| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Er is een nieuw soort digitaal panopticum ontstaan. Dat is een systeem waarin geen Big Brother meer nodig is om over onze schouders mee te kijken, omdat we elkaar allemaal constant in de gaten houden. Het internet schept een omgeving waarin iemand in een klap beroemd kan worden, maar meestal is die roem gebaseerd op iets dat die persoon juist zo snel mogelijk zou willen vergeten. Het internet wist het onderscheid tussen gesproken en geschreven roddel uit en daarom kunnen persoonlijke reputaties razendsnel worden vernietigd.
We moeten onze privacy beschermen om ervoor te zorgen dat de vrijheid van het internet ons niet minder vrij maakt. Maar we moeten ook zoeken naar een balans tussen de bescherming van privacy en de vrijheid van meningsuiting. We moeten gemeenschappelijke culturele normen ontwikkelen voor de behandeling van particuliere informatie op het internet. En er zouden juridische remedies moeten komen voor mensen wier rechten geschonden zijn. Maar de wet is een miezerig/nietig instrument in vergelijking met normen.
Identiteit en beschaving |
|---|
Sociale controle en fatsoen
Wanneer we deelnemen aan het openbare leven in ons werk, op school, in de buurt, in de politiek of gewoon op straat doen we dat als onszelf. We dragen geen bivakmutsen (tenzij we rond de Noordpool bivakkeren), geen maskers (tenzij we carnaval vieren), en geen alle persoonskenmerken verhullende kleding (tenzij we orthodox gelovige moslima's zijn). We laten zien wie we zijn. Zelfs als mensen niet precies weten wie we zijn, kunnen zij ons bij een volgende ontmoeting toch aan onze uiterlijke kenmerken herkennen. Door deze authentieke identiteit zij we aanspreekbaar op onze daden: wat we doen en wat we zeggen kan door medeburgers aan een specifiek identificeerbaar persoon worden verbonden. Zij kunnen ons hiervoor prijzen of kritiseren, omdat zij weten met wie ze te maken hebben. Dat schept niet alleen helderheid (omdat we openlijk acteren), maar ook vertrouwen.
We opereren in een openbare orde waarin onverantwoordelijk of asociaal gedrag geïdentificeerd kan worden, waarin de individuen die dat gedrag vertonen ter verantwoording geroepen kunnen worden, en waarin zij indien noodzakelijk ook tot de orde geroepen worden.
Ongewenst gedrag kan op verschillende manieren worden gecorrigeerd: door een afkeurende blik, door een vriendelijk verzoek (wil je niet meer over mijn billen aaien), door openbare vermaning (aan iedereen laten weten: hij mishandelt zijn kinderen), door geconditioneerde dreiging (als je nog een keer ... dan doe ik ...), of door sociale uitsluiting. Als dat alles niet werkt, en de schendig van de sociale orde ernstig is, hebben we in democratische rechtsstaten altijd nog de mogelijkheid om een beroep te doen op de nog sterkere arm van politie en justitie. We doen dan aangifte van illegaal of misdadig gedrag. Maar in het algemeen wordt het afwijken van sociale normen (deviantie) bestreden met sociale sancties. De sociale orde wordt niet alleen in stand gehouden door het verbinden van onaangename consequenties aan de overtreding van geldende normen, maar ook door het verbinden van aangename consequenties aan normconform gedrag. Tegenover negatieve sancties (dwangmiddelen) zoals terughoudendheid in het contact, minachting en antipathie, staan positieve sancties (lokmiddelen) zoals aandacht, toeschietelijkheid, respect en sympathie. In wisselende combinaties en sequenties worden zowel dwang- als lokmiddelen gebruikt om normschendingen te voorkomen of te redresseren.
Natuurlijk zijn er verschillende meningen over wat sociaal ongewenst gedrag is. Wat ongewenst, onfatsoenlijk of onbeschoft is voor de één, kan normaal zijn voor de ander. Dat is afhankelijk van onze opvoeding en van de waarden en gedragsnormen die we tot de onze rekenen. Maar het is vooral ook afhankelijk van de nationaal en lokaal sterk variërende culturen, en van de sociale, etnische of religieuze achtergrond. Terwijl het in sommige culturen fatsoenlijk is om je hele lichaam te bedekken, lopen in andere landen beide seksen vrijwel naakt. Bovendien verschillen de fatsoensregels naar specifieke situatie: kleding die op het strand correct is, geldt in de stad of bij een begrafenis niet als fatsoenlijk. Ongewenst gedrag is dus gedrag dat afwijkt van onze subjectieve en situationeel wisselende normen en waarden.
We vinden sommige normen en waarden zo vitaal dat we ze in wetten hebben vastgelegd: onze fundamentele normen en waarden zijn geobjectiveerd in wetten die door de overheid worden gewaarborgd:
|
|
Fatsoens- en omgangsvormen
Naast de in wetten en officiële regels vastgelegde normen en waarden zijn er nog tal van andere fatsoensregels en omgangsvormen die van groot belang zijn voor de sociale cohesie in de samenleving en daarmee voor de veilige en gezellige leefbaarheid. Het zijn elementaire voorwaarden voor een vreedzame en leefbare samenleving.
![]() Jong geleerd, ... |
In al deze gevallen is het voor individuele burgers vaak moeilijk om iets te ondernemen ook al voelen zij heel goed aan dat er iets gebeurt wat zij ten sterkste afkeuren en ook al voelen zij zich moreel verplicht om op te treden tegen dit onfatsoenlijk gedrag. Maar toch doen zij dat niet, omdat zij terugschrikken voor de consequenties. Je loopt een risico als je de onfatsoenlijken (het tuig, de grote bekken, de asocialen) tot de orde roept. We zijn ook in dit opzicht en vaak terecht berekenende burgers die risicos tegen elkaar afwegen. Maar daarom hebben we ook zon groot respect voor Joes Kloppenburg ( 1996), Mijndert Tjoelker ( 1997) en René Steegmans ( 2002) die wél optraden tegen hufters, maar het met de dood moesten bekopen.
Het terugdringen van de cultuur van de grote bekken kunnen we niet aan de overheid delegeren. Burgers moeten zelf tegengas geven tegen onfatsoen, civiele agressie en zinloos geweld. Dat vereist zelfregulering en zelforganisatie vanuit de samenleving.
Fatsoen en spruitjeslucht
Fatsoen is het voldoen aan de ongeschreven maar toch empirisch geldende normen en waarden. De geldigheid van een norm blijkt uit haar invloed op ons feitelijk handelen. Door het volgen van fatsoensnormen wordt ons sociaal handelen voorspelbaar. Wanneer wij in ons dagelijks handelen rekening houden met dominante gedragsnormen, dan handelen we fatsoenlijk.
Voor veel mensen heeft fatsoenlijkheid een negatieve bijklank gekregen, omdat het gelijk is gesteld aan kleinburgerlijkheid, bekrompenheid, zelfingenomenheid en gebrek aan tolerantie voor andere gedragingen. Met een beroep op het goede fatsoen werd bijvoorbeeld jarenlang de discriminatie van homoseksuelen in stand gehouden. De argwaan tegen fatsoensnormen is vooral ook ontstaan door ervaringen met autoritaire beleefdheidsvormen (die respect moesten afdwingen voor niet democratisch gelegitimeerd gezag) en met restrictieve zedelijkheids- en kuisheidsnormen (geen seks voor of buiten het huwelijk en uiteraard de heteronorm).
Deze argwaan slaat bij sommigen om in aversie. Het begrip fatsoen is zodanig multi-interpretabel en zo vaak als politiek wapen ingezet dat ik er een stevige aversie tegen heb ontwikkeld. Ik laat me er dan ook niet echt door leiden [Marcel Vreemans in Het Vrije Volk - 1.6.2008]. Toen premier Balkenende in april 2005 probeerde het fatsoensbegrip nieuw leven in te blazen (onder de leuze: Fatsoen moet je doen) roken de meeste de critici direct een irritante spruitjeslucht - de lucht die kleeft aan elke poging tot restauratie van oude normen en waarden. De argwaan tegen conservatieve of restauratieve fatsoenspleidooien is begrijpelijk - zij lopen in de regel uit op een beperking van onze vrijheden. De fatsoensrakkers en zedenprekers die nostalgisch verlangen naar oude tijden hebben afgedaan.
Er is nog een andere reden waarom fatsoen zon negatieve bijklank heeft gekregen. Fatsoen wordt vaak gelijkgesteld aan het van bovenaf afdwingen van geaccepteerd gedrag. Dit is echter niet noodzakelijk. Onder bepaalde voorwaarden kunnen gemeenschappelijke gedragsnormen immers ook delibererend-democratisch tot stand komen. De sociale normen die ons gedrag reguleren zijn meestal tot op zekere hoogte gebaseerd op consensus en worden via sociale sancties gereproduceerd.
Toch zijn fatsoenlijke omgangsvormen onmisbaar voor een beschaafde samenleving. Omgangsvormen zijn gestileerde vormen van zelfbeheersing. Het is juist die zelfbeheersing waaraan het op internet vaak lijkt te ontbreken.
|
De felle retorische aanvallen van vrijdenkers zoals Zola en Multatuli op het fatsoen richtten zich op het vernis dat de burgerlijke hypocrisie maskeerden. Sindsdien heeft het woord fatsoen een negatieve bijklank heeft gekregen van kleinburgerlijkheid, bekrompen moralisme en zelfingenomenheid. Een te grote nadruk op fatsoensnormen wordt meestal verdacht gevonden. Wat een smeerlappen toch, die fatsoenlijke lui!, laat Emile Zola zijn hoofdpersoon verzuchten in De buik van Parijs. Die fatsoenlijke smeerlappen zijn in deze roman braaf burgerlijke middenstanders, achterbakse kooplui die zich welgemanierd voordoen maar tegelijkertijd zwelgen in arrogantie, afgunst en achterklap. Fatsoen is in Zola’s optiek vadsig vleesgeworden schone schijn. Dat is ook de boodschap van Multatuli. Ik ben tot u genaderd, hoofdvyandin van vrye studie: lafhartige fatsoenlijkheid!, schrijft hij in zijn Ideeën. In Japanse gesprekken definieert hij fatsoen als iets als de lynen die den inhoud betekenen, en daarvoor worden in-plaats-gegeven, omdat n lyn goedkoper is dan inhoud. (…) Fatsoen is n speelfiesje dat waarde voorstelt, maar nooit wordt ingewisseld. Fatsoen is gecristofleerde deugd, waarmee Multatuli verwijst naar het christoffelskruid, dat uitwendig helend werkt maar bij inwendig gebruik giftig is. Achter een praalgevel van fatsoen schuilt volgens Multatuli alleen maar onbetrouwbaarheid en onzuiverheid. |
Anonimiteit als schild en wapen |
|---|
Vrijheid en ontremming
Wanneer we deelnemen aan het openbare leven in cyberspace liggen de zaken op het eerste gezicht nog ingewikkelder. Op internet opereren we veelal anoniem of pseudoniem. Die anonimiteit is een zegen en een vloek, een schild en wapen tegelijk.
|
|
Het grondwettelijke recht op vrijheid van drukpers was altijd beperkt tot degenen die beschikten over een drukpers (of over een radio- of televisiestation, of communicatiesatellieten). Op internet beschikt iedereen niet alleen over een eigen drukpers, maar ook over een eigen radiostation en televisiezender. Internet heeft het grondwettelijke recht op vrijheid van drukpers voor iedereen binnen handbereik gebracht. Iedereen kan op internet gebruik maken van weblogs, discussiefora, instant messaging, en databanken om uiting te geven aan zijn meningen en oordelen, analyses en verbeeldingen, frustraties en hoop, ervaringen en fantasieën.
In de virtuele wereld kan men zich vrijer bewegen dan in de lokale samenleving. De belangrijkste reden daarvoor is dat men op internet veelal anoniem of pseudoniem kan opereren. Op internet kan men onder een pseudoniem (een pseudo-identiteit) opereren zonder de echte identiteit prijs te geven. Alleen onder zeer bepaalde omstandigheden kunnen providers of beheerders van webfora door de overheid gedwongen worden om de identiteit van een gebruiker bekend te maken. Uiteindelijk zijn bijna alle uitspraken of handelingen van internetgebruikers te traceren. Toch geeft internet het gevoel van ongekende vrijheid.
Mensen zijn terughoudend om te zeggen wat zij echt denken als zij face-to-face voor een gezagsdrager staan. Zij vrezen afkeuring en straf. Maar online zijn mensen veel meer geneigd om zich ondubbelzinnig uit te spreken of zich te misdragen. Zij wanen zich onzichtbaar en komen hierdoor in de verleiding om dingen te doen die zij normaal niet durven te doen, of die zij niet mogen doen. Het anonieme karakter van de internetcommunicatie geeft de deelnemers een groot gevoel van vrijheid. Door deze ontremming (disinhibition) zijn mensen geneigd om zich directer, emotioneler en ongeremder te uiten over de meest intieme en ultieme onderwerpen. Anonimiteit stelt mensen in staat om zich achter hun computers te verschuilen en alles te zeggen wat zij op hun lever hebben, zonder dat zij hoeven te vrezen dat dit directe repercussies heeft voor hun lokale sociale leven. Daarom vertonen virtuele gemeenschappen in de regel een veel ongeremdere om niet te zeggen ruigere communicatiecultuur dan in lokale face-to-face communicatie.
|
De grondleggers van de Amerikaanse grondwet omarmden anonieme communicatie in het politieke domein als een manier om in staat te zijn onpopulaire, tegendraadse meningen naar voren te brengen zonder daarvan persoonlijke nadelen te ervaren. De grondleggers maakten daar zelf ook gebruik van. De essays in de Federalist Papers werden gepubliceerd onder het pseudoniem Publius [Zittrain 2008:316, noot 67]. Zij verzetten zich tegen pogingen om anonieme auteurs te dwingen om hun identiteit te onthullen. Hun belangrijkste argument was dat gedwongen onthulling de persvrijheid aantast. Maar in Nederland is anonimiteit geen grondwettelijk recht zoals het recht op privacy. In 1525 verbood Karel V de boeken van Maarten Luther en zijn aanhang en alle boeken zonder titel en afzender. Bij overtreding, zonder het tonen van berouw, moesten mannen met het zwaard worden omgebracht, vrouwen werden levend begraven. Dit strenge verbod had overigens weinig effect. Luther bleef bijna al zijn traktaten anoniem publiceren. In 1559 volgde het pauselijke verbod op alle door ketters geschreven anonieme publicaties. Vanaf eind 18e eeuw zette de Franse bezetter het verbod op anoniem publiceren voort. In 1789 wordt dit wettelijk vastgelegd: Ieder burger mag zijne gevoelens uiten en verspreiden, op zoodanige wijze, als hij goedvindt; des niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De vrijheid der drukpers is heilig; mits de geschriften met den naam van uitgever, drukker of schrijver voorzien zijn [Artikel 16 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels]. Pas in 1886 werd op voorspraak van de Leidse professor Simons anoniem publiceren een recht. Volgens hem kon de uitingsvrijheid alleen optimaal zijn als er geen plicht tot ondertekening is. Het recht op anonieme publicatie werd alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter geannuleerd, zoals dat eerder gebeurde door de Spaanse en Franse bezetter [Ekker 2008].
Wie onzichtbaar is kan niet worden aangesproken op de gevolgen van zijn eigen gedrag. In boek 2 van Politeia vertelt de klassieke Griekse filosoof Plato het verhaal over de magische ring van Gyges. Deze ring biedt de eigenaar de macht om op elk gewenst moment onzichtbaar te worden. Voor Plato is het de beste manier om vast te stellen of iemand in moreel opzicht goed is: als je niet bang hoeft te zijn voor de consequenties van je eigen handelen en toch moreel verantwoord handelt. De moraal van het verhaal van Plato is dat niemand zo deugdzaam is dat hij de verleiding kan weerstaan om te kunnen stelen dankzij de onzichtbaarmakende kracht van de ring. Met andere woorden: moraliteit is een sociale constructie. De bron daarvan is het verlangen om de eigen reputatie van deugdzaamheid en eerlijkheid te handhaven. Wanneer de sociale en juridische sancties die de deugdzaamheid in stand houden niet meer effectief werkzaam zijn (omdat men onzichtbaar, anoniem is), verdampt echter het morele karakter.
Hetzelfde thema keert terug in The invisible man van H.G. Wells uit 1887. Deze sciencefictionroman is een kritische demonstratie van de menselijke neiging om immoreel te worden zodra men macht verwerft. Door zijn onzichtbaarheid verwerft hij enorme macht: hij kan stelen, doden en iedereen misbruiken zonder angst om gepakt te worden.
|
![]() On the Internet, nobody knows youre a dog Peter Steiner, in: The New Yorker, 6 juli 1993 |
Het onfatsoen op internet kan niet worden teruggedrongen door wettelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties. Wie op internet slachtoffer wordt van kwaadaardige, reputatievernietigende roddel weet vaak niet wie daarvoor verantwoordelijk is en heeft op het eerste gezicht weinig middelen in handen om op het internet zelf effectief tegengas te bieden.
Netsletten en Nethufters
Internet is een plaats waar we onze eigen identiteit kunnen articuleren, en het is tegelijkertijd een plek waar we anoniem kunnen opereren. Anonimiteit is immers het verbergen van identiteit. In cyberspace zeggen en doen mensen dingen die zij normaal niet zouden zeggen of doen in de lokale wereld. We hebben gezien dat mensen zich ongeremder voelen en zichzelf openlijker uitdrukken omdat zij anoniem of pseudoniem kunnen opereren. Die anonieme conversatie is het gevolg van (a) het wegvallen de mechanismen van lokale sociale controle en (b) het lage risico van justitiële vervolging. Zolang niemand weet dat jij repelsteeltje heet, hoef je niet te vrezen dat je persoonlijk geconfronteerd wordt met de gevolgen van je online gedrag.
De beschaving van een samenleving reproduceert zich primair door de werking van gewoontes, zeden, solidariteiten en gemeenschappelijke belangen. Een beschaving stabiliseert zich dus min of meer onbewust, als niet gewild en onbedoeld neveneffect van onze traditionele, affectieve en utilitaire oriëntaties en handelingen [Bader/Benschop 1988:265 e.v.]. Sociale controle en recht zijn de twee basismechanismen waardoor de instandhouding van die beschaving wordt gegarandeerd, en onder bepaalde omstandigheden ook wordt getransformeerd. Door het wegvallen van deze twee garantiemechanismen lijkt er een premie te ontstaan op extreme vormen van sociaal handelen. De ontremming die anonieme communicatie met zich meebrengt is dus een tweesnijdend zwaard.
Aan de ene kant zien we dat mensen erg persoonlijke en intieme verhalen over zichzelf delen. Zij onthullen geheime emoties, angsten en verlangens. Of zij vertonen ongebruikelijk vriendelijk en genereus gedrag. Maar naast deze minzame, goedaardige ontremming is er ook sprake van een giftige ontremming die zich uit in uitbundig grove taal, botte kritiek, angst, blinde haat en zelfs bedreigingen. Het is een razende catharsis waarin de meeste weerzinwekkende verlangens worden uitgeleefd.
Zodra de mechanismen van sociale en juridische controle buiten werking zijn gesteld of minstens naar de achtergrond zijn gedrongen komt er een premie te staan op overdreven en opdringerig flirten (netsletten) enerzijds, en op het grof provoceren en beledigen (nethufteren) anderzijds. Netsletten is het belagen van mensen (veelal vrouwen) met ongewenste aandacht, met voorstellen voor ongewenste seksuele intimiteiten en soms ook met geloofwaardige dreigingen. Je kunt het ook een vorm van online stalking, cyberstalking noemen [in Cyberstalking wordt dit fenomeen uitvoerig geanalyseerd]. Nethufteren is het verspreiden van botte kritiek, grove beledigingen en vaak ook bedreigingen. Wanneer zich op bepaalde internetlocaties voldoende nethufters verzamelen, kunnen zij digitale lynchpartijen (‘flame wars’) orkestreren waarbij de slachtoffers door een razende meute worden achtervolgd. Dat gebeurt niet alleen via het organiseren van een hetze op het internet. Regelmatig worden de scheidslijnen tussen het virtuele en het lokale doorbroken en worden de slachtoffers ook in hun privésfeer, op straat of op hun werk bedreigd. Hieronder worden daarvan een aantal voorbeelden besproken.
Cultuur van de grote bekken: schreeuwen om aandacht
|
|
![]() |
“Alles wat in vele nachten van dronken opwinding aan ziekelijke, smerige haatfantasieën was uitgedacht, werd op klaarlichte dag in volle razernij naar buiten gebracht” [Stefan Zweig]. Vroeger had je de zwijgende meerderheid, maar dankzij het internet heeft zij een podium voor zichzelf gevonden. Met dit zwijgen is het voorgoed afgelopen. Nu ontdekken we via het web dat zich een nieuw, welvarend lompenproletariaat heeft ontwikkeld, een massa die zich permanent en tot in de ziel miskend en bedrogen voelt en dit zo luid mogelijk laat weten. Door de digitale cultuur heeft deze massa een stem gekregen [H.J.A. Hofland, NRC, 7.12.2008]. |
In het lokale leven worden mensen gedwongen om rekening te houden met anderen en om aan een ‘normaal’ verwachtingspatroon te voldoen. Internetfora zijn vrijplaatsen met weinig sociale controle. Deelnemers die extreme opvattingen verkondigen vragen om aandacht. Krijgen zij die aandacht niet, dan komen zij in de verleiding om zich nog extremer uit te drukken. Fora die niet in staat zijn om zichzelf te reguleren dreigen hierdoor te worden ondergraven. Zij gaan ten onder in een onbeheersbare kluwen van opgeblazen, haatdragende spierballentaal. De risico’s worden nog groter wanneer de grens tussen virtuele en lokale uitingen vervaagt.
De deelnemers aan anonieme conversaties bedienen zich overwegend van informele taal: straat- en kroegtaal. Zodra deze taal in de openbaarheid van cyberspace wordt gebruikt en vastgelegd, wordt de betekenis daarvan drastisch veranderd. Het verschil is niet alleen dat de digitale signalen zich bij internetconversaties veel sneller over grote groepen mensen verspreiden, maar dat zij ook nog eens langer blijven hangen. Als iemand in een buurtkroeg met een ach val dood te kennen geeft het niet met de vorige spreker eens te zijn, dan wordt dit alleen gehoord door de mensen die dicht in de buurt van de spreker staan. De uitspraak verdwijnt zodra de luchttrillingen die deze boodschap door de lucht transporteerden verstorven zijn. In de beslotenheid van de buurtkroeg betekent zon uitspraak meestal niet meer dan dat de spreker twijfelt aan de woorden van de vorige spreker; in de volle openbaarheid van het internet fungeert een dergelijke uitspraak echter snel als een bedreiging.
Agressie op internet
Er wordt vaak gezegd dat het allemaal niet zon vaart loopt met het onfatsoen en de bedreigingen op het internet, omdat het hier immers toch slechts om virtuele gebeurtenissen gaat die ons niet echt raken. Daarbij wordt internet gezien als een uitlaatklep voor haatgevoelens en opgekropte agressie. Daar achter schuilt een bekende huis-tuin-en-keukentheorie van agressie. In deze theorie wordt agressie opgevat als een hoeveelheid energie die in een snelkookpan zit opgesloten. Om het vat vol agressie niet te laten exploderen, moet af en toe het ventiel worden geopend. Zo krijgen betrokkenen de kans om uiting te geven aan heftige haat- en wraakgevoelens en neemt de keteldruk af.
Maar dit geeft een vertekend en vereenvoudigd beeld van de werking van agressie. Mensen die zich regelmatig agressief uiten, zijn meer geneigd tot heftig agressief gedrag. En daarom wordt agressief gedrag in de regel ook voorafgegaan door verbale agressie. Mensen die in grote onzekerheid en emotionele opwinding verkeren zijn sneller geneigd om over elkaar heen te buitelen in stoutmoedige uitlatingen en extreme voorstellen. Stemmingen die op het internet ontstaan, kunnen snel overslaan naar de lokale wereld. Het is onmogelijk om mensen op internet mensen fysiek te mishandelen of te vermoorden. Maar er kan op internet wel een zodanig dreigende stemming ontstaan dat de grens tussen het virtuele en het lokale vaporiseert, en de dreiging zich verplaatst naar de privé- en werksfeer van het slachtoffer.
Verschuiving privé en openbaar
Met behulp van goedkope sensoren (zoals mobieltjes met camera) en netwerken zijn burgers tegenwoordig in staat om iets dat zij op hun stoep of in een restaurant hebben vastgelegd supersnel over de hele wereld te verspreiden. Bijna al onze activiteiten kunnen worden uitgezonden. Zoek op YouTube naar angry teacher en je krijgt honderden videos te zien van leraren die uit hun slof schieten. Het leven van mensen kan in een mum van tijd geruïneerd worden, ook al is de aanleiding vaak maar een kleine misstap of een klein foutje.
|
|
Nader onderzoek wijst echter uit dat er toch iets anders aan de hand is. De meeste (ook jonge) mensen nemen tamelijk rationele beslissingen over het delen van hun persoonlijke informatie. Maar zij onderschatten wat er kan gebeuren als deze informatie massief wordt geïndexeerd, hergebruikt, en wanneer zij door vreemden voor andere doelen wordt ingezet.
De meeste jongeren die nu met het internet opgroeien hebben er vrede mee dat zij online een publieke dimensie kunnen geven aan hun persoonlijke leven. Zij vinden het zelfs aantrekkelijk om zichzelf in de enorme openbaarheid van cyberspace te presenteren. Wie ben je nog als je niet op het internet aanwezig bent? Internet is een plaats waar jongeren hun identiteit kunnen etaleren (zij hebben hun schaamte- en gênedrempel opgeschoven). De grote charme van profiel- en FoF-sites is niet geheimhouding, maar autonomie: je hebt controle over je eigen profiel en knoopt alleen verbindingen aan met vrienden van je eigen keuze [Zittrain 2008:233].
In agrarische dorpssamenlevingen kenden de burgers veel minder privacy dan in een moderne urbane samenleving en in kleine landelijke gemeentes hebben zij nog steeds minder privacy dan in een grote stad. Het leven van mensen in kleine gemeentes of dorpen is een open boek in vergelijking met het anonieme bestaan van stadsbewoners. Daar staat tegenover dat iemand die in een dorp woont zijn geheimpjes beter kan bewaren, omdat hij daarover betere controle heeft. Een dorpsbewoner leeft in een samenlevingsverband dat is opgebouwd uit persoonlijke, face-to-face contacten. Hierdoor kan onverantwoordelijk of asociaal gedrag veel makkelijker worden geïdentificeerd en wordt men hiervoor sneller ter verantwoording geroepen.
In cyberspace opereren we in een sterk onpersoonlijk informatie- en communicatiesysteem. Onze medeburgers zijn gezichtsloze gebruikers van informatie en onze discussiepartners kunnen we vaak alleen herkennen aan hun pseudoniem of avatar. Ze zijn online alleen maar in de formele zin aanspreekbaar op hun uitlatingen en daden: in de praktijk zijn zij grotendeels immuun voor de sancties die iemand hen zou willen opleggen.
Virtualisering van de schandpaal |
|---|
![]() Roddelen is om anderen zwart te maken en om zichzelf wit te wassen. |
Smaad is het zwartmaken van iemand door deze in het openbaar van feiten te beschuldigen waaraan hij of zij zich schuldig zou hebben gemaakt. Wie zich daaraan schuldig maakt, kan daarvoor veroordeeld worden tenzij (i) het algemeen belang vereist dat de feiten naar buiten worden gebracht, (ii) er gehandeld is uit noodzakelijke verdediging, of (iii) te goeder trouw kon worden aangenomen dat deze feiten waar zijn. Het doel van smaad is het ruïneren van de reputatie van het slachtoffer. Anders dan bij laster gaat het bij smaad niet om beschuldigingen waarvan men weet dat ze onwaar zijn. Vaak worden de beschuldigingen zo veel mogelijk opgeblazen om het slachtoffer zo veel mogelijk aan de schandpaal te nagelen. Bovendien hoeven het niet per se strafbare feiten te zijn waarvan het slachtoffer beschuldigd wordt. Overspel of afwijkende seksuele voorkeuren lenen zich uitstekend voor smaad. Laster is het zwartmaken van iemand door deze in het openbaar van feiten te beschuldigen waarvan men weet dat ze niet waar zijn.
![]() Homo Anonymus |
|---|
We hebben hiervoor gezien dat smaad en laster vormen zijn van roddelen in het openbaar. Roddelen mag, ook al is het onfatsoenlijk, als je het maar niet in het openbaar doet. Dit heeft vergaande consequenties. Wie op publieke domein van het internet roddelt, maakt zich daarmee bijna per definitie schuldig aan smaad of laster. Er zijn nog weinig rechters die deze consequentie in hun uitspraken hebben betrokken. Toch neemt het aantal gevallen waarin mensen via een internetroddel aan de schandpaal worden betrokken schrikbarend toe.
Digitaal lynchen
De klassieke schandpaal, die tot in de late middeleeuwen werd gebruikt, was een paal waaraan iemand als strafmaatregel werd vastgebonden en te kijk gezet. De volgens toen heersende wetten veroordeelde misdadigers stonden letterlijk en figuurlijk voor paal. Het publiek speelde hierbij een actieve rol en mocht de gestrafte uitschelden en bekogelen met rotte eieren of straatvuil. Het doel van dit strafritueel was om de dader als crimineel te brandmerken: de dader leed gezichtsverlies juist doordat zijn gezicht in de hele stad bekend werd. Wie zich destijds schuldig maakt aan ernstige misdrijven, verloor op die manier zijn recht op privacy (dat in de middeleeuwen uiteraard nog lang niet als recht was erkend). Wie door het gerechtshof aan de schandpaal werd genageld, had vroeger overigens nog een kans dat het publiek het niet eens was met het vonnis waardoor de gebeurtenis eindigde in een demonstratie tegen de machthebbers. Toen Daniel Defoe de schrijver van Robinson Crusoe in 1703 aan de schandpaal werd gezet voor het schrijven van een opruiend pamflet (The Shortest Way with the Dissenters), bedekte de menigte de schandpaal met bloemen en gaven hem een ovatie toen hij bij Charing Cross (Londen) aankwam. In Nederland bleef de schandpaal tot ver in de 18e eeuw populair. Zij werd pas halverwege de 19e eeuw officieel afgeschaft als strafmaatregel.
Bij het digitaal lynchen worden personen via internet belasterd. Daarbij gaat het heel vaak, maar zeker niet alleen, om persoonlijke afrekeningen: er worden rekeningen vereffend tussen voormalige geliefden die op de harde manier van elkaar scheiden, tussen werknemers die zich onheus bejegend voelen door hun (voormalige) baas of werkgever, tussen scholieren die op hetzelfde meisje vallen, of tussen buren die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Nationaal bekende figuren politici, rechters, acteurs, popsterren en andere Bekende Nederlanders vormen een tweede categorie van potentiële slachtoffers. Het beledigen, belasteren en zelfs virtueel bedreigen van bekende Nederlanders lijkt op het internet een volkssport te zijn geworden. Door een digitale lynchpartij worden zij vogelvrij verklaard. In al deze gevallen is het doel weer precies hetzelfde: het beschadigen van de reputatie van al dan niet bekende particulieren of van het imago van instellingen of bedrijven. Wraak lijkt dus in veel gevallen het belangrijkste motief. Publieke vernedering is het overheersende doel.
![]() Digitaal voor paal staan |
|---|
Kijk je tegenwoordig eerst om je heen voordat je snel iets uit je neus pulkt, of je ondergoed rechttrekt? We zijn ons er in toenemende mate bewust van dat we mogelijk onder toezicht staan. De autoriteiten menen het recht te hebben om overal toezichtcameras te plaatsen, om op die manier de veiligheid te kunnen bevorderen. In hoeverre wordt het gedrag van mensen in publieke ruimtes beïnvloed door het impliciete potentieel van mensen in je buurt die jouw goede en slechte daden registreren? Hoe voorkom je dat privégesprekken die in publieke domeinen (zoals in een restaurant) worden gevoerd openbaar worden gemaakt?
Worst cases |
|---|
![]() Bus Uncle gaat door het lint |
|---|
Dit tafereel wordt vastgelegd door een derde persoon die het vervolgens op internet plaatste. Deze video werd door beautyjeojihyun op YouTube geplaatst en werd in de eerste drie weken van die maand door 1,7 miljoen mensen bekeken. Aansluitend werden er diverse afgeleide versies van gemaakt, zoals een ringtone, een rap, een disco remix en een karaoke versie. Via het internet kreeg Bus Uncle plotseling de status van een online beroemdheid. Lokale reporters gingen naar hem op zoek, en achtervolgden hem hij werd voorpaginanieuws.
Opvallend genoeg werd Bus Uncle erg populair. Hij werd een soort held die de echte gevoelens van gewone mensen uitdrukt die dichtopeengepakt leven in een hectische stad waar je niet tegen vreemden praat. Bij Chan sloegen de stoppen door en veel stadsgenoten herkenden dat moment van falend agressiemanagement. I am Bus Uncle, potentially, and so are you. Each of us has a tiny, raging Bus Uncle buried deep within, just waiting to burst free. One tap on the shoulder is all it takes [Eugine Robinson, Washinton Post].
Chan probeerde een slaatje te slaan uit zijn status van YouTube celebrity en werd sindsdien regelmatig met bevallige jonge vrouwen in nachtclubs gezien. Een paar weken nadat de video op internet verscheen, werd Chan in elkaar geslagen tijdens een gerichte aanval op het restaurant waar hij werkte. In Hong Kong werd de video een culturele sensatie en een inspiratiebron van discussies over leefstijl, etiquette en media-ethiek. Vooral jongeren gebruiken de inmiddels beroemde citaten van Chan en maken er parodieën op [YouTube: Bus Uncle; Wikipedia:The Bus Uncle; Zittrain 2008:211].
![]() Dog Poop Girl |
|---|
In de Washington Post beschreef Jonathan Krim dit incident als een test van het schaamtevermogen van het internet [Krim 2005]. Het is niet nieuw dat het internet gebruikt wordt om rekeningen te vereffenen. Natuurlijk is het onfatsoenlijk als hondenbezitters de poep van hun hond in openbare ruimtes niet verwijderen. Maar was het fair om de dog poop girl te transformeren in een schurk die over de hele wereld bekend is? Was de internetmeute hier niet te ver gegaan? Kan de digitale razernij niet meer worden afgeremd? Gaat deze vorm van publieke vernedering niet veel te ver?
Diverse mensen over de hele wereld namen dit incident als voorbeeld voor eigen acties. Zij leggen het gedrag van hun asociale buren vast die hun honden op de stoep laten ontlasten zonder dit zelf op te ruimen, plakken de fotos in de buurt op en zetten ze op het internet. Zij gebruiken de macht van het internet om een norm door te zetten: je bent moreel verplicht de poep van je hond op te ruimen in openbare ruimtes, je mag geen afval op de stoep van je buren storten, je mag op straat niet urineren, je mag niet voordringen in een rij wachtenden enzovoort. Door een cyberdrijfjacht in de blogosfeer worden normschenders opgespoord en digitaal gebrandmerkt [Solove 2007]. Daarbij wordt hun recht op privacy drastisch geschonden de bloggers vinden dat zij dit recht verliezen omdat zij zich onfatsoenlijk hebben gedragen.
![]() Star Wars Kid: Ghyslain Raza |
|---|
We willen privacy voor onszelf, maar zijn erg nieuwsgierig naar de mallotigheden van anderen. In 2006 werd de StarWars Kid de meest populaire virale video op het internet. Het filmpje werd 900 miljoen keer gedownload [BBC 27 november 2006]. Er werden diverse parodieën op gemaakt, waarvan sommige op prime time op de Amerikaanse televisie werden vertoond. Zelfs Hollywood toonde belangstelling. De Star Wars Kid zelf raakte erdoor getraumatiseerd en deed geen enkele poging om munt te slaan uit zijn onvrijwillige beroemdheid. Raza werd tegen wil en dan een welebrity. Hij wilde zelf maar een ding: I want my life back.
De familie van de jongen spande in juli 2003 een proces aan tegen de families van de schoolvrienden en eiste een grote schadevergoeding. Door de ongevraagde media-aandacht zou de jongen zou morele schade leiden. Hij had to endure, and still endures today, harassment and derision from his high-school mates and the public at large. Bovendien moest hij zich voor onbepaalde tijd onder psychiatrische behandeling stellen. De zaak werd geschikt. De Star Wars Kid was niet het eerste geval van cyberpesten, maar het was wel een van de meest bekende, omdat de videobeelden verbonden waren aan de populaire filmserie Star Wars [Wikipedia: Star_Wars_kid; idem_nl].
![]() Jason Fortuny Op zoek naar avontuurtjes |
|---|
Jason kreeg 178 reacties op zijn contactadvertentie en plaatste deze vervolgens op zijn eigen website: craigslist-perverts.org (nu offline). Omdat hij zich als vrouw had voorgedaan die op zoek was naar een dominante sekspartner waren dat allemaal reacties van mannen. Jason publiceerde niet alleen de namen van de mannen die op zijn advertentie reageerden, maar ook hun naaktfotos en de namen van hun echtgenotes (er waren overigens ook reacties van alleenstaande mannen). Op die manier vernietigde hij in een klap hun reputaties, carrières en huwelijken.
Het was als geintje bedoeld. Het was in werkelijkheid een smakeloze, verwerpelijke en schadelijke grap. Mensen met enig fatsoen publiceren in het algemeen geen privé emails, tenzij er hele goede redenen zijn om dat wel te doen. Maar de mannen die op zijn advertentie hadden gereageerd hadden niets illegaals gedaan hoogstens iets onfatsoenlijks. Jason toonde alleen maar aan dat iemand in staat is om online levens te ruïneren. We wisten al langer dat dit ook in lokale gemeenschappen en netwerken mogelijk is. Met de grootste megafoon ter wereld worden tamelijk willekeurige individuen publiekelijk vernederd en digitaal gebrandmerkt. De privacy van het slachtoffer wordt per virtueel volksgericht ter zijde geschoven (zo iemand verspeelt zijn recht op privacy) en het rituele offeren van de heks kan beginnen.
In het debat dat zich over Jasons initiatief op het internet ontspon werd hij door sommigen gevierd als een provocateur, terwijl hij door anderen werd gefileerd als een sociopaat. Als gevolg van zijn experiment verloren twee mannen hun baan. Toen hij in april 2008 werd aangeklaagd door John Doe, nam Jason snel gas terug en verwijderde hij alle referenties naar de rechtszaak. Op 18 april 2009 verloor Jason Fortuny zijn proces en werd hij veroordeeld om zijn anonieme aanklager $74,252.56 schadevergoeding te betalen [Wikipedia: Jason_Fortuny; Jesdanum 2006; Chonin 2006; Doe v. Fortuny 2008].
Julies verkrachter - V.S., 2005
In de zomer van 2005 plaatste Julie een opmerkelijk en weerzinwekkend verhaal op dontdatehimgirl.com (DDHG). Op dit webforum worden mishandelde vrouwen aangemoedigd om hun hart te luchten over het schandalige gedrag van hun ex-vriendjes. Julies verhaal loog er niet om: zij klaagde ene Guido aan die haar eerder in die zomer dronken had gevoerd en vervolgens (ook anaal) had verkracht. Bovendien had hij haar met deze wandaad een seksueel overdraagbare ziekte bezorgd. The whole time the greasy Italian piece of shit raped me, he kept on saying he had genital warts and that I deserved to have them, too, because I was a slut. Ze voelde zich vernederd, werd gedeprimeerd en probeerde zelfmoord te plegen. Het verhaal ging gepaard met een foto van de dader. De reacties laten zich raden: Die smerige klootzak hoort in de gevangenis. We moeten zijn foto overal ophangen en iedereen laten weten wat hij heeft gedaan.
Maar Julies verhaal loog er wel om: alles was gelogen. Guido was in werkelijkheid Erik, een vriend van Julie. Zij gaf uiteindelijk toe dat het afschuwelijke verhaal slechts een geintje was [Green 2006].
|
|
Een andere mogelijkheid is dat men de site zelf aanklaagt. Kan de DDHG aansprakelijk worden gesteld voor de plaatsing van een vals bericht of een bericht dat de privacy van de aangeklaagde mannen aantast? De eigenaar van DDHG, Tasha Joseph, meent dat zij niet aansprakelijk is voor de commentaren die door anderen geschreven zijn. Zij beroept zich daarbij op sectie 230 van de Communications Decency Act die specifieke bescherming biedt aan beheerders van interactieve internetdiensten. Bovendien staat in de Terms of Use van DDHG dat de gebruiker enkel en alleen verantwoordelijk is voor wat zij naar de site stuurt. Maar het is, zoals Julie Hilden [2006] opmerkte, nog altijd de wet en niet de site die bepaalt wie aansprakelijk is.
Er is op internet niets behalve persoonlijke moraal dat iemand belet een ander straffeloos te belasteren. Niemand weet in hoeverre al die verhalen in dontdatehimgirl uit de duim zijn gezogen [Keen 2007:91]. Geen van de aantijgingen op DDHG vereist enig bewijs. Alle aanklachten worden anoniem op de site geplaatst: verkrachting, pedofilie, doodslag, verslaving. Van achter de muur van virtuele anonimiteit worden schadelijke tirades afgestoken, zonder enige correctie op het waarheidsgehalte. Smaad en laster kunnen zonder tussenkomst van selectieve mechanismen rechtstreeks in de openbare ruimte van de virtuele wereld worden verspreid.
Er bestaat overigens ook een tegenhanger van DontDateHimGirl. Op de site GreatBoyfriends.com kunnen vrouwen hun exen aanbevelen bij andere vrouwen. Who doesn’t know a great guy (or girl) who is shockingly, still single? Maybe it’s your best friend, your not-for-me ex, your adorable brother you get it.
Seksdagboek van studenten - Nederland, 2002
In november 2002 ontstaat er een rel in de Utrechtse studentenwereld omdat er een seksdagboek van twee studentes op het internet circuleert. Het dagboek werd uit de kamer van een van de studentes gestolen, gescand en op het uitwisselingsprogramma KaZaA gezet. In het dagboek wisselen de studentes psychologie hun seksuele ervaringen uit, waarbij ze de jongens beschrijven en waarderen met sterretjes en cijfers. De studentes beschrijven hun veroveringen tot in de meest intieme details. Zij vertellen over gescheurde condooms en hoe zij wakker worden naast een jongen en niet meer weten wie het is, hoe hij daar gekomen is en wat zij hebben gedaan.
De belangstelling voor de sites waarop het seksdagboek werd gepubliceerd was enorm. De jongens die in het dagboek vermeld staan (met naam, telefoonnummer en bedprestaties) werden overstelpt met scheldkanonnades en pesterijen. Een aantal van de twaalf jongens sloten hun telefoonnummer af. Volgens het studentenmagazine Smoel circuleerden er in Zwolle gedrukte vormen van het seksdagboek, geheel in kleur en met een nietje er doorheen. Voor de twee studentes werd een fanclubsite opgericht: de Sanne en Lesley Fanclub, waar je onder andere T-shirts kunt bestellen.
De studentes waren geschokt, maar lieten het er niet bij zitten. Hun advocaat eiste van alle sites die de dagboeken publiceerden of ernaar verwezen daar onmiddellijk mee te stoppen. De politie stelde een onderzoek in naar de manier waarop het dagboek openbaar is geworden. Hostingproviders werden veelvuldig gebeld met het verzoek de dagboekbestanden van het internet te halen. Ook eigenaren van websites werden gebeld. Bijna alle providers en webeigenaren voldeden aan dat verzoek. Het dagboek is daardoor nu lastig te vinden. De openbaarmaking van het dagboek valt onder artikel 31 van de auteurswet. Daarin staat dat het openbaar maken van een auteursrechtelijk beschermd document strafbaar is. Een dagboek is een auteursrechtelijk document, juist omdat het een briefwisseling is.
Als men de zaak terugbrengt tot vervreemding van auteursrechtelijke documenten lijkt de zaak simpel. Zon schending van de privacy en het auteursrecht kan met de normale strafrechtelijke middelen worden bestreden. Maar toch blijven deze en vergelijkbare seksdagboekhypes merkwaardige fenomenen. Vreemder kan het eigenlijk niet. In een omgeving waar seksueel materiaal voorhanden is op een schaal die de mensheid nog niet eerder heeft beleefd, is een amper prikkelend relaas van twee jonge meisjes die tamelijk onschuldige seks beleven de grote sensatie. Alleen maar omdat het echt was [Francisco van Jole, NRC 2.12.2002].
Dagboek van een bolletjesofficier - Nederland, 2006
Op 11 mei 2006 publiceerde het populistische webforum GeenStijl intieme details uit het dagboek van Ernst Wesselius, officier van justitie op Bonaire. Wesselius had zijn dagboek, samen met 448 vertrouwelijke documenten met informatie over bolletjesslikkers, witwaspraktijken en kleine criminaliteit per ongeluk toegankelijk gemaakt op internet. Uit angst voor juridische vervolging werden deze documenten niet gepubliceerd, maar het weblog citeert wel intieme seksuele scènes uit zijn persoonlijke levensverhaal. Het zijn openhartige verhalen over zijn seksuele fantasieën, zijn ervaringen met hoeren, zijn stiekeme bezoek aan pornobioscopen en over masturberen. Hij beschrijft ook hoe in een politieonderzoek naar een grootschalige autodiefstal plotseling via een prostituee zijn visitekaartje boven water kwam. Mijn gevoel van dat moment zal ik nooit vergeten, het was of mijn hele wereld compleet instortte, het liefst was ik in een groot gat in de grond voorgoed verdwenen.
Nog groter was de schok toen hij merkte dat GeenStijl en ook de Telegraaf begonnen te citeren uit zijn persoonlijk verhaal dat alleen voor zijn ogen bestemd was. Ik wilde mijn leven op een rijtje zetten. Dat dit nu bij anderen terecht is gekomen, is het allerergste wat kon gebeuren [Telegraaf]. De vertrouwelijke documenten waren samen met zijn levensverhaal op zijn computer in een map geplaatst die via LimeWare (een muziekuitwisselingsprogramma) voor de buitenwereld toegankelijk was. Dat was althans de verklaring die GeenStijl en de Telegraaf gaven. Maar een onderzoek naar de computer van Wesselius wees uit dat dit niet het geval kon zijn, omdat daarop geen software van LimeWare was geïnstalleerd [Elsevier 17.5.2006]. Wesselius zelf zei er geen idee van te hebben hoe deze documenten naar buiten hadden kunnen komen. Ik weet alleen hoe de computer aan en uit moet. Het is verschrikkelijk. Ik heb nog nooit op die computer muziek geruild, ik maak alleen teksten en stuur e-mails [Telegraaf 13.5.2006]. De vertrouwelijke informatie die via de computer van de officier van justitie op straat belandde, is dus mogelijk afkomstig van diefstal.
Samen met de Telegraaf slaagde GeenStijl erin om iemand zwaar te beschadigen door te citeren uit persoonlijke documenten die op dubieuze wijze zijn verkregen. Het aan de kaak stellen dat er opsporingsdocumenten open en bloot via internet verkrijgbaar zijn door incompetent handelen van een officier van justitie, dient nog een maatschappelijk belang. Maar dat geldt niet voor het beschadigen van de privépersoon - dat dient geen ander doel dan het brengen van sensatie over de rug van een ander. Dat is niet geinig en heeft niets te maken met het opzoeken van grenzen, en alles met het overschrijden van elementaire morele grenzen en het tarten van beschavingsvormen. Wesselius reageerde woedend: Dat je privéleven zo te grabbel wordt gegooid is heel erg. Je gevoel gaat alle kanten op. Gelukkig kreeg ik zelf alleen maar goede reacties: honderd procent vindt het een godgeklaagd schandaal.
Leraar verliest geduld - Nederland, 2008
Het gebeurde al eerder en elders, maar in november 2008 duikt een video op waarin een leraar van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht een van zijn leerlingen hardhandig de klas uitzet. Een leerling moet de klas uit zonder zijn tas. Een andere leerling probeert die tas alsnog mee te nemen. Maar hij wordt, met tas en al, hardhandig het lokaal uitgewerkt door economiedocent Jongerius. Een derde filmde het incident met zijn mobiel, voorzag het filmpje thuis van tekst en muziek, en dumpte het op GeenStijl.
De rector van de school, Hanneke Taat, benadrukte dat het filmpje maar een deel van de waarheid onthult. Een leraar mag zijn geduld niet verliezen, maar soms wordt het wel erg moeilijk gemaakt. Dit filmpje laat echter maar één kant van de zaak zien. We weten nog niet precies wat eraan vooraf ging. We zijn het aan het uitzoeken. Drie leerlingen van de Utrechtse Scholengemeenschap werden geschorst. Maar het kwaad was al geschied en het filmpje is nu nog op het internet te zien. Een filmpje op internet, en de schoolreputatie is naar de filistijnen. Op sommige scholen worden mobieltjes in de klas verboden en moeten zij in kluisjes worden opgeborgen.
Prins aan de schandpaal(journalistiek) - Nederland, 2004
Een van de eerste slachtoffers van de Nederlandse treiterlogs was Trudy Prins, directeur van Stivoro (voorlichtingsorganisatie op het gebied van roken). Het begon met een op 2 januari 2004 in GeenStijl gepubliceerd redactioneel commentaar waarin getwijfeld werd aan het aantal mensen dat zich volgens Stivoro had voorgenomen om te stoppen met roken. De redactie van GeenStijl nodigt haar bezoekers vervolgens uit om e-kaarten te sturen naar Prins en haar op te bellen. Zij werd overspoeld door haatmails, bekendmaking van persoonsgegevens en dreigementen. Er werd zelfs gesuggereerd om een pedofiel naar haar huis te sturen om haar kinderen anaal te verkrachten. De redactie van GeenStijl gaf hiertoe de aanzet, maar wijst elke verantwoordelijkheid voor wat hun bezoekers (reaguurders) in het weblog opschrijven van de hand.
Met gepaste voorzetten van de redactie van GeenStijl nam de razernij steeds dreigender vormen aan:
Prins overwoog aangifte te doen van de haatcampagne. Maar zij werd er door de digitale recherche op gewezen dat de pakkans zeer klein was, dat een onderzoek naar de herkomst van deze teksten weer nieuwe haatberichten zou genereren en dat de dader waarschijnlijk toch niet meer zou krijgen dan een lichte taakstraf. Zij zag er uiteindelijk van af om zich juridisch te verweren. Maar de stichting Stivoro wist de provider van GeenStijl zodanig onder druk te zetten, dat het bedrijf de samenwerking met het weblog opzegde. Naar aanleiding van de bedreigingen van Trudy Prins ging GeenStijl tijdelijk uit de lucht, maar kwam na een aantal maanden weer online. GeenStijl was even uit de lucht, om vervolgens via een andere hostingprovider opnieuw woest grommend bij Stivoro aan de broekspijp te hangen [WebWereld].
|
Hoewel GeenStijl nog steeds haar kettersrol binnen de journalistiek vervult, zijn inmiddels bijna alle reacties die betrekking hebben op de directrice van Stivoro van het weblog geschrapt. Zelfs de vermelding van het Stivoro-verhaal bij de Stijlloze Klassiekers is inmiddels van de openingspagina verwijderd. Bovendien werden ook de huisregels verscherpt. Wat niet meer wordt toegestaan zijn racisme, antisemitisme, rabiaat extreemrechts taalgebruik en bedreigingen. In de toelichting wordt daaraan toegevoegd: Met nekschoten en (fictieve) doodsbedreigingen begeeft u zich op zeer glad ijs. Ja, wij weten dat het grappig bedoeld is. Uw medecommenters moeten er wellicht ook hartelijk om lachen. Maar de werkelijkheid is dat de rechter alleen kijkt naar hoe uw slachtoffer zich voelt en niet hoe u uw doodsbedreiging instak. Dus als het echt nodig is, doe (doods)bedreigingen dan alleen met wederzijdse instemming, eventueel onder het genot van een biertje. [...] Bedreig never-nooit-niet prominente personen of onderwerpen die wij op GeenStijl behandelen. Dat levert u in het ergste geval een arrestatie op!. Inmiddels adverteert Stivoro sinds december 2007 weer met betaalde reclamebanners op GeenStijl: stoppen met reaguren is n eitje, stoppen met roken is moeilijker, dump je stopfilm, klik hierrr... Voor geld is bijna alles altijd te koop.
|
|
![]() Dominique Weesie |
Vervreemding van virtuele goederen |
|---|
Kan het vervreemden van digitale goederen als strafbaar feit worden aangemerkt, of is het slechts een onfatsoenlijke daad die morele afkeuring verdient? Het antwoord op die vraag bleef in Nederland jarenlang onbeantwoord. Voor oktober 2008 werden de dieven van digitale goederen door de rechter vrijgesproken. Digitale objecten werden door de rechters niet beschouwd als goederen die wederrechtelijk kunnen worden toegeëigend. Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht zegt daarover: Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. Door het toegenomen economisch belang van online gaming en de verhandeling van virtuele objecten die door spelers worden gebruikt in online games, wordt de vraag steeds urgenter wat de juridische status is van die objecten. Kunnen virtuele goederen object van eigendom zijn?
Dieven in Habbo Hotel
Wie zijn eigen huis binnen loopt en merkt dat alle meubels opeens verdwenen zijn, doet onmiddellijk aangifte van diefstal. Als de dader(s) van deze diefstal kunnen worden opgespoord, zullen zij door de rechter voor wederrechtelijke toeëigening worden veroordeeld. De meubeldieven hebben immers op onrechtmatige wijze feitelijke beschikkingsmacht verkregen over goederen die mijn eigendom zijn. Maar hoe ligt dat in de virtuele wereld? Kun je virtuele goederen stelen? De meubels, kleding, huizen, huisdieren en gadgets in de 3D virtuele werelden zijn weliswaar niet echt in de zin dat het tastbare objecten zijn. Maar de objecten waarover men in virtuele werelden kan beschikken hebben voor hun gebruikers wel degelijk grote waarde, en zij hebben daarin veel tijd en soms ook veel echte euros geïnvesteerd. Wie ook over deze objecten wil beschikken moet daarvoor met echte euros betalen of moet de vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn om ze zelf te maken. Wie dergelijke objecten van anderen pikt, maakt zich dus schuldig aan diefstal dan wel schending van intellectueel eigendom (vervreemding van zelfgemaakte digitale objecten).
|
|
Voor het stelen van digitale goederen op Habbo Hotel werden diverse tactieken gebruikt. Om achter de gebruikersnamen en wachtwoorden voor Habbo Hotel te komen, werden hotmail-accounts van andere jongeren gehackt en werd gebruikt gemaakt van nep-websites. In een uitzending van Nova [13 november 2007] werd deze virtuele diefstal in beeld gebracht.
Toch werd dief van de digitale spullen niet veroordeeld [DAG - 14.11.2007].
|
|
De rechter motiveerde zijn oordeel als volgt:
Allereerst is van belang of een goed voor de bezitter ervan waarde heeft. Deze waarde hoeft niet in geld uitgedrukt te kunnen worden. In de huidige maatschappij zijn de virtuele goederen uit het online computerspel RuneScape van grote betekenis geworden. Voor grote aantallen online gamers hebben deze goederen waarde. Hoe meer virtuele goederen een speler heeft, hoe sterker hij is in het spel.
Bovendien worden de virtuele goederen voor geld gekocht en verkocht, bijvoorbeeld via internet of op het schoolplein. Bij grote spelen zoals World of Warcraft bestaat op eBay al een levendige handel in spelobjecten en zelfs complete accounts. Uit de onderhavige zaak blijkt ook dat het masker en de amulet voor zowel aangever als verdachte en medeverdachte waarde hadden.
|
In 1918 tapt een tandarts te s-Gravenhage gedurende enkele maanden stroom af van het elektriciteitsnet. Zonder te betalen, want hij was in staat om de energiemeter stop te zetten door inbrenging van een pen. In die tijd was men het er nog niet direct over eens dat dit diefstal was. Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht definieerde diefstal immers als het ontvreemden van enig goed dat aan een ander toebehoort. De verdediging zei: stroom kun je toch niet zien, kun je toch niet vastpakken, het is toch niet tastbaar. Bij stroom is geen sprake van enig goed en dan kun je het ook niet wederrechtelijk wegnemen. Er werd lang over heen en weer gediscussieerd. Uiteindelijk gaf de Hoge Raad in 1921 uitsluitsel. Zij besliste dat elektrische energie een goed is dat weggenomen kan worden met het oogmerk om zich dat goed wederrechtelijk toe te eigenen [Elektriciteitsarrest, HR 23 mei 1921, NJ, 564]. Overigens was al in 1851 door de Hoge Raad vastgesteld dat gas een goed is dat gestolen kan worden [HR 22 april 1851, W. 1394]. In vergelijkbare zin is vastgesteld dat ook giraal geld een goed of vermogensobject is dat vervreemd kan worden. Een banksaldo is een virtueel object daarbij maakt het niet uit of het saldo wordt bijgehouden in een kaartenbak of in een elektronische database. In 1982 oordeelde de Hoge Raad dat een in giraal geld bestaand geldbedrag dat abusievelijk door een ander op iemands bankrekening is overgemaakt, kan worden aangemerkt als een goed dat als toebehorende aan die ander, vatbaar is voor toe-eigening door de rekeninghouder [HR 11 mei 1982, NJ 1982, 584]. |
De virtuele amulet en het virtueel masker [...] zijn geen stoffelijke goederen, alhoewel ze wel waarneembaar zijn. Gelet op de bedoelde jurisprudentie is dat geen beletsel om ze als goed als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken.
Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat een belangrijk kenmerk van een goed in strafrechtelijke zin is dat de wegnemer bij diefstal de feitelijke macht over het gestolen goed verkrijgt en de bestolene de feitelijke macht door het wegnemen daarover verliest.
Het bezit van het goed moet van de een naar de ander kunnen overgaan. Met strafrechtelijk bezit wordt bedoeld het hebben van feitelijke macht. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat het voorgaande niet het geval is bij een pincode, computergegevens en belminuten van een telefoonabonnement.
De in de onderhavige zaak bedoelde virtuele goederen, te weten een virtuele amulet en een virtueel masker, waren in het bezit van aangever. Alleen hij had de feitelijke macht over die goederen. Het bezit van die virtuele goederen kan worden overgedragen, bijvoorbeeld door de goederen van het ene account naar het andere over te hevelen.
In de onderhavige zaak zijn de goederen ook overgegaan, namelijk uit de feitelijke macht van aangever naar die van verdachte en de medeverdachte. Verdachte en de medeverdachte hebben de goederen van het account van aangever overgebracht naar het account van verdachte. Hierdoor is aangever de feitelijke macht over de goederen kwijtgeraakt en hebben verdachte en de medeverdachte de feitelijke macht daarover verkregen.
Nu de virtuele amulet en het virtueel masker [...] aan de hiervoor genoemde criteria voldoen, is de rechtbank van oordeel dat deze virtuele goederen onder het begrip goed als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht vallen en toebehoorden aan aangever.
Digitale goederen zijn objecten die primair in de virtuele wereld hun betekenis en waarde hebben en die daarom ook object van vervreemding kunnen worden. De status van een speler in een online game is door die speler zelf opgebouwd en vereist in de regel een grote tijdsinvestering. De toegang tot die virtuele rijkdom en de formele beschikkingsmacht om daarmee online te manipuleren worden beschermd door de unieke inloggevens (gebruikersnaam en wachtwoord) waarmee men toegang krijgt tot het spel. Wie over deze inloggegevens beschikt, kan daarmee allerlei handelingen verrichten die een eigenaar toekomen, zoals overdragen, uitsluiten van derden, vernietigen en prijsgeven (in de regel verwerven de gebruikers deze rechten op grond van de gebruiksovereenkomst met de aanbieder). Gebruikers verkopen virtuele goederen dan ook alsof het hun in eigendom toekomende zaken zijn (hoewel dit soms in tegenspraak is met een contractueel overdrachtsverbod, zoals bij Second Life). Iemand die zich deze toegangssleutel onrechtmatig toeëigent, doet precies hetzelfde als een dief die de bankdirecteur dwingt om de code van de geldkluis af te staan.
|
|
De uitspraak van de Rechtbank in Leeuwarden zorgt voor interessante jurisprudentie: het stelen van virtuele spullen is in Nederland voortaan strafbaar.
|
Toen haar voormalige virtuele echtgenoot, een 33-jarige kantooremployee, ontdekte dat zijn geliefde avatar om het leven was gebracht deed hij aangifte bij de politie. Hij had zijn avatar meer dan een jaar opgevoed [Sky News]. De pianolerares werd op 22 oktober 2008 thuis gearresteerd en 1.000 km van haar huis in Sapporo opgesloten Dit voorbeeld laat niet alleen zien hoe de scheidslijn tussen werkelijkheid en fantasie kan vervagen, maar ook en vooral hoe internet gebruikt kan worden om persoonlijke rekeningen te vereffenen. Wanneer het hiernaastmaals van de virtuele wereld vervloeit met het hiernumaals van de lokale wereld, hoe groot is dan de afstand tussen een virtuele moord op een zorgvuldig gekoesterde avatar en een fysieke moord op het lichaam van zijn schepper? Uit experimenteel onderzoek blijkt dat de persoonlijkheid van iemands Second Life karakter in het lokale leven van de speler kan doorwerken. Yee & Bailenson [2007, 2008] noemen dit het Proteus Effect (de Griekse god Proteus kon zeer uiteenlopende zelfrepresentaties aannemen; hij had de onhebbelijke gewoonte om op de vreemdste momenten op te duiken, telkens in andere gedaanten). Als iemand bijvoorbeeld een meer aantrekkelijke avatar heeft, dan acteert die persoon niet alleen extraverter dan normaal in een online spel, maar dan kan die extravertheid ook op het lokale leven overslaan. Wanneer we onze avatars ontwerpen verandert ook op subtiele wijze de manier waarop we ons gedragen. Individuen acteren assertiever en agressiever wanneer zij met een grote avatar spelen, zelfs als zij in werkelijkheid niet groot zijn. Je kunt het ook omkeren, zoals Kristina Dell van Time magazins suggereerde: Ik overweeg om mijn avatar een hutje bij de zee te geven en een charitatief baantje. Misschien stromen dan een paar van de positieve gevoelens over naar mijn werkelijke leven. Het zou kunnen werken, want zelfperceptie beïnvloedt ons gedrag. |
Internet als burgerwacht en dievenvanger |
|---|
We hebben gezien hoe internet niet alleen gebruikt wordt om persoonlijke rekeningen te vereffenen, om gênant gedrag van individuen te ridiculiseren en om normoverschrijdend gedrag aan de orde te stellen. Het internet fungeert daarbij als prisma waarin individuen plotseling en onvrijwillig in de schijnwerpers van cyberspace worden geplaatst. In principe heeft iedereen ermee te maken: van pubers, gescheiden vrouwen, leraren, politici tot de directeuren van grote ondernemingen. In veel gevallen wordt daarbij privé materiaal zonder toestemming van de eigenaar op internet gepubliceerd (bij afpersing wordt daarmee gedreigd). Volgens de Raad van Journalistiek is dat verboden. Maar de internetpublicisten houden zich niet aan deze journalistieke code.
Internet wordt in toenemende mate ook gebruikt om echte wetsovertreders op te sporen. Vermeende daders van een misdrijf worden herkenbaar in beeld gebracht en met naam en toenaam genoemd. Soms gebeurt dit door particulieren, maar steeds meer wordt het middel ook door de overheid zelf toegepast.
Eigenmachtige opsporing
Een drogist uit Nieuwegein was door een jongeman bestolen in zijn winkel. De drogist, Aart van Tellingen, nam begin maart 2006 wraak op de winkeldief: hij zet een filmpje van de stelende jongen online. Op het filmpje is te zien hoe de jongeman schaamteloos zijn tas vult met tientallen mascararollers ter waarde van 1.400 euro. Toen hij aangifte deed, stelde de drogist de bewakingsbeelden ook aan de politie ter beschikking. Tegenover het AD [3 mrt. 2006] verklaarde de drogist:
Hinderlijk volgen en brandmerken
Er zijn diverse particuliere sites waarin de burgers worden geïnformeerd over al dan niet veroordeelde oplichters, fraudeurs en pedofielen. Met behulp van internet worden burgers opgeroepen om waakzaam en weerbaar te zijn. Voorbeelden daarvan zijn mokka.punt.nl (tot maart 2007) en ListEnBedrog.nl (een openbare aanklacht tegen misstanden) die namen publiceert van oplichters.
Een daarvan is Sebastiaan B. [1985] die bij een aantal mensen en bedrijven schulden maakte die hij nooit betaalde. Hij is daarvoor inmiddels veroordeeld en gaat niet in hoger beroep. Sinds 2004 wordt B. op diverse websites bedreigd en beschuldigd van allerhande zaken. De gevolgen zijn niet te overzien: B. heeft twee zelfmoordpogingen ondernomen en word nog steeds bedreigd en beledigd. Volgens zijn advocaat maken de eigenaren van het weblog zich schuldig aan smaad, laster en bedreiging. B. erkende dat hij fout zat en accepteerde zijn veroordeling. Zijn probleem is niet de veroordeling, maar zijn kans op een tweede start: Ik krijg door de publicaties op internet nooit de kans om opnieuw te beginnen. Het blijft me achtervolgen. Internet verjaart niet - het kan je je hele leven achtervolgen. In het strafrecht wordt uitgegaan van de onschuldpresumptie (je bent onschuldig, tenzij je door de rechter wordt veroordeeld) en na een bepaalde straftijd te hebben uitgezeten, krijg je een nieuwe kans om in de samenleving te integreren. Wie eenmaal op internet als crimineel aan de schandpaal is genageld, is levenslang gebrandmerkt en loopt grote kans als ex-gedetineerde duurzaam gediscrimineerd te worden.
De maker van listenbedrog, Martin van Kampen, vindt het flauwekul dat de dader niet bij naam genoemd mag worden en het slachtoffer wel. Hij heeft de site opgezet als een waarschuwing tegen dit soort mensen. Bovendien haalt hij de meeste publicaties uit de kranten: ik bundel ze alleen maar. Maar de advocaat van B. bestrijdt dit: Listenbedrog mixt journalistieke feiten met eigen inkleuring en hangt daarom tegen laster of smaad aan [AD - 3.6.2006].
Jagen op veroordeelde pedofielen
Jagen op mannen die via het internet, onder een valse identiteit contact zoeken met kinderen en die hen proberen te verleiden tot seksuele handelingen. Dat mag en kan zelfs preventief werken. Maar het achtervolgen van veroordeelde pedoseksuelen die hun straf hebben uitgezeten? Dat is misplaatste eigenrichting. Op de site Stopkindersex (SKS) die op 31 mei 2006 werd gelanceerd stond een lijstje met postcodes van wijken waarin een veroordeelde pedofiel woont. Iedereen kan op die manier nagaan of er een veroordeelde pedoseksueel in zijn of haar postcodegebied leeft. De site is opgericht om mensen te waarschuwen tegen heren die op internet zitten en die seksueel contact met kinderen willen, zei initiatiefneemster Yvonne van Hertum. Zij was al eerder door de rechter veroordeeld omdat zij pedofielen met naam en toenaam op haar site had geplaatst. In het televisieprogramma Pauw & Witteman [26.2.2007] legde van Hertum uit dat zij en haar vrijwilligers op verschillende chatsites heren uit de tent lokken die via het internet seksueel contact zoeken met minderjarigen. Gaat iemand in op de avances, dan wordt het individu in kwestie publiekelijk aan de schandpaal genageld: zij worden met foto, naam en toenaam op de site geplaatst [zie ook: EénVandaag - 26.9.2007].
|
|
De logica van naming and shaming is dat zedendelinquenten die hun straf hebben uitgezeten, nog een keer door de samenleving worden gestraft. Zij worden onvoorwaardelijk en zonder uitzicht op verjaring aan de virtuele schandpaal genageld. Het op een dergelijke wijze afficheren van veroordeelden past niet in de Nederlandse rechtsorde, schreef de Minister van Justitie, Hirsch Ballin in antwoord op kamervragen [bron]. Wie melding wil maken van kinderporno en het seksueel benaderen van kinderen op of via het internet, kan dit beter melden bij het MeldpuntCyberCrime (MCC), het officiële politiemeldpunt op het internet.
Politie zoekt extra ogen
In zijn nieuwjaarstoespraak van 2004 opperde korpschef Peter Vogelzang van de regio Utrecht om fotos van draaideurcriminelen (veelplegers) op internet te zetten en te verspreiden in de wijken waar ze hun misdrijven plegen. Door criminelen in het openbaar aan de schandpaal te nagelen, hoopt de politie burgers beter te informeren over veiligheid en criminaliteit in de buurt. Burgers zijn grotendeels zelf verantwoordelijk voor de veiligheid in hun buurt. Ze hebben dan ook het recht om te weten wie in hun wijk voortdurend misdrijven pleegt. Vogelzang wist dat hij daarmee de grenzen van de privacywet opzoekt, maar hij meent dat maatschappelijke belangen prevaleren boven de privacybelangen van criminelen. Hij kreeg hiervoor weinig steun vanuit de politiek en het Openbaar Ministerie, vooral vanwege het gevaar van eigen rechter spelen. De juridisch woordvoerder van de PvdA Wolfson merkte op: Het lijkt op het rondrijden van een veroordeelde op de mestkar, net als in de Middeleeuwen. Het voorstel van de korpschef ging in werkelijkheid nog verder. Bij het uit de anonimiteit halen van veelplegers gaat het immers niet om opsporing van verdachten of om tentoonstelling van veroordeelden, maar om het waarschuwen van het publiek tegen ex-veroordeelden die op vrije voeten zijn. Daarmee wordt ex-gedetineerden de kans onthouden om terug te keren in de maatschappij zonder dat zij worden beschimpt, bespot of belaagd.
![]() Peter Hustinx |
|---|
In 2005 gooide de politie Rotterdam Rijnmond gooide de knuppel in het hoenderhok en publiceerde op internet de fotos van verdachten bij de voetbalrellen rond de wedstrijd Feyenoord-Ajax op 17 april 2005. De dienst stuurde 17.000 smsjes naar iedereen wiens mobieltje in de buurt was op het moment van de rellen. Met deze moderne opsporingstechnieken werden veel mensen bereikt (bijna 80.000 hits op de site), en kon uiteindelijk ook een aantal verdachten worden gearresteerd en stadionverboden worden uitgedeeld. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de privacywaakhond, onderzocht de publicatie van de fotos, maar concludeerde dat dit gewetensvol was gedaan. Het publiceren van foto’s van verdachten is toegestaan, mits met mate en in redelijkheid. Daarbij dienen het Openbaar Ministerie en de politie steeds belangen tegen elkaar af te wegen: het belang van privacy versus dat van straf en preventie. Publicatie mag alleen bij verdachten van misdrijven waar voorlopige hechtenis op staat. En bij ontsnapte, gewelddadige gedetineerden, vermiste personen en onbekende doden. Het CBP eist dat de beslissing om te publiceren per verdacht individu apart moet worden genomen. Daarbij moet in het bijzonder worden gelet op beschadigende en onomkeerbare neveneffecten van publicatie op internet voor ‘first offenders’, mensen die nooit eerder met de politie in aanraking waren. Het publiceren van politiefotos moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De publicatie moet enerzijds in een redelijke verhouding staan tot het doel (het voorkomen van strafbare feiten) en mag anderzijds alleen als er geen ander, minder ingrijpend middel voorhanden is [NRC 1.2.2008].
In januari 2008 werd in de Rotterdamse gemeenteraad een voorstel aangenomen om fotos en camerabeelden van Rotterdamse raddraaiers en vandalen standaard op internet te zetten. Daarbij wordt een escalatiemodel gehanteerd, waarbij raddraaiers en vandalen eerst met een balkje voor de ogen, maar uiteindelijk volledig herkenbaar worden afgebeeld. Wie zich misdraagt, verspeelt het recht op privacy, verklaarde PvdA-fractievoorzitter Peter van Heemst. Hij vind dat de politiek zendtijd moet inkopen bij de lokale tv-zender en desnoods wekelijks beelden laat zien van lieden, die de leefbaarheid in deze regio aantoonbaar verzieken. De Rotterdamse Ombudsman, Migiel van Kinderen, noemt het een draconische maatregel, die ingegeven lijkt door rendementsdenken en appelleert aan onderbuikgevoelens [NRC 1.2.2008].
|
Amber Alert
Naar Amerikaans voorbeeld werd in november 2008 ook in Nederland een omvangrijk alarmsysteem, Amber Alert, in werking gezet waarmee de politie in heel Nederland groot alarm kan slaan zodra een kind wordt vermist. Via sms, e-mail en beeldschermen op stations en vliegvelden kunnen de gegevens van een vermist kind openbaar worden gemaakt. Op die manier kunnen heel veel mensen tegelijk naar een vermist of ontvoerd kind uitkijken.
Amber Alert werd ontwikkeld door het software bedrijf Netpresenter, in samenwerking met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). In de Verenigde Staten is het systeem al sinds 1996 in gebruik. In dat jaar werd het 9-jarige meisje Amber Hagerman in Arlington (Texas) ontvoerd. Zij werd op 13 januari van haar fiets in een vrachtwagen getrokken en werd vier dagen later dood gevonden.
Sinds de introductie van het Amerikaanse systeem zijn volgens de beheerders al honderden kinderlevens gered. Maar er zijn onderzoekers die dergelijke aantallen betwisten. De criminoloog Timothy Griffin (Universiteit van Nevada, Reno) onderzocht honderden ontvoeringszaken tussen 2003 en 2006. Hij concludeerde dat Amber Alert in werkelijkheid geen enkele rol vervulde in de eventuele terugkeer van ontvoerde kinderen. In de zeldzame gevallen waarin kidnappers van plan waren het kind te verkrachten of te doden, slaagde Amber Alert er meestal niet in om levens te sparen. De successen van Amber Alert betroffen meestal voogdijgeschillen die voor de ontvoerde kinderen geen risico vormden. De meeste ontvoeringen van kinderen worden uitgevoerd door een familielid (meestal een gescheiden ouder die niet de voogdij kreeg toegewezen) of goede kennis van het slachtoffer (vaak een babyoppas). Bovendien zou het merendeel van deze kinderen ook gered zijn zonder Amber Alert. Griffin ziet Amber Alert als een crime control theater en vreest dat het systeem meer op emoties gebaseerd is dan op acties die daadwerkelijk effectief zijn. Amber Alerts zijn het minst succesvol in de meest gevaarlijke gevallen, waarin het kind door een vreemde ontvoerd is.
Het multimediale alarmsysteem biedt burgers de mogelijkheid om opsporingsberichten te ontvangen via de PC (e-mail, pop-up venster, screensaver of instant messenger), via de mobiele telefoon of PDA (sms), via de eigen website (website alert pop-ups, RSS-newsfeed), of via beeldkranten op goed zichtbare plekken in benzinestations, gemeentehuizen, bibliotheken, supermarkten, trams, treinen, metros, voetbalstadions, of wachtruimtes in treinstations, luchthavens of ziekenhuizen. Amber Alerts worden alleen uitgestuurd wanneer gevreesd wordt dat het leven of de gezondheid van het kind gevaar loopt. De verwachting is dat dit maximaal 10 keer per jaar zal zijn. De berichten bestaan uit een foto, de naam en andere belangrijke gegevens van het kind. Als het kind door een onbekende is meegenomen wordt tevens informatie verstrekt over diens auto, de kleur of het kenteken.
Opsporingssites
Dagelijks vinden er in heel Nederland tal van misdrijven plaats waarbij de politie de hulp nodig heeft van mensen die bijvoorbeeld getuige van het misdrijf waren of waardevolle informatie hebben. Door middel van opsporingsberichtgeving vragen OM en politie het publiek om hulp bij de opheldering. Dit gebeurde al via de televisie, de radio en de krant, en gebeurt nu ook via internet. Zowel op nationaal als op regionaal en plaatselijk niveau zijn er diverse opsporingssites, waarin politie en justitie van gewone burgers vraagt een steentje bij te dragen aan de misdaadbestrijding. Soms zijn deze sites door de politie zelf opgezet, soms ook door particulieren in samenwerking met de bevoegde autoriteiten.
Daarnaast fungeren in Nederland een aantal meldpunten waarop crimineel gedrag op internet kan worden aangemeld. Op het door de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken ingestelde Meldpunt Cybercrime kunnen alle vormen van cybercriminaliteit (kinderporno, terrorisme) worden aangemeld. Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) werd opgericht om discriminatie op het Nederlandse gedeelte van het internet te helpen voorkomen en bestrijden. Het MDI werkt nauw samen met diverse organisaties zoals Art.1, Politiek, Openbaar Ministerie en verschillende buitenlandse organisaties die zich bezighouden met de bestrijding van discriminatie op het internet.
![]() Guusje ter Horst Minister van Binnenlandse Zaken |
In de vele reacties op het internet overheerste het wantrouwen tegen de bemoeizucht en betutteling door de overheid. Laat de overheid zich eerst maar zelf fatsoenlijk gaan gedragen en dan volgen vele voorbeelden van onfatsoenlijk overheidsgedrag. Of omgekeerd: Laten we als burgers maar eens vastleggen wat fatsoenlijke politici zijn. Overigens hoort bij goed burgerschap ook: niet dronken achter het stuur zitten en vervolgens proberen om je onder een boete uit te werken (ook al ben je burgemeester van Nijmegen). Kortom: Verbeter de wereld en begin bij jezelf.
Hebben fatsoensoffensieven van de overheid überhaupt enige zin? Daar wordt sterk aan getwijfeld.
Belediging en discriminatie
In de loop der jaren zijn er uiteenlopende voorstellen gedaan om het internet wettelijk te reguleren. Een van de meest vergaande is het voorstel om de anonimiteit op internet te verbieden. Afgezien van de eerder genoemde principiële bezwaren is een dergelijk verbod praktisch niet doorzetbaar. Het zou in ieder geval de vrijheid van meningsuiting op het internet beperken.
Het vrije woord is echter pas echt vrij wanneer het de grenzen van respect en redelijkheid in acht neemt. Die grenzen worden getrokken door het verbod op belediging en discriminatie van groepen mensen en het aanzetten tot haat of geweld tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Dat is ook in de Nederlandse wetgeving het geval. De belangrijkste grenzen van het vrije woord zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht (WvS).
|
|
In 2008 stelde Minister Hirsch Ballin van Justitie voor om de strafbepaling inzake godslastering te laten vervallen. Daarmee leek hij eindelijk tegemoet te komen aan een wens van de parlementaire meerderheid. Maar hij stelde tegelijkertijd voor de werking van de anti-haatbepaling van artikel 137c uit te breiden, zodat daardoor ook religieuze gevoelens beschermd worden. Bovendien wil de minister in de tekst van artikel 137c na het woord opzettelijk de woorden onmiddellijk of middellijk invoegen. Daarmee wilde hij een signaal afgeven dat minderheidsgroeperingen tegen onnodig grievende uitlatingen beschermd moeten blijven.
Geuzenpenning Liever Turks dan paaps |
Zelfregulatie van virtuele gemeenschappen |
|---|
Utopie van open gemeenschappen
Bij de eerste generaties internetgebruikers overheerste een utopische visie op de toekomst van online gemeenschappen. In deze visie zou de internettechnologie er min of meer automatisch toe leiden dat alle grenzen worden afgebroken en dat de macht van natie-staten wordt teruggedrongen. In de idyllische visie verschijnt internet als een new frontier waar mensen in vrede leven, onder hun eigen regels, bevrijd van de dwangmatigheden van een onderdrukkende samenleving en vrij van overheidsbemoeienis. Internet werd gezien als een onstopbare moloch die de hele sociale en politieke organisatie van de samenleving op zn kop zet. In plaats van het industriële kapitalisme met zijn exploitatie, zijn concentratie en zijn strakke hiërarchieën, zou een volledig laterale netwerksamenleving ontstaan, waarin de vrij geassocieerde burgers alle kennis en inzichten met elkaar delen (open-source) en al delibererend direct democratisch beslissen over de toekomst van de via internet verenigde mensheid. De utopische visie op internet werd gevoed door de hoop dat de wereld aanzienlijk zou verbeteren als elk individu in staat is om met elk willekeurig ander individu te communiceren.
Achter deze nogal naïeve verwachtingen gaat een denkwijze schuil die in de techniek-sociologie als technologisch determinisme bekend staat. Deze denkwijze kan in twee (vooronder)stellingen worden samengevat. Ten eerste wordt de technologische ontwikkeling opgevat als een gegeven dat zichzelf voortbrengt en slechts één traject volgt. Technologische innovaties zouden zich volgens een eigen logica voltrekken en volgens ontwikkelingswetten die louter technisch en niet sociaal beperkt zijn. Ten tweede wordt verondersteld dat het technologisch proces eenduidige externe of sociale effecten heeft. Internettechnologie zou per definitie en min of meer automatisch emanciperende en democratiserende effecten met zich meebrengen.
|
|
Het ideaal van de virtuele gemeenschap was dat zij volledig vrij en ongeregeld zou zijn:
Het is hier niet de plaats om de geschiedenis en de leerprocessen van virtuele gemeenschappen te schrijven. Maar het is wel duidelijk dat de noties over een volledig autonoom en zichzelf regerend virtueel hiernaastmaals inmiddels veel van hun frisse kleuren hebben verloren en zwaar in diskrediet zijn gebracht. Al in 1998 was internet al sterk gecommercialiseerd, op een manier die haar uitvinders en grondleggers niet voor mogelijk hadden gehouden. Door de commercialisering en pornoficatie van het internet hebben chatrooms, webfora en andere virtuele associaties vaak op de harde manier geleerd dat zij gedragsregels nodig hebben om zichzelf als gemeenschap in stand te houden en te beheren.
Zelfregulatie en virtuele socialisatie
Om crimineel gedrag op internet te bestrijden is er behoefte aan een opsporings- en vervolgingsbeleid van de overheid, dat in staat is om de boeven in cyberspace te identificeren. Deze monitoring van crimineel gedrag op internet is moeizaam van de grond gekomen en kampt nog steeds met onvoldoende capaciteit om in de zeer uitgebreide en erg complexe virtuele wereld naar digitale sporen te zoeken die naar daders kunnen leiden, en om voldoende betrouwbare informatie te verzamelen om een succesvolle aanklacht voor het gerecht te brengen.
Maar hoe goed de officiële opsporings- en vervolgingsinstanties ook hun werk doen, zij kunnen dat nooit alleen - zij hebben de hulp van de internetburgers hard nodig. Bovendien worden op deze manier alleen de grootste uitwassen die strafrechtelijk al verboden zijn bij de kop gepakt. Het mindere kwaad van het onfatsoen en van de cultuur van de grote bekken blijft buiten het bereik van de sterke arm. Dit kwaad moet door de netburgers zelf bestreden worden.
De belangrijkste les uit de geschiedenis van virtuele gemeenschappen is dat zij zich beter moeten wapenen tegen interne balansverstoringen en kwaadaardige aanvallen van buitenaf. De virtuele gemeenschappen zullen zichzelf moeten reguleren en strategieën moeten bedenken om processen van virtuele socialisatie op gang te brengen.
De eerste stap in dit proces is het ontwikkelen van gemeenschappelijke waarden en gedragsnormen en de vastlegging daarvan in eigen huisregels. De basisidee van elke netiquette is simpel: Gedraag je, ook op internet. Maar zoals we gezien hebben zijn de fatsoensregels die daarbij gehanteerd worden niet altijd even duidelijk en soms sterk omstreden. Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil, maar het is niet erg verstandig en meestal ook erg onfatsoenlijk om alles wat je voor de mond komt ook maar op internet neer te typen. Discriminerende, beledigende of bedreigende uitlatingen zijn niet alleen onbehoorlijk en/of strafbaar, maar tasten de principiële voorwaarden aan van een werkelijk vrije discussie op webfora. Internetgemeenschappen die de vrijheid van meningsuiting koesteren, zullen erop moeten toezien dat de democratische voorwaarden voor een vrije meningsuitwisseling worden gerespecteerd. Dit is geen beperking van de vrijheid van meningsuiting, maar maakt deze vrijheid pas mogelijk.
Het rechttoe rechtaan zeggen wat men denkt, zonder de mogelijkheid van het overbrengen van toon en gelaatsuitdrukking, leidt snel tot misverstanden en soms tot hevige woede. De ervaringen daarmee hebben geleid tot de ethische norm: Wees ruimdenkend bij het ontvangen en terughoudend bij het verzenden. Zon morele richtlijn schrijft niet precies voor wat men wel en niet mag doen, maar biedt toch enig houvast in kritische discussies over de democratische cultuur van een virtuele gemeenschap.
![]() Beleefdheid |
In de grotere webfora worden meestal uit het ledenbestand mensen gerekruteerd die de taak krijgen om de discussiebijdragen te modereren. Moderatoren zijn de poortwachters van virtuele gemeenschappen die dagelijks toezien op het verloop van de discussies. Omdat zij de postings op de voet volgen, kunnen zij waar nodig direct optreden wanneer zij de indruk krijgen dat er dingen gebeuren die niet in de betreffende gemeenschap passen. Vaak is het al voldoende om leden aan te sporen tot kalmte, en hen te wijzen op de huisregels. Maar soms is het ook nodig dat moderatoren harder ingrijpen. Dat is het geval wanneer een deelnemer volhardt in zijn of haar onfatsoenlijk optreden en willens en wetens probeert om de sfeer in de gemeenschap te verzieken. In dat geval kunnen moderatoren besluiten om postings van het forum te verwijderen of om de betreffende persoon tijdelijk of duurzaam uit te sluiten van de gemeenschap. Uitsluiting is het laatste redmiddel om een gemeenschap resistent te houden tegen verloedering.
In de loop der jaren zijn er steeds meer en zeer uiteenlopende grote online gemeenschappen ontstaan, waarin dagelijks vele duizenden mensen participeren. Bij de meest populaire webfora zijn de taken en verantwoordelijkheden van moderatoren sterk uitgebreid. Zij spelen een steeds vitalere rol in de bescherming van hun gemeenschap tegen onverlaten, vandalen, querulanten en trollen én in de stimulering van een sfeer die nodig is voor openhartige meningsuitwisseling. Aanvankelijk waren de moderatoren veelal vrijwilligers die onbetaald de taak op zich namen om hun gemeenschap te reguleren. Het toenemend besef van het belang van zelfregulatie door moderatie heeft in veel virtuele gemeenschappen geleid tot initiatieven om hun moderatoren beter te kwalificeren. Het wordt tijd om ook in het reguliere onderwijs leertrajecten op te zetten die deze professionalisering van de moderatoren kan ondersteunen. Het bevorderen van deskundigheid bij moderatoren is een cruciale schakel voor het realiseren van een niet-repressieve sociale controle binnen online gemeenschappen.
Het zelfreinigend vermogen van online gemeenschappen lijkt in eerste instantie sterk beperkt te worden door het anonieme of pseudonieme optreden van de deelnemers. Maar het ontbreken van lokale mechanismen van sociale controle kan online worden gecompenseerd door virtuele socialisatie. Hierdoor kunnen de sociale cohesie en het groepsgevoel van virtuele gemeenschappen worden versterkt waardoor er voor extreme reacties geen (of in ieder geval veel minder) plaats meer is. Uiteindelijk is dat de inzet van het virtuele beschavingsoffensief Fatsoen moet je ook online doen.
|
De wet van behoud van bagger luidt: Wat je als medium ook doet online, je zult altijd jouw deel van de bagger op je deurmat vinden, jouw deel van het platte racisme, van de domme onzin, van het anonieme jennen en het zinloze treiteren. Omdat bagger blijft, zijn tal van interactieve experimenten mislukt, forums gesloten en chatsessies uitgelopen op treurige dramas [idem, Herbert en het behoud van bagger]. Ofwel: Als je de hele wereld uitnodigt op je feestje, kun je er zeker van zijn dat er iemand in je bier pist [Wired]. Moderatie van weblogs is een effectief instrument om virtueel onfatsoen aan banden te leggen. Maar rotzooi blijf je houden. Al is het alleen maar dat de meeste webfora niet de middelen hebben om alle bijdragen in real-time te modereren. |
Nomadische gedachten |
|---|
Aansprakelijkheid voor postings
Een cruciale vraag is: in hoeverre is (de beheerder van) een weblog verantwoordelijk voor de postings die door anderen worden gedaan? Wie is er aansprakelijk als er op een weblog door een bezoeker iets geplaatst wordt dat als belediging, bedreiging, schending van de privacy en portretrechten enz. gekwalificeerd kan worden? Wanneer een internetprovider in Nederland door justitie gewezen wordt op de kwalijke inhoud van websites die op hun netwerk/servers draaien dan worden ze geacht hier wat aan te doen. Providers zijn niet aansprakelijk voor de plaatsing van illegaal materiaal, maar wel voor het niet verwijderen daarvan. Dit principe kan worden doorgetrokken naar weblogs zelf, zodat webmasters gedwongen kunnen worden discussies binnen de grenzen van de wet te houden. En liefst ook binnen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke. Maar we weten inmiddels dat je fatsoen niet of moeilijk kunt afdwingen, en zeker niet met juridische middelen. Wat voor de een betamelijk is, is voor de ander onfatsoenlijk. Wat voor de een lomp is, vindt de ander scherpzinnig of geinig. En onfatsoenlijk zijn is niet strafbaar.
Verleiden tot fatsoen: netiquette
In de klachten die over internet naar voren worden gebracht spelen criminaliteit en onfatsoen (onverdraagzaamheid en de ruwe omgangsvormen) een prominente rol. Hoe kunnen mensen worden geïnspireerd om zich ook in een digitale omgeving fatsoenlijk te gedragen? Beschaafd gedrag kan ook online niet worden afgedwongen. Het is onvermijdelijk dat het onfatsoen dat we op straat tegenkomen ook doorwerkt in populaire webfora. Als je een open webforum beheert dat erg populair wordt, dan moet je er rekening mee houden dat er onfatsoenlijke postings worden geplaatst. Een webloghouder of forumbezitter kan zich voor de wet niet verbergen achter een disclaimer: criminele daden blijven ook als zij online worden begaan strafbare daden. Maar binnen deze grens zijn beheerders van webfora niet verantwoordelijk voor wat mensen op het forum plaatsen. Voor onfatsoenlijk taalgebruik hoeft hij zich niet te excuseren. Maar beheerders van webfora kunnen wel samen met hun bezoekers gedragsregels opstellen en bewaken die daaraan duidelijke grenzen stellen. Dat heeft niets te maken met het beperken van de vrijheid van meningsuiting. Integendeel, het ontwikkelen van een eigen netiquette is voor elke online gemeenschap een vitale voorwaarde om vrije meningsuiting mogelijk te maken.
Veel webfora hebben al jarenlang ervaring opgedaan met het opstellen en handhaven van internet gedragsregels. Die ervaring leert dat het lang niet altijd zin heeft om zeer gedetailleerde gedragsregels op te stellen. Als je probeert expliciete normen te stellen, gaan mensen toch naar gaatjes zoeken. (...) Veel mensen vinden het toch leuk om de grens op te zoeken, zegt Johan Heslinga van Fok. Het FOK!forum hanteert een eenvoudige gedragsregel: Het voornaamste is dat we verwachten dat je je op fatsoenlijke wijze gedraagt tegenover je medeposters, dat je je aan de Nederlandse wetgeving houdt en dat je de instructies van moderators en (forum)admins opvolgt [Fok Policy].
Reputatiesysteem
Naast het opstellen van gedragsregels en het aanstellen van moderatoren kunnen online gemeenschappen nog een aantal andere middelen gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen zorgvuldiger en vriendelijker met elkaar communiceren. Door middel van een waarderingssysteem kan men deelnemers in staat stellen om elkaars reacties omhoog of omlaag te stemmen. Op die manier komen de door velen hooggewaardeerde bijdragen ook bovenaan de lijst met reacties te staan. Je kunt bezoekers ook de mogelijkheid bieden om zelf te bepalen dat zij alleen maar reacties te zien krijgen met een hoge waardering. Naast waardering van de afzonderlijke bijdragen kan ook de deelnemer zelf worden gewaardeerd middels een reputatiesysteem. Hierdoor wordt een positieve premie gezet op fatsoenlijk gedrag. Het reputatiesysteem speelt in op de behoefte om erkenning te krijgen. Bovendien kunnen alle leden van de gemeenschap de reputatiescore meenemen in hun beoordeling van tegenstrijdige opvattingen die door andere leden zijn gepubliceerd. In de praktijk blijkt overigens dat veel waarderings- en reputatiesystemen relatief makkelijk gemanipuleerd kunnen worden.
Tenslotte kunnen webfora ook nog gebruik maken van een klik-klaag-knop waarmee bezoekers van de site met één klik op de knop discriminerende, haatzaaiende, lasterlijke of andere strafwettelijk verboden uitlatingen kunnen registreren én naar de politie doorsturen. Met de software van Chat-Security kan men bijvoorbeeld in een keer een schermafdruk maken, waarna de gegevens van de betrokken deelnemer worden geregistreerd en in een databank geplaatst. De politie kan deze gegevens inzien en al naar gelang de ernst van de overtreding stappen ondernemen. Met software van Chat-Security wordt niet alleen de moderator, maar ook de politie gewaarschuwd. Marokko.nl is de eerste site in Nederland die de software gaat gebruiken. Marokko.nl kwam in december 2008 in opspraak, nadat minister Van der Laan (Integratie) geschokt was door opruiende teksten tegen onder meer homos en joden op de fora van de website. Volgens oprichter Khalid Mahdaoui is het voor de dertig moderators van Marokko.nl ondoenlijk om alle tienduizenden berichten die dagelijks binnenkomen zélf te controleren.
Moderator: de digitale hydra
De goede moderatoren van webfora zijn veelzijdige mensen. Voor het in stand houden van grotere gemeenschappen zijn al vroeger diverse belangrijke functies in het leven geroepen. Mensen die in staat waren om nieuwelingen te helpen om hun plaats binnen de gemeenschap te bepalen. Mensen die ervoor zorgden dat er in de gemeenschap geen dingen gebeurden die het voortbestaan van die gemeenschap in gevaar brachten. Mensen die in staat waren om te interveniëren in vastgelopen of uit de hand gelopen discussies. De moderne moderator van populaire webfora vervult niet alleen al deze functies tegelijkertijd, maar doet dit bovendien in gemeenschappen die vaak veel omvangrijker zijn dan alle lokale gemeenschappen die we tot nu toe hebben gekend.
Moderatoren kunnen op grond van de huisregels of netiquette liefst als uitkomst van een discussie met bezoekers of gemeenschapsleden ingrijpen om de randvoorwaarden van een vrije discussie te beschermen. Een moderator kan een overtreder van de communicatieregels vriendelijk vermanen of waarschuwen om te stoppen met het ongewenste gedrag. Hij kan de desbetreffende posting verwijderen, een hele discussielijn (thread) sluiten, of als uiterste middel die persoon tijdelijk of duurzaam uit het systeem verwijderen en zijn IP-nummer blokkeren. Praktisch elke vorm van lokale sociale controle kan online worden gerepliceerd.
Beschaving als gestileerde zelfbeheersing
Beschaving is een ingewikkeld begrip met een heel lange, maar ook tegenstrijdige geschiedenis. Het was vanaf haar oorsprong een term waarmee maatschappelijke elites zich profileerden ten opzichte van mensen die in hun ogen eenvoudiger en primitieverֹ waren. Civilisatie was altijd al een begrip waarmee de heersende elites zichzelf en anderen probeerden wijs te maken dat zij boven de gewone mensen uitstaken [Elias 1939/82: (1) 62]. Hierdoor kleeft er een elitaire lading aan het begrip beschaving (net zoals bij fatsoen). Het is echter heel goed mogelijk, en mijns inziens ook noodzakelijk, om het beschavingsbegrip los te wrikken uit haar elitaire cocon.
Beschaving is het reguleren van ons drift- en gevoelsleven door een duurzame zelfcontrole. Deze zelfcontrole is een onmisbare voorwaarde voor menselijk samenleven. Bij een volledig ongecontroleerde uiting van ons drift- en gevoelsleven wordt samenleven onmogelijk, in ieder geval zeer onaangenaam. Ons hele opvoedingsproces staat in het teken van het leren van zelfcontrole, en daarmee ook van zelfstandigheid en weerbaarheid. De kunst is nu om dit leerproces ook voort te zetten in ons virtuele hiernaastmaals.
|
|
Informatiebronnen |
|---|
| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |