Programma van Week tot Week

Week   1 Eigenaardigheden van Cyberspace
Week   2Hoe ‘echt’ en ‘betrouwbaar’ zijn virtuele relaties?
Week   3 Anonimiteit en de cultuur van de grote bekken: lokale en virtuele socialisatie
Week   4 Sociale netwerken: uitwaaierende vriendenkringen
Week   5 CyberPolitiek en Digitale Democratie
Week   6 Geweld op internet: cyberoorlog, terrorisme en criminaliteit
Week   7 Presentatie van eindopdrachten
Week   8 Presentatie van eindopdrachten - Evaluatie en aanbevelingen

  Hypertekstuele Revolutie: nieuwe technieken en culturen van schrijven, lezen & leren
  Robuustheid van het internet: regulatie en zelfregulatie
  Telewerk: van industrieel naar informationeel kapitalisme
  Spel & Vermaak: internet als amusement
  Netwerkanalyse: topologie en dynamiek van internet
  Wikipedia: de kracht van zwermintelligentie
  Weblog: van dagboek, via journalistiek tot politiek
  Zoeken naar kwaliteit
  De mobiele samenleving
  1. Week 1 [6 februari] - Eigenaardigheden van cyberspace
    De opkomst van het internet heeft niet alleen onze samenleving en onze leefstijlen veranderd, maar ook het object van de sociologie en de werkwijze van sociologen. Internet is een machtig medium voor informatie-overdracht en communicatie, maar is verder geëvalueerd tot een geheel eigensoortig sociologisch object: een nieuwe virtuele wereld met bijzondere sociale configuraties en processen. In die nieuwe wereld van het ‘hiernaastmaals’ leiden we als het ware een tweede leven. On- en offline leven versmelten steeds sterker met elkaar. Internetsociologie bestudeert het sociaal handelen van mensen die online met elkaar interacteren en tracht daarvan de structurele en dynamische eigenaardigheden in kaart te brengen en sociologisch te duiden.

    In deze verdiepingsmodule worden de contouren van de internetsociologie behandeld vanuit de centrale vraagstelling: in welke opzichten opereert internet als medium van sociaal-culturele transformaties? Bijzonder aandachtspunt daarbij is in hoeverre en op welke wijze er in digitale interacties en transacties vertrouwensrelaties kunnen worden opgebouwd. Tijdens de eerste bijeenkomst bespreken we de praktische kwesties van deze module: werkwijze, literatuur, opdrachten en toetsingsvorm.

      Opdracht 1
    1. Lees van Manuel Castells, The Internet Galaxy, de opening (The Network is the Message) en het eerste hoofdstuk: «Lessons from the History of the Internet».
    2. Snuffel in de Eigenaardigheden van Cyberspace en maak een lijstje van de meest kenmerkende sociologische bijzonderheden van het internet als een virtuele wereld. Denk je dat het ontstaan van virtuele arrangementen gevolgen heeft voor sociologische theorievorming en onderzoek? Schrijf je verwachtingen t.a.v. deze module op. Maak iedereen deelgenoot van je bevindingen door ze uiterllijk vóór dinsdag 6 februari (20:00 uur ) te plaatsen op het DiscussieForum.


  2. Week 2 [13 februari] - Hoe ‘echt’ en ‘betrouwbaar’ zijn virtuele sociale relaties?
    Hoe betekenisvol zijn louter virtuele sociale relaties, netwerken en organisaties? Praktisch alle klassieke sociologen definieerden een sociale relatie in termen van copresence: het gelijktijdig aanwezig zijn in een en dezelfde ruimtelijke context (zie bijvoorbeeld Erving Goffman). Persoonlijke interactie zou alleen maar mogelijk zijn wanneer er sprake is van een directe tijd-ruimtelijke verbinding tussen minstens twee personen. Alleen in deze situatie zouden de twee kenmerkende eigenschappen van persoonlijke interactie volledig tot hun recht kunnen komen: rijkdom van de informatiestroom (mediarijkdom) en facilitatie van terugkoppeling (feedback). Het uitgebreide repertoire van synchrone en asynchrone communicatiemogelijkheden op het internet stelt ons meer dan ooit in staat om op grote afstand toch persoonlijke relaties op te bouwen en te onderhouden. In hoeverre is het nodig om het begrip ‘sociale relatie’ op te rekken (en in het verlengde daarvan ook de begrippen zoals ‘gemeenschap’, ‘netwerk’, en ‘organisatie’)? We knopen daarbij aan bij het bekende Thomas-theorema: “If men define situations as real, they are real in their consequences.” Als dat nog steeds waar is, dan geldt ook: “Als mensen hun virtuele sociale relaties en netwerken als werkelijk definiëren, dan hebben zij ook werkelijke gevolgen.” Online connecties en gemeenschappen zijn een alledaagse en vitale bestaansconditie geworden. We leven steeds meer in een interrealiteit, een hybride geheel van lokale én virtuele werkelijkheid. De kunst van de moderne cybermens is om met het ene been in de lokale en het andere in de virtuele werkelijkheid een balans te vinden.

    Vertrouwen is de cruciale smeerolie van al onze sociale relaties. Zonder vertrouwen is samenleven onmogelijk. Sociologisch gezien was vertrouwen altijd al een lastig begrip. Moeilijk te definiëren, en lastig om te analyseren. Op internet zijn vertrouwensrelaties waarschijnlijk nog veel lastiger te realiseren. Hoe komen vertrouwensrelaties in virtuele omgevingen tot stand? Kunnen vertrouwensrelaties ook virtueel worden geïnstitutionaliseerd?

      Opdracht 2
    1. Lees: Albert Benschop [1996-2013] Virtuele gemeenschappen. Let daarbij vooral op de begrippen sociale aanwezigheid en mediarijkdom (en op hun onderlinge samenhang). Probeer een antwoord te formuleren op de vraag: welke soorten activiteiten zijn niet of slechts in beperkte mate via internet te realiseren, en welke activiteiten kunnen in virtuele omgevingen beter worden gerealiseerd dan in lokale omgevingen?
    2. Lees: Hans Harbers [2003] Vertrouwen. Zoek via internet of in tijdschriften en kranten naar een artikel waarin de vertrouwenskwestie op internet aan de orde komt. Motiveer kort waarom je dit artikel hebt gekozen.
    3. Plaats de opdracht vóór 11 februari (20:00 uur) in het DiscussieForum. Je mag deze opdracht samen met anderen uitvoeren. Je kunt ook commentaar leveren op de bijdrage van anderen.


  3. Week 3 [20 februari] - Anonimiteit en de cultuur van de grote bekken: lokale en virtuele socialisatie
    Kenmerkend voor een belangrijk deel van de internetcommunicatie is dat mensen daarbij anoniem of pseudoniem opereren. Hierdoor worden de normale mechanismen van (lokale) sociale controle buiten werking gezet. We wanen ons volledig anoniem, als een onzichtbare man die nooit aangesproken wordt op de gevolgen van zijn (a)sociale gedrag. Wat zijn sociologisch gezien de gevolgen van het feit dat mensen op het internet veelal anoniem of pseudoniem met elkaar interacteren? In anonieme of pseudonieme interacties uiten mensen zich op een ongeremde manier, omdat zij niet beperkt worden door lokale vormen van sociale controle of door nationale vormen van juridische controle. De schaduwzijde van dit ontremmend effect is dat er een premie komt te staan op meer extreme vormen van sociaal handelen: nethufteren en netsletten (die samen leiden tot een cultuur van de grote bekken). De eerste vraag is dus wat de structurele en dynamische eigenaardigheden zijn van anonieme online sociale relaties, en van de virtuele netwerken, gemeenschappen en organisaties die hierop gebaseerd zijn. De tweede vraag is of en in hoeverre het wegvallen van lokale mechanismen van sociale controle gecompenseerd kan worden door mechanismen van virtuele sociale controle en door virtuele socialisatie? Hoe stabiel en duurzaam kunnen virtuele associaties en gemeenschappen zijn? Hoe bestendig zijn zij tegen vijandige aanvallen van buitenaf, of van balansverstoringen van binnenuit? Kunnen zij zich daartegen effectief beschermen? En hoe doen zij dat?

      Opdracht 3
    1. Lees: Peter Vasterman [2010] De digitale schandpaal
    2. Lees: Albert Benschop [2008-2013] Fatsoen moet je ook online doen — Internet als digitale schandpaal.
    3. Beschrijf zelf een voorbeeld van online onfatsoen, en geef aan hoe asociaal (‘hufterig’ en ‘netslettend’) gedrag in virtuele gemeenschappen (inclusief webfora) effectief bestreden kan worden. Plaats je bijdrage vóór 18 februari 20.00 uur in het discussieforum, en reageer op bijdragen van anderen.
    4. Zet in het discussieforum «Mijn Onderwerp» uiteen over welk onderwerp je een presentatie wilt geven, en een essay wilt schrijven. Kijk of er andere deelnemers zijn die aan verwante onderwerpen willen gaan werken.


  4. Week 4 [27 februari] - Sociale Netwerken: uitwaaierende vriendenkringen
    Uitgangspunt en elementaire bouwsteen van sociale netwerken is de persoonlijke vriendenkring. Met behulp van sociale software kan de eigen vriendenkring op eenvoudige wijze worden uitgebreid met het vriendennetwerk van onze vrienden. De waarde van deze virtuele sociale netwerken is gelegen in de betrouwbaarheid van de verbindingen (trusted links). In zichzelf expanderende vriendenkringen krijgt elke deelnemer toegang tot de persoonlijke, professionele en sociale informatie in de profielen van alle andere ‘vrienden van vrienden’. De grote uitdaging voor makers en gebruikers van sociale software is om de relationele rijkdom, het sociale kapitaal te vergroten zodat selectieve associaties (vriendenkringen, beroepsgenoten, gelijkgeïnteresseerden en gelijkgestemden) dynamisch kunnen opereren terwijl zij tegelijkertijd hun grenzen uitbreiden zonder hun cohesie, identiteit of doelstelling te verliezen. Sommige critici beschouwen de opkomst van sociale netwerken als een hype zonder inhoud, als een teken van sociale armoede, en als een gigantische tijdverspilling. Anderen zijn ervan overtuigd dat de toekomst van het sociale netwerken zich op het internet zal voltrekken. Daarvoor zal echter eerst moeten worden afgerekend met de balkanisering van sociale netwerken die gevolg is van de genadeloze concurrentie tussen de producenten van sociale software.

      Opdracht 4
    1. Lees The Economist [2010] A world of connections. A special report on social networking
    2. Lees: Albert Benschop [2004-2013] Uitwaaierende vriendenkringen - De magie van sociale netwerken.
    3. Lees: Eytan Bakshy [2012] Rethinking Information Diversity in Networks
    4. Lees: Guda van Noort / Marjolijn Antheunis / Evan van Reijmersdal [2011] Online vrienden bepalen de overtuigingskracht van SNS-campagnes. In: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 39(4): 90-103.
    5. Beschrijf één risico van sociale netwerken, en bedenkt vervolgens hoe dit risico beheerst zou kunnen worden.


  5. Week 5 [6 maart] - Cyberpolitiek en Digitale Democratie
    De kloof tussen burger en &lsquolde politiek’ werd en wordt veel beklaagd. In een complexe samenleving kunnen burgers nu eenmaal niet over alles direct meebeslissen. Het ideaal van een democratische agora, waar iedereen op het dorpsplein kan meepraten en meebeslissen over alles wat zo’n kleinschalig samenlevingsverband aangaat, zou in ons soort samenleving niet werkbaar zijn. De burgers laten zich vertegenwoordigen door gekozen beroepspolitici die namens hen de beslissingen nemen. Maar door de opkomst van nieuwe synchrone en asynchrone vormen van internetcommunicatie lijken de grenzen van de directe democratie te worden opgerekt. Via goed georganiseerde internetfora kunnen burgers veel directer en actiever opereren in het proces van meningsvorming, en via goed beveiligde peilingen en stemmingen zouden zij ook veel directer betrokken kunnen worden bij de politieke besluitvorming van hun lokaal, regionaal of nationaal bestuur. De vraag is dus wat internet kan bijdragen aan de verrijking van democratische procedures en de politieke cultuur. Zoals John. F. Kennedy de eerste televisie-president was, zo is Barack Obama de eerste internet-president. Maar daarmee is internet nog lang geen belichaming van delibererende democratie in actie, zoals David Clark, een van de founding fathers van het internet meende. Internet faciliteert —net als alle voorgaande communicatietechnologieën— een ongeëvenaarde controle van de overheid over individuen. Het eens zo gevierde globale netwerk lijkt tegenwoordig steeds meer op een verzameling van natie-staat netwerken.

      Opdracht 5
    1. Howard Reingold (video) Public Sphere [13:18]
      Why the history of the public sphere matters in the Internet age. Reingold verklaart waarom en hoe we van de geschiedenis van het publieke domein kunnen leren hoe we de toekomst van de democratie in het tijdperk van de velen-op-velen media kunnen voorspellen.
    2. Albert Benschop [1997-2013] Politieke sociologie van het internet - Tegenspraak brengt teledemocratie verder
    3. Aanbevolen: Albert Benschop [2011-2013] CyberActivisme en WolkBewegingen
    4. Geef een specifiek voorbeeld van de manier waarop naar jouw inzicht internet gebruikt kan worden om democratische processen te stimuleren of te verrijken?

      Je kunt ook een voorbeeld kiezen waaruit blijkt dat internet democratische processen kan inperken of ondergraven?


  6. Week 6 [13 maart] - Geweld op internet: cyberoorlog, cyberterrorisme en criminaliteit
    Internet is niet de meest veilige plek op deze wereld. Zij wordt onveilig gemaakt door de cybermisdaden van crackers, dieven, fraudeurs en schurken of door goed georganiseerde vormen van cyberterrorisme. Ook nationale staten maken bij het uitvechten van gewapende conflicten steeds regelmatiger en systematischer gebruik van de mogelijkheden om de strijd te virtualiseren. De nieuwe informatie- en communicatietechnologieën zijn een basistechnologie geworden van moderne samenlevingen. Het voortbestaan van onze samenleving is in toenemende mate afhankelijk geworden van de stabiliteit van informationele en communicatieve infrastructuren. Door het ontregelen van deze infrastructuren met wapens van massadisruptie kunnen nationale samenlevingen in vergaande mate worden ontwricht. Het internet wordt een arena waarin de politieke strijd met destructieve en gewelddadige middelen wordt voortgezet.
    Een spook waart door de wereld — het spook van het cyberterrorisme. Alle inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de grootmachten ter wereld hebben zich verbonden tot een heilige drijfjacht tegen dit spook. De nationale veiligheid wordt niet meer alleen bedreigd door conventionele, chemische, biologische of nucleaire aanslagen door terroristen of schurkenstaten, maar ook door cyberterrorisme. Cyberterrorisme zou wel eens de grootste bedreiging van de nationale veiligheid kunnen worden, juist omdat het zo revolutionair is. Het internationaal terrorisme is gevaarlijker dan ooit en moeilijk te bestrijden. De Amerikaanse regering heeft —met niet al te veel, of minstens tegenstrijdig succes— geprobeerd om de terroristen uit te roken uit hun schuilplaatsen in de bergen en grotten van Afghanistan. Maar tegenwoordig staan de strategen van het contraterrorisme voor een nog veel ingewikkelder taak: het opsporen van terroristen en in kaart brengen van hun netwerkactiviteiten in afgebakende lokaliteiten (zoals moskeeën of pleinen), én in de onbegrensde virtuele ruimte van cyberspace. Hoe moeilijk is het om zicht te krijgen op de internationale patronen van de virtuele jihad? Moeten we serieus rekening gaan houden met terroristische aanslagen op vitale elektronische netwerken en informationele infrastructuren die samenlevingen volledig kunnen ontregelen? En hoe kunnen de gevaren van terroristisch gebruik van internet worden afgewend of geminimaliseerd?

      Opdracht 6
    1. Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) [2011] Digitale Oorlogvoering. 41 blz.
    2. Albert Benschop [2001-2013] Oorlog in cyberspace - Internet als slagveld [nader aan te geven secties]
    3. Albert Benschop [2001-2012] Cyberjihad Internationaal.

  7. Week 7 [20 maart] - Presentatie van eindopdrachten

  8. Week 8 [27 maart] - Evaluatie en aanbevelingen


  9. De hypertekst revolutie: nieuwe technieken en culturen van schrijven, lezen en leren
    In deze week onderzoeken we hoe via internet een van de meest essentiële grondslagen van onze cultuur wordt getransformeerd: onze taal, en meer in het bijzonder onze manier van schrijven en lezen. Al honderden jaren vertrouwen we onze gedachten, analyses en verlangens toe aan (geduldig) papier (inkt op dode bomen). Omdat de bladspiegel waarop we schrijven tweedimensionaal is, waren we altijd gedwongen om lineair te schrijven. Een tekst is samengesteld uit diverse eenheden: een paragraaf, een pagina, een alinea, misschien slechts één woord. De omvang van een tekstuele eenheid is variabel en arbitrair. In conventionele, lineaire teksten, zoals boeken of artikelen, is elke eenheid met ten hoogste twee andere eenheden verbonden, degene die eraan voorafgaat en degene die erop volgt, de pagina, paragraaf of het woord daarvoor en de pagina, paragraaf of het woord daarna. Vanaf het begin van het werk tot aan het einde loopt een rechte lijn. Daarom noemen we dit ‘lineaire’ teksten. Complexe gedachten en analyses op meerdere abstractieniveaus moesten altijd eerst platgeslagen worden voordat zij aan dode bomen konden worden toevertrouwd. Literaire en wetenschappelijke auteurs hebben daar jarenlang mee geworsteld. Literatoren zoals Julio Cortazár, George Perec en Milorad Pavic experimenteerden al vanaf het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw met romans die als een legpuzzel gelezen kunnen worden. Het zijn teksten met meervoudige leespaden die zich steeds verder vertakken. Wetenschappelijke auteurs probeerden de beperkingen van het lineaire schrijven te compenseren door het aanbrengen van voetnoten, inhoudsopgaven, indexen en kruisverwijzingen. Door de hypertekstuele revolutie zijn we in staat om te ontsnappen aan de beperkingen van het lineaire schrijven en lezen. In hypertekst kunnen de tekstuele eenheden op veel complexere wijze met elkaar worden verbonden in uitgebreide en gestratificeerde symbolische netwerken. Non-lineair schrijven stimuleert niet alleen non-lineair lezen, maar ook non-lineair leren en misschien ook wel non-lineair (creatief <=> associatief) denken. De hypertekstuele revolutie heeft tevens geleid tot een omwenteling van de educatieve instellingen. Het leren in digitale leeromgevingen en het leren op afstand zijn inmiddels op relatief brede schaal geïntroduceerd. Wat zijn de voordelen van de virtualisering van het onderwijs, en waar liggen de grenzen?

      Opdracht
    1. Lees: Albert Benschop [1997-2012] Lineaire en hypertekst. Concentreer je daarbij enerzijds op de verschillen tussen lineair en hypertekstueel schrijven en lezen, anderzijds op de verschillen tussen lineair en non-lineair leren.
    2. Lees: Amy Shapiro / Dale Niederhauser [2004] Learning from hypertext: research issues and findings. In: D.H. Jonassen (ed.) Handbook of research on educational communications and technology. pp. 605-620.
    3. Kijk: Tony O’Driscoll [2007] Virtual Social Worlds and the Future of Learning [9:47 min.]
    4. Zoek zelf naar de mogelijke voor- en nadelen van non-lineaire leerprocessen in digitale leeromgevingen (zoals Blackboard). Je mag ook praktische voorstellen doen hoe deze verdiepingsmodule verbeterd kan worden. Lees en gebruik daarbij minstens één artikel uit het tijdschrift Journal of Educational Technologie & Society. Je kunt voor deze opdracht ook gebruik maken van de bronnen over Non-Linear Learning in de SocioSite (je kunt die bronnen ook aanvullen). Zie ook: Leren op Afstand - Virtuele onderwijsinstellingen.
    5. Inleveren op het discussieforum vóór 25 februari 20:00 uur.

  10. Robuustheid van het internet: regulatie en zelfregulatie
    Internet penetreert diep in ons alledaagse publieke en persoonlijke leven. Individuen, organisaties en de samenleving als geheel zijn hierdoor steeds sterker afhankelijk geworden van de robuustheid van de informationele infrastructuur. Vroeger zeiden de spoorwegmachinisten: “Heel het raderwerk staat stil als onze machtige arm dat wil”. Treinstakingen en stroomstoringen hebben nog steeds erg ontregelende gevolgen voor de samenleving, net als overstromingen en aardbevingen. Maar een samenleving die zo sterk afhankelijk geworden is van elektronische communicatiesystemen is ook op dit punt zeer kwetsbaar geworden. Wat zijn de zwakke plekken van het internet? Hoe kunnen we ons tegen dergelijke risico’s beschermen? Het gaat om bescherming tegen graaiers die het internet vervuilen met spam, tegen oplichters en dieven die mensen geld uit de zakken kloppen of tegen kwaadaardige hackers die netwerken proberen te manipuleren en plat te leggen. Maar het gaat ook om extremisten en terroristen die het internet zelf als slagveld gebruiken, en om vijandige naties die zich tot in detail voorbereiden op de komende cyberoorlog. We zijn daarmee een heel eind verwijderd van de idyllische visie op internet, als een new frontier waar mensen in vrede leven, onder hun eigen regels, bevrijd van de dwang van een onderdrukkende samenleving en vrij van inmenging door overheden. Maar het is niet verstandig om ook aandacht te besteden aan the dark side van het internet.

      Opdracht
    1. Lees Regulatie en Zelfregulatie van internet. Concentreer je daarbij op de vraag in hoeverre netizens (internetburgers) in staat zijn om het internet zelf, dus van binnenuit, te reguleren. Let daarbij vooral op het onderscheid tussen verschillende niveaus waarop zelfregulering georganiseerd kan worden (en op hun onderlinge samenhang).
    2. Lees: Robin Dunbar [2012] Speak Up, Speak Out
    3. Geef een antwoord op de vraag: (i) op welke manieren kan de macht van individuele internetgebruikers beschermd worden tegen criminelen, exploiterende ondernemingen en repressieve staten? óf (ii) op welke manier kan internet gebruikt worden om de macht van sociale en politieke bewegingen te versterken?

  11. Telewerk: van industrieel naar informationeel kapitalisme
    Kenmerkend voor de structuur van het industrieel kapitalisme is de tijdruimtelijke concentratie van arbeidskrachten in de arbeidsorganisatie. Zij is gestructureerd naar het model van de fabriek (of het kantoor). Door gebruik te maken van moderne systemen van elektronische communicatie is het niet meer nodig dat mensen tijdruimtelijk geconcentreerd zijn in een fabriek/kantoor om met elkaar samen te werken. Hierdoor wordt een bres geslagen in de kernstructuur van het industriële kapitalisme. De tijdruimtelijke samenballing van lokaal verspreide arbeidskrachten in een fabriek/kantoor vormde lange tijd de grondslag van een samenleving die werd gekenmerkt door een scherpe scheiding tussen werken en wonen, tussen stad en platteland en tussen mannenwerk en vrouwenwerk. In de informationele fase van het kapitalisme komen deze splitsingslijnen op de tocht te staan. De vraag is of door verdere ontwikkeling van telewerk niet alleen het karakter van de arbeidsverhoudingen aan het kantelen is, maar ook de daarop aansluitende structuren van het wonen en de woonomgeving, van de relaties tussen de geïndustrialiseerde stad en het agrarische platteland, en van de seksuele arbeidsdelingen.

      Opdracht
    1. Manuel Castells, e-Business and the New Economy. Hoofdstuk 3 uit: The Internet Gallaxy.

  12. Spelen en vermaak: internet als amusement
    Volgens de historicus Huizinga ligt spel ten grondslag aan alle cultuur. De mens is een homo ludens, een spelende mens. Cyberspace is een virtuele ruimte waarin zeer veel wordt gespeeld. Er is een omvangrijke spelcultuur ontstaan die zowel tot vernieuwing van veel oude spelletjes heeft geleid (zoals online schaken of online pokeren), maar ook tot geheel nieuwe spelsoorten, zoals interactieve online games voor meer dan 2 spelers: multiplayer online games. Zij worden gespeeld in een driedimensionale grafische omgeving die in functionaliteit (in de zin van mogelijke acties) en uiterlijk verwant is aan de lokale wereld. De spelers controleren hun online personage of karakter. Hierdoor ontstaat een parallelle ruimte van sociale interacties tussen de karakters in de spelwereld. De fascinatie voor deze nieuwe wereld van vermaak heeft zoals bekend zijn schaduwzijden, zoals spelverslaving en kaping van identiteit. In deze week blijven we iets langer stilstaan bij de sociologische eigenaardigheden van driedimensionale virtuele ruimtes, zoals Second Life.

      Opdracht
    1. Albert Benschop [2005-2012] Eigenaardigheden van het 3D-web (hfst. 2 uit: Het Tweede Leven - Onbegrensd verlangen naar het hiernaastmaals).
    2. Harambam, Jeroen / Aupers, Stef / Houtman, Dick [2011]
      Op Jacht naar het ultieme spel - World of Warcraft, Second Life en de commercialisering van viertuele spelwerelden. In: Sociologie 5, 27-47.
    3. World of Warcraft as a playground for sociological research
    4. YouTube [2007]Ted Castranova on learning and virtual worlds [2:33 min.]

  13. Netwerkanalyse - Topologie en dynamiek van internet
    Via het medium internet komen we in contact met mensen die we nooit in levende lijve hebben ontmoet (en waarschijnlijk ook nooit zullen ontmoeten), en waarmee we toch een nuttig, sociaal of zelfs persoonlijk warm contact kunnen hebben. Dat geldt niet alleen voor een-op-een contacten, maar ook voor groepscontacten. Mensen voelen zich aangetrokken tot bepaalde internetlocaties omdat zij daar nuttige informatie vinden, informatiebronnen of rekenkracht van computers kunnen delen, of kunnen communiceren met mensen die in gelijksoortige onderwerpen zijn geïnteresseerd. Daaruit ontstaan min of meer spontane virtuele netwerken en losse, duiventilgemeenschappen, maar ook hechte en duurzame gemeenschappen van mensen die zich sterk met elkaar verbonden voelen. De geografische grenzen van de communicatie zijn enorm opgerekt, maar communicatie is en blijft een sociaal proces. Internet stelt ons in staat om de afstand tussen mensen te overbruggen. Leven we nu werkelijk in a small world? Hoeveel kleiner is de wereld geworden door de opkomst van het internet? In deze week richten we ons enerzijds op de machtsvorming in netwerken, anderzijds op de vraag hoe deze machtsprocessen theoretisch kunnen worden gethematiseerd, empirisch onderzocht en gevisualiseerd.

      Opdracht
    1. Albert Benschop [2003-2012] Zichzelf organiserende netwerken - Topologie en dynamiek van het internet

  14. Wikipedia: de kracht van zwermintelligentie
    Wikipedia is een middel om samenwerkend te schrijven teneinde onze kennis te delen en te ordenen. Ontelbare mensen hebben daaraan inmiddels bijdragen geleverd, en per dag wordt deze gratis online encyclopedie door miljoenen mensen bezocht. Wiki’s zijn typisch een hypertekstueel medium met non-lineaire navigatiestructuren. De basisfilosofie van Wikipedia is dat het gemakkelijker wordt om fouten te corrigeren in plaats van dat het moeilijker wordt om fouten te maken. Iedereen kan in eerste instantie de grootst mogelijke onzin opschrijven, maar als het een relevant lemma is, wordt dit door het grote aantal gebruikers op de kortst mogelijke termijn gecorrigeerd. Het sterkste argument voor het Wikipedia-project is van procedurele aard: Wikipedia is in staat om heel snel fouten te corrigeren. Tegenstanders stellen hun hoop op het traditionele peer review-principe. Elitisten zoals Andrew Keen geloven dat alleen een peer review van deskundigen tot betrouwbare en gezaghebbende kennis kan leiden. Zwermintelligentie is een vorm van kunstmatige intelligentie gebaseerd op het collectieve gedrag van gedecentraliseerde, zichzelf organiserende systemen. Het refereert aan het zelfcorrigerend groepsgedrag dat optreedt bij zwermen autonome insecten zoals mieren en bijen. Tijdens het zoeken naar voedsel en het verdedigen van het territorium worden zwakke signalen versterkt en wordt ruis uitgefilterd. In kleine groepen kunnen individuen hun aandacht verdelen en wordt ontregelend gedrag gereduceerd door informele sociale controlemechanismen. In gemeenschappen of conversatieruimtes met lage toegangsbarrières en honderdduizenden deelnemers wordt dit veel moeilijker. Het beheer van grotere, open gemeenschappen komt niet alleen onder druk te staan door bewust ontregelend gedrag (zoals trolling, flaming, spamming, fooding), maar ook door een overdaad aan ongestructureerde en ongewogen informatie. Bij een zekere omvang krijgen alle online gemeenschappen last van het signaal-ruis probleem — vooral wanneer er veel tegenstrijdige opinies in omloop zijn. Men kan dit probleem van bovenaf proberen op te lossen door poortwachters en controleurs in te huren. Maar men kan het ook aan de gemeenschap zelf overlaten. In dat geval ontwikkelt de gemeenschap zichzelf door een open source model te volgen. Groepen individuele gebruikers ontwikkelen collectieve intelligentie wanneer zij netwerken creëren en gerelateerde profielen en inhoud filteren. Wanneer de individuele bijdragen door andere leden van een gemeenschap worden gewaardeerd kunnen er in de loop der tijd gedeelde normen ontstaan over wat een goede of slechte bijdrage is. Bovendien wordt het hierdoor mogelijk om moderatiefilters te gebruiken waardoor men alleen hooggewaardeerde bijdragen te zien krijgt en laaggewaardeerde bijdragen automatisch worden weggeselecteerd. Op die manier kunnen binnen een complex systeem met veel ruis toch de kwalitatief goede bijdragen naar boven komen drijven. Een goed voorbeeld hiervan is de ‘bottom-up journalistiek’ van Slashdot waarin praktisch al het werk door lezers zelf gedaan wordt.

      Opdracht
    1. Jonathan Zittrain [2008] The Lessons of Wikipedia, uit: The Future of the Internet - and how to stop it. Je kunt ook het hele boek van Zittrain downloaden in pdf-formaat.
    2. Albert Benschop [2010-2012] Wikipedia - De wijsheid van de zwerm
    3. Wikipedia Sociologie

  15. Weblog - Van dagboek, via journalistiek tot politiek
    Blogs hebben het internet omgewoeld en nieuwe vorm gegeven, zij hebben de politiek en het onderwijs beïnvloed, zij hebben de journalistiek door elkaar geschud, en zij hebben miljoenen mensen in staat gesteld om zich te uiten en om zich met anderen te verbinden. Door een blog ben je aanwezig op internet. Je kunt er dingen naar voren brengen die je met anderen wilt delen omdat je ze belangrijk vindt. Dat kan even goed een persoonlijke ervaring zijn, als een politiek commentaar of een verwijzing naar websites die je goed, leuk of gek vindt. Sommige mensen gebruiken hun blog alleen maar om hun eigen gedachten te organiseren, terwijl anderen invloedrijke en omvangrijke publieken bedienen. Een weblog is een niet-geredigeerde stem van een individu, en bij voorkeur van een amateur. Professionele en amateurjournalisten gebruiken blogs om belangrijk nieuws te publiceren, terwijl schrijvers van persoonlijke dagboeken hun innerlijke gedachten prijs geven aan de openbaarheid. De blogervaring gaat niet alleen over het op het web publiceren van je gedachten, maar ook en vooral over de reacties van en relaties met andere gelijkgezinden. Lezers van je blog kunnen direct reageren op wat jij hebt gepubliceerd, maar je kunt dit ook beperken tot een bepaalde groep. Blogs zijn daarom ook een goed communicatie-instrument voor relatief kleine groepen.

      Opdracht
    1. 50 Profound Sociology Blogs
    2. SocioSite: Social Science Blogs
    3. Albert Benschop [2005-2012] Weblog: een doe-het-zelf medium.
    4. Daniel W. Drezner / Henry Farrell [2004] The power and politics of blogs. pp. 1-23.

  16. Zoeken naar kwaliteit
    De informatiebronnen op het internet blijven zich in een verbazingwekkende snelheid vermenigvuldigen. Iedereen kan tegenwoordig iets op het internet zetten, maar daardoor is het ook vaak moeilijk te zeggen wat dat ‘iets’ is, waar het vandaan komt of wie de auteur is. Iedereen die maar wil kan informatie verspreiden over het internet, zonder rekening te houden met eisen van nauwkeurigheid, betrouwbaarheid of evenwichtigheid. Internet heeft nieuwe groepen in staat gesteld om wereldwijd te publiceren, maar zij zijn niet ingevoerd in de cultuur van het uitgeversvak en hebben vaak weinig ervaring met optreden in het publieke domein. Voor internetgebruikers is het vaak moeilijk te onderscheiden welke sites goede, betrouwbare en volledige informatie over een bepaald onderwerp bevatten. Hoe kom je er achter dat bepaalde sites onnauwkeurige, onbetrouwbare of onevenwichtige informatie verstrekken? Wat zijn de criteria op grond waarvan de kwaliteit van de aangeboden informatie beoordeeld kan worden? Het blijft een hele kunst om op internet snel de informatie te zoeken waarnaar men op zoek is. Zoekmachines zijn onmisbaar geworden voor ons online bestaan. Hoe goed zijn die zoekmachines? En wat zijn de gevolgen van de commercialisering van de zoekdiensten?

      Opdracht
    1. Albert Benschop [1998-2012] Kwaliteit op het net - parels in het moeras van het internet
    2. Albert Benschop [2001-2012] De toekomst van het zoeken.
    3. Probeer aan de hand van de kwaliteitscriteria en -indicatoren te achterhalen welke informatiebronnen voor jouw onderwerp het belangrijkste zijn.

  17. Keuze - De mobiele samenleving

      Opdracht
    1. Albert Benschop [2012-2013] De mobiele samenleving

Laatst geactualiseerd: 12 July, 2017