Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

"Als het mijn vader was had ik hetzelfde gedaan"

—Laatste woord van Mohammed B.—

Op 12 juli 2005 maakt Mohammed B. gebruik van zijn recht op een laatste woord.
Hij sprak op grond van van aantekeningen die hij tijdens de zitting had gemaakt.
Zijn verklaring duurde 13.30 minuten.
Integraal te beluisteren in de Audio en een samenvatting in het NOS-Journaal.

Mohammed Bouyeri tijdens zijn proces. Tekening: ANP - Jan Hensema mr. Udo Willem Bentinck, voorzitter van de strafkamer:
“En dan geef ik het woord aan u.”

Mohammed B.:
“Wauw.”

Bentinck:
“Wat zegt u?”

Mohammed B.:
“Ik heb gezegd ‘wauw’. U heeft mooi geschreven. Mag ik wat zeggen?”

Bentinck:
“Ja.”

Mohammed B.:
“U stelt mij in de gelegenheid om wat te zeggen. En u gaat mij niet onderbreken?”

Bentinck:
"Nee."

Mohammed B.:
“En ik mag mij ook kritisch uiten hiero.”

Bentinck:
“Ja, het is uw laatste woord. U mag zeggen wat u wilt.”

Mohammed B.:
Begint in het Arabisch.

Bentinck:
“Nu moet ik u wel onderbreken. Om de tolk te vragen dit te vertalen.”

Tolk:
Dit is een gebruikelijke tekst als je begint. Hij zegt: "Ik getuig dat er is geen god dan Allah. En dat Mohammed zijn profeet is. Ik vraag Allah om hulp bij de woorden die ik ga spreken.”

Mohammed B.: (in het Nederlands)
“Ik heb lang nagedacht, of ik al dan niet hier wat zou zeggen. Maar voor ik verder ga, u net verwezen hebt dat het de omgekeerde wereld is. En u heeft verwezen naar de verdediging. Ik neem aan dat heeft gewezen naar de heren achter mij, meneer Plasman en meneer Sarikaya. [De rechter had de advocaten verweten dat die het wel voor hun cliënt opnamen in de pers, maar geen verweer voerden tijdens de zitting, red.] En ik denk en ik vind dat zij het niet verdienen dat u ze zo door het slijk haalt.”

Bentinck:
“Gaat u verder.”

Mohammed B.:
“Dat ik, ondanks dat deze heren weten, dat ik inderdaad in hun ongeloof haat, met hart en ziel, geloof ik toch, dat zij hun werk doen naar overtuiging. En in die acht of negen maanden zijn zij een van de weinige mensen waarvan ik geloof, dat zij datgene wat ze doen, uit overtuiging doen. En dat kun je van veel mensen niet zeggen.”

“De reden waarom ik nu wat wil zeggen, en waarom ik hier wat zeg, dan is niet omdat ik me verplicht voel aan het hof om wat te zeggen. De enige persoon, denk ik, aan wie ik ben verplicht, is mevrouw Van Gogh.”

“Ik zal u eerlijk bekennen, dat ik niet met u meevoel. Ik voel uw pijn niet. Dat kan ik ook niet. Ik weet niet hoe het is om een kind te verliezen die met zoveel ... met zoveel pijn en tranen op de wereld is gebracht. Dat is omdat ik deels geen vrouw ben. Maar ook deels omdat ik niet mee kan voelen. Omdat ik geloof dat u een ongelovige bent. En u kan me dat aanrekenen en dat mag u me ook aanrekenen.”

“En ik weet, de manier waarop ik hier gisteren en vandaag heb gezeten, en mijn houding, dat dat heel confronterend voor u is geweest, en voor veel mensen hier. En voor veel mensen, die weten ook dat zij niet hier tegen een verdachte aan zitten te kijken, en een verdachte zitten hier te bestrijden, maar dat ze ook met hun eigen emoties aan het vechten zijn.”

“Wat betreft de aanklacht van u, meneer de officier van justitie, daar kan ik me helemaal mee vinden, in grote lijnen tenminste. Ik neem de volle verantwoordelijkheid op mij. En u heeft gekenschetst dat wat mij eventueel zou hebben gedreven om te doen wat ik deed, dat dat puur uit mijn geloof is.”

“En het is inderdaad laf als ik mij hier achter de spelregels zou verstoppen door niks te zeggen en de kans te ontlopen om de maximale straf te krijgen. Maar hiermee zeg ik ook wat de zwakte is van deze rechtsgang. Ik erken u niet en wellicht erkent u mijn rechtsgang niet.”

“En wat ik wel heb begrepen van mevrouw Van Gogh, is dat u wat troost kunt vinden in het feit dat de maximumstraf ook wordt gevonnist, wordt gegeven, heb ik begrepen.”

“En wat betreft uw deskundige meneer Peters [hoogleraar islamitisch recht, red.], die heeft aangegeven dat er inderdaad teksten zijn die geweld prediken, maar dat er ook teksten zijn die vrede prediken. Maar u heeft de vraag niet gesteld aan meneer Peters wanneer er vrede wordt gepredikt en wanneer er geweld wordt gepredikt. Dat heeft u nagelaten.”

“En ik ben niet hier om een politiek statement met een religieus tintje te geven, dat bespaar ik u. Maar wat ik wel wil dat u wilt weten dat ik uit overtuiging heb gehandeld. En niet omdat ik uw zoon Theo van Gogh haat, niet omdat hij Nederlander is of omdat ik mij heeft beledigd als Marokkaan. Ik heb mij nooit beledigd gevoeld.”

“En ik zeg u. Ik kan uw zoon niet...,niet...,niet..eh. Ik kan hem niet verdenken van enige hypocrisie. Want hij was geen hypocriet. Dat was'ie niet. En ik weet dat hij uit overtuiging dingen zei.”

[laat een lange stilte vallen]

“Dus het hele verhaal van dat ik me beledigd zou voelen, als Marokkaan, omdat hij me geitenneuker zou hebben genoemd, dat is allemaal niet waar. Ik heb gehandeld uit geloof. En u hebt zelfs aangegeven: was het mijn vader geweest of mijn broertje dan had ik precies hetzelfde gedaan. Dus je kunt mij echt niet ehh verdenken van enige sentimenteit.”

“Maar waar het hof voor staat, die vraag, een maximumstraf. Maar, verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn geestestoestand. En ik kan u verzekeren: mocht ik vrijkomen, dat ik precies hetzelfde zal doen. Precies hetzelfde.”

“En u denkt misschien dat ik ehh gevangen voel. Ik voel me helemaal niet gevangen of dat ik word tegengehouden door muren in een hokje. Ik zal u zeggen: ik voel me vrij. En ik bén vrij.”

“Verder wat betreft uw kritiek. Wellicht dat u met Marokkanen bedoelt de moslims. Ik neem u dat niet kwalijk, want dezelfde wet die mij opdraagt om iedereen die Allah en zijn profeet uitscheldt z'n kop eraf te hakken, diezelfde wet verplicht mij om mij niet in dit land te vestigen. Of in ieder geval in een land waar het 'vrije woord', zoals de officier van justitie het heeft beschreven, wordt verkondigd.”

“Maar wat dan? Ik zeg dit verwijt van u. [Lange pauze] Dit verwijt van u is rechtsgeldig, mits er een land bestaat waarin mensen zoals ik hun toevlucht naar kunnen zoeken. En dat u uw best doet om een man zoals ik tegen te houden, ik neem u dat niet kwalijk, want u doet uw werk. Net zomin mag u het mij kwalijk nemen dat ik de boodschap of mijn boodschapjes probeer onder de man te brengen, als u het zo wil noemen. ”

[Mohammed kijkt om naar politieagenten die achter in de zaal zitten]

“En ik denk, die politieagenten, die 2 november ook met mij geconfronteerd waren, ik denk dat die het recht hebben om te weten dat ik niet schoot om jullie te ontzien, maar ik schoot om te doden én om gedood te worden.”

“En u mag al uw psychologen, al uw psychiaters, al uw deskundigen op me af sturen, maar ik zeg u, u zult dat nooit begrijpen. U kunt het niet begrijpen. En ik zeg u, als ik de mogelijkheid had, ik zou vrij komen en ik had de mogelijkheid om het nóg een keer te doen wat ik op 2 november heb gedaan, dan zeg ik wallah [bij Allah, red.], ik zou het precies hetzelfde hebben gedaan.”

Bentinck:
“Dat wilde u ons nog zeggen?”

Mohammed B.:
“Misschien dat, ik weet, ik kan... Ik ben hier niet om zielig te doen of om met verwijten te komen. Misschien dat dit wellicht een troost, een klein beetje, kan zijn voor mevrouw Van Gogh. Dat is het enige, voor de rest kan het me niet schelen, eerlijk gezegd.”

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

13 September, 2013
Eerst gepubliceerd: Juli, 2005