekenisvolle virtuele gemeenschappen verloopt dit vaak niet veel anders. Het voordeel voor uittreder uit louter virtuele gemeenschappen is dat zij een kleine kans hebben ooit nog andere leden van die gemeenschap te ontmoeten. Veel gemeenschappen die hun bestaan primair aan het internet te danken hebben zijn echter niet zo hecht en worden gedragen door een fluctuerende achterban. Het verlaten van zo'n lichte of vluchtige gemeenschap wordt even gemakkelijk als het veranderen van televisiekanaal: men ‘zapt’ van gemeenschap naar gemeenschap.

Hoe stabiel zijn virtuele gemeenschappen en hoe worden conflicten opgelost? De variatie in stabiliteit van virtuele gemeenschappen is minstens even groot als die van lokale gemeenschappen. Toch is het door de lage toegangsdrempels makkelijker om in een virtuele gemeenschap te participeren. Net zoals het door ontbrekende lokale sociale controle en zwak ontwikkelde virtuele sociale controle makkelijker is om niet meer in een virtuele gemeenschap te participeren en dus de facto uit te treden. Vanuit een nostalgische gemeenschapsvisie worden dergelijke geflexibiliseerde internetgemeenschappen te snel afgedaan als sociale kaalslag en verval van gevoelde gemeenschapszin. Maar waarom zouden mensen blijven hangen in een virtuele gemeenschap die hun geholpen heeft om bepaalde problemen op te lossen, of om een tijdelijke interesse te bevredigen? De specifieke doelgemeenschappen die op het internet zijn ontstaan dekken vaak slechts een aspect van de menselijke belangstelling. Hierdoor is ook de bindingskracht van deze virtuele gemeenschappen veel kleiner dan de gemiddelde lokale gemeenschap.

Index Face-to-face of Virtueel?

De face-to-face ontmoeting is het minst complexe maar tegelijkertijd meest informatieve communicatiemiddel. Directe, persoonlijke conversatie kent meerdere niveaus van communicatie. Naast de woorden die gesproken worden zijn er stembuigingen, lichaamstaal en zelfs de specifieke context heeft betekenis. De eerste vormen van virtuele communicatie waren louter tekstuele uitwisselingen via email en chat boxen. Alle niveaus van communicatie moesten worden gereduceerd tot ingetypte teksten.

Emoticon
Een emoticon is een combinatie van karakters op het toetsenbord waarmee emotie wordt uitgedrukt in elektronische post of chat sessies. Het meest bekend zijn:
    -) glimlach
   ;-) knipoog ("Ik maak maar een geintje").

Hoe creatief het gebruik van emoticons kan zijn, blijkt uit deze serie:
  (_!_)  a regular arse
(__!__) a fat arse
   (!)    a tight arse
  (_x_)  kiss my arse
     (_X_)      leave my arse alone
(_zzz_)     a tired arse
(_o^^o_)  a wise arse
 (_13_)     an unlucky arse
(_Y_)   an arse that can't say no

Door dit gebrek aan voldoende signalen ontstond bij gebruikers de behoefte aan expressies van emoties waarmee de taalkloof overbrugd kon worden ('emoticon'). In tekstuele computer-gemedieerde communicatie moeten mensen leren omgaan met afwezige of verschraalde signalen die in gewone face-to-face interactie wel aanwezig zijn. Zij doen dit enerzijds door 'optimale zelfpresentatie', anderzijds door 'geïdealiseerde projectie' of 'overattributie'. In het eerste geval construeren individuen selectieve zelfbeelden, waarmee zij aangeven hoe zij zich aan anderen willen voordoen. In het tweede geval idealiseren zij anderen en fantaseren zij hoe deze eruit ziet. In louter tekstuele virtuele communicaties worden complexe fantasieën gecreëerd op basis van een beperkt aantal signalen. Deelnemers kunnen verstrikt raken in de virtuele werelden wanneer zij hun fantasie gebruiken om gaten in de verhalen en/of beschrijvingen te vullen. Hoe groter de kans is om een imaginaire virtuele wereld te construeren, hoe sterker het gevoel van aanwezigheid zal zijn. Zolang de vertekening van de zelfpresentaties en projecties op anderen niet wordt ondergraven, wordt het gevoel van sociale aanwezigheid versterkt. In de loop der tijd gaan mensen waarde hechten aan hun zelfpresentaties en projecties. Deze verleidingen van het internet worden uitvoeriger geanalyseerd in Sociaalpsychologie van het internet.

Door gedigitaliseerde hereniging van gezicht met stem komt de sociale aanwezigheid steeds dichterbij en wordt fysieke nabijheid zo goed als werkelijk ('virtueel' stamt van het Latijnse vertus, wat waarheid betekent; virtueel is iets dat op waarheid lijkt, het is iets dat niet helemaal waar is, maar wel waar lijkt).

Het is onwaarschijnlijk dat de betekenis van face-to-face communicatie zal afnemen. Zo heeft de toegenomen virtuele communicatie op universiteiten niet geleid tot een daling van reisbudgetten. Integendeel, zodra mensen virtuele contacten in de hele wereld kunnen leggen, ontwikkelen zij ook een sterker verlangen om de collega's waarmee men via computers contact heeft in de niet-virtuele wereld ('live') te ontmoeten. En dat kan alleen wanneer de lichamen worden verplaatst.

Mensen hebben behoefte aan een gevoel van plaats, of deze nu territoriaal wordt begrensd of in de 'plaatsloze' sfeer van de cyberruimte. Virtuele gemeenschappen zijn alleen afgebakend door de specifieke aard van de belangstellingssfeer en de intensiteit van de sociale interacties. Het zijn transnationale en transculturele figuraties die tegenover traditionele noties van collectiviteit als een publieke sfeer lijken te staan. Daarom is het nodig het begrip gemeenschap te herdefiniëren.

Computergemedieerde communicatie heeft een aantal voordelen boven face-to-face communicatie. Het is gemakkelijk om bijeen te komen om synchroon of asynchroon met elkaar te communiceren. Er hoeven dus geen afstanden overbrugd te worden en men hoeft ook niet per se gelijktijdig te communiceren. Bovendien hebben de deelnemers gelijke toegang tot de conversatie (het is in de regel geen 'top-down' communicatie). Tenslotte ontstaan in louter tekstuele virtuele communicaties minder snel vooroordelen over andere personen op basis van hun uiterlijke verschijning.

Communicatie-economisch gezien heeft dit tot gevolg dat mensen sneller bereikt kunnen worden en dat de communicatie efficiënter kan verlopen. De sociale gevolgen zijn echter moeilijker te bepalen. Sommige auteurs vermoeden dat door communicatie via computers de hiërarchische verschillen kleiner worden. Samenwerken op voet van gelijkheid en het delen van informatiebronnen zouden hierdoor worden bevorderd. Bovendien zou er minder ruimte bestaan voor ascriptieve discriminaties. Omdat men in louter tekstuele uitwisselingen elkaars uiterlijke verschijning niet waarneemt, zou in computergemedieerde communicatie geen plaats zijn voor etnisch-culturele vooroordelen. Voor hanerig gedrag van mannen tijdens vergaderingen is in elektronische conferenties veel minder ruimte, waardoor de man-vrouw-verschillen in communiceren zouden verminderen. Kortom: communiceren via de computer zou bijdragen aan de democratisering en solidarisering van intermenselijke relaties.

De sociale effecten van computer-gemedieerde communicatie zijn echter niet zo eenduidig.

De meest waarschijnlijke uitkomst van de ontwikkeling van on-line gemeenschappen is dat de hegemoniale cultuur dominant blijft. Het is naïef om te denken dat de gevestige economische, politieke en technische elites vrijwillig afstand doen van hun dominante positie of willens en wetens de zaadjes van hun eigen vernietiging zaaien. De machts- en afhankelijkheidsverhoudingen van de lokale wereld reflecteren zich in de virtuele wereld.

Door on-line communicatie is een nieuwe, virtuele publieke sfeer ontstaan. Deze publieke sfeer geeft het publiek het gevoel van betrokkenheid, zonder dat dit tot feitelijke participatie leidt. Politieke gemeenschappen komen nu eenmaal niet alleen via discours tot stand. Zij worden veel eerder gevormd of versterkt wanneer er actie nodig is, zoals bij een staking of een oorlog. Burgerschap via cyberspace is dus geen wondermiddel voor het probleem van democratische participatie. De nieuwe gemeenschappen hebben weliswaar een solidariteitsgevoel teweeggebracht, maar zij lijken ook bij te dragen aan de fragmentatie van het sociaal-culturele en politieke leven.

De hoop op en het verlangen naar nieuwe manieren van communicatie is een indicatie van —en misschien ook wel een compensatie voor— het falen van oude en nieuwe technologieën om een rechtvaardige en democratisch-egalitaire samenleving tot stand te brengen. De hoge utopische verwachtingen ten aanzien van computergemedieerde communicatie zijn misplaatst omdat maatschappelijke verandering niet tot stand komt door het veranderen van de technologie, maar door de hervorming van de politieke en sociale contexten waaruit deze technologie voortvloeit.

Index Informatiebronnen

  1. Cyberspace and Web Sociology (SocioSite) - Een uitgebreid overzicht van digitale informatiebronnen over sociologie van het internet.

  2. Amstrong, A. / Hagel, J. [1996]
    The real value of online communities.
    In: Harvard Business Revies, May-June 1996, pp. 134-41.

  3. Bader, Veit/Benschop, Albert [1988]
    Ongelijk-heden — Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen.
    Groningen: Wolters-Noordhoff.

  4. Batinic, Bernad / Reips, Ulf-Dietrich / Bosnja, Michael (eds.) [2002]
    Online Social Sciences.
    Göttingen: Hofrefe & Huber.

  5. Barfield, W. / Weghorst, S. [1993]
    The sense of presence within virtual environments: A conceptual framework.
    In: Proceedings of the fifth International Conference of Human-Computer Interaction, 699-704.

  6. Bauwens, M. [1994]
    What is Cyberspace?
    In: Computers in Libraries, 14 (4), 42-48.

  7. Baym, Nancy, K. [1995]
    The emergence of community in computer-mediated communication.
    In: Jones, S. (ed.) [1995] Cybersociety.
    London: Sage.

  8. Baym, Nancy, K. [2000]
    Tune in, Log on: Soaps, Fandom, and Online Community.
    Thousand Oaks: Sage Publications.

  9. Becker, Barbara/Paetau, Michael (Hg.) [1997]
    Virtualisierung des Sozialen. Die Informationsgesellschaft zwischen Fragmentierung und Globalisierung.
    Frankfurt am Main.

  10. Benedikt, Michael (ed.) [1991]
    Cyberspace: First Steps.
    Cambridge: MIT Press.

  11. Benschop, Albert [1993]
    Klassen - Ontwerp van een transformationele klassenanalyse.
    Amsterdam: Spinhuis. Engelse summary

  12. Berger, Peter L./Luckmann, Thomas [1966]
    The Social Construction of Reality: A Treatise in the Sociology of Knowledge.
    New York: Doubleday & Company.

  13. Biocca, F. / Levy, M.R. [1995]
    Communication in the age of virtual reality.
    Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

  14. Boden, D. / Molotch, H. [1994]
    The compulsion of proximity.
    In: Friedland, R. / Boden, D. (eds.) [1994] Nowhere. Space, time and modernity.
    Berkeley: University of California Press.
    De auteurs laten zien dat het sociale leven momenten van fysieke nabijheid ('proximity') vereist. 'Co-present interactie' is van fundamenteel belang voor sociale interactie. Daarom zal virtueel reizen nooit op significante wijze het fysieke reizen vervangen. Er zijn geen aanwijzingen dat mensen minder betekenis hechten aan 'co-present interaction'. Voor een groot skala van taken is en blijft fysieke nabijheid een noodzakelijke voorwaarde. Zo'n 'dikke' gelijktijdige aanwezigheid brengt rijke, compacte conversaties met zich mee die zich op meerdere niveaus voltrekken. Daarbij gaat het niet alleen om woorden, maar ook om gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en -bewegingen, intonatie van de stem, pregnante stiltes, herinneringen aan conversaties uit het verleden en anticipaties op toekomstige conversaties.

  15. Boissevain, Jeremy [1974]
    Friends of Friends: Networks, Manipulators and Coalitions.
    Oxford.

  16. Butler, B. [1999]
    When is a group not a group: An empirical examination of metaphors for online social structure.
    Pittsburgh: Carnegie Mellon University.

  17. Bühl, Achim [1997]
    Die Virtuelle Gesellschaft. Ökonomie, Politik und Kultur im Zeichen des Cyberspace.

  18. Chayko, Mary [2002]
    Connecting: How We Form Social Bonds and Communities in the Internet.
    Albany, NY: State University of New York Press.

  19. Cohill, A.M.[1997]
    Community Networks.
    London: Artech House Boston.

  20. Coleridge, Samuel Taylor [1847]
    Biographia Literaria. Volume II.
    London: William Pickering.

  21. Cooley, C.H. [1903/1983]
    Social Organization: A Study of the Larger Mind.
    New Brunswick, NJ: Transaction Books.

  22. Daft, R.L./Lengel, R.H. [1985]
    Organizational Information Requirements, Media Richness, and Structural Design.
    In: Management Science 32(5): 554-71.

  23. Gibson, William [1984]
    Neuromancer.
    New York: Ace Books.

  24. Goffman, Erving [1963]
    Behavior in Public Places. Notes on the Social Organization of Gatherings.
    New York: Free Press.

  25. Goffman, Erving [1967]
    Interaction ritual: essays in face-to-face behavior.
    Chicago: Aldine Pub.

  26. Heim, Michael [1993]
    The Metaphysics of Virtual Reality.
    New York: Oxford UP.

  27. Held, R.M. / Durlach, N.I. [1992]
    Telepresence.
    In:Presence, 1(1): 109-12.

  28. Jones, Steven G. (ed.) [1995]
    CyberSociety: Computer-Mediated Communication and Community.
    London: Sage.

  29. Loader, Brian (ed.) [1998]
    Cyberspace Divide. Equality, Agency and Policiy in the Information Society.

  30. Matin, C.[1998]
    Net Future.
    New York: Mc Graw- Hill.

  31. McLuhan, M. [1964]
    Understanding Media: The Extensions of Man.
    New York: McGraw-Hill.

  32. Minsky, Marvin [1980]
    Telepresence.
    In: Omni, pp. 45-51.

  33. Negroponte, Nicholas [1995]
    Being Digital.
    Alfred A. Knopf.

  34. O'Conaill, B./Whittaker, S./Wilbur, S. [1993]
    Conversations Over Video Conferences: An Evaluation of the Spoken Aspects of Video-Mediated Communication.
    In: Human-Computer Interaction 8: 389-428.

  35. Pimentel, Ken/Teixeira, Kevin [1993]
    Virtual Reality: Through the New Looking Glass.
    New York: McGraw-Hill.

  36. Powers, M. [1997]
    How to Program a Virtual Community.
    Emeryville: Ziff Davis Press.

  37. Putnam, R.D. [2000]
    Bowling alone: the collapse and revival of American community.
    New York:Simon & Schuster .

  38. Rheingold, Howard [1991]
    Virtual Reality.
    New York: Summit Books.

  39. Rice, R.E. [1992]
    Task analyzability, use of new medium and effectiveness: A milti-site exploration of media richness.
    In: Organization Science, 2(4): 475-500.

  40. Schutz, Alfred [1962]
    The Problem of Social Reality.
    The Hague: Martinus Nijhoff.

  41. Sheridan, T.B. [1992]
    Musings on telepresence and virtual presence.
    In: Presence, 1(1): 120-6.

  42. Shields, Rob (ed.) [1996]
    Cultures of Internet: Virtual Spaces, Real Histories, Living Bodies.
    London: Sage.

  43. Short, J./Williams, E./Christie, B. [1976]
    The Social Psychology of Telecommunications.
    New York: John Wiley.

  44. Slater, M. / Usoh, M. [1993]
    Representation systems, perceptual position, and presence in immersive virtual environments.
    In: Presence, 2(3): 221-33.

  45. Smith, Marc / Kollock, Peter [1999]
    Communities in Cyberspace.
    London: Routledge.

  46. Tönnies, F. [1887/1988]
    Community and Society (Gemeinschaft und Gesellschaft). (C. P. Loomis, Trans.).
    New Brunswick, NJ: Transaction.

  47. Urry, John [2000]
    Mobility and Proximity [pdf]

  48. Vliet, W. van, & Burgers, J. [1987]
    Communities in Transition: From the Industrial to the Postindustrial Era.
    In I. Altman & A. Wandersman (Eds.), In Neighborhood and Community Environments. New York: Plenum Press.

  49. Walter, Joseph B.

  50. Werry, Chris / Mowbray, Miranda (eds.) [2001]
    Online Communities: Commerce, Community Action and the Virtual University.
    Prentice Hall.

  51. Witmer, Bob G. / Singer, Michael J. [1998]
    Measuring Presence in Virtual Environments: A Presence Questionaire.
    In: Presence 7(3).

  52. Woolley, Benjamin [1992]
    Virtual Worlds: A Journey in Hype and Hyperreality.
    Oxford: Blackwell.

Index


Eigenaardigheden Home Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: November, 1997
Laatst gewijzigd: 29 January, 2006