| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Meten met Maten- Gedeeld Beoordelen in Elektronische Leeromgevingen -dr. Albert Benschop |
|
|
|
Lezing voor de conferentie "Peer-Assessment en peer-reviewing" op 24 oktober 2002. Georganiseerd door de ICT afdeling in het onderwijs van de Universiteit van Amsterdam en de afdeling Onderwijsresearh en Ontwikkeling van de Hogeschool van Amsterdam.
|
Het conventionele onderwijsarrangement werd gekenmerkt door een tamelijk inflexibele tijd-ruimtelijke structurering. Samenwerken betekende in eerste instantie altijd dat alle deelnemers aan het onderwijs op een bepaald tijdstip bijeenkomen in een specifieke fysieke ruimte. Voor colleges en werkgroepen moest iedereen op hetzelfde tijdstip naar hetzelfde klaslokaal. De overige communicatie voltrok zich voornamelijk via de telefoon en door het uitwisselen van papers via post of postbakjes.
Samenwerkend leren is een belangrijk didactisch principe. Het is niet nieuw en werd ook in het conventionele onderwijs al vaak met succes toegepast. In bijna alle onderwijssoorten werden leerlingen/studenten gestimuleerd om met elkaar samen te werken aan opdrachten of werkstukken.
Samenwerkend leren loont en leidt meestal tot betere leerresultaten. Juist daarom is het van belang ons te bezinnen op de vraag wat hierbij de betekenis is van het gebruik van elektronische leeromgevingen.
Door het gebruik van elektronische leeromgevingen, zoals Blackboard, ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor onderwijskundige vernieuwingen, en met name voor samenwerkend leren. Uit alle experimenten en onderzoek naar het gebruik van elektronische leeromgevingen blijkt dat studenten die systematisch gebruik maken van het internet beter presteren en dat hun verworven kennis beter beklijft.
Dat is geen magie van het internet als zodanig. De verklaring is eigenlijk heel eenvoudig:
Er is dus niets magisch aan de hand. Studenten die van elo's gebruik maken werken beter met elkaar samen en studenten die beter met elkaar samenwerken presteren beter. Kortom: netstudenten zijn beter omdat elektronische leeromgevingen (elo's) samenwerkend leren vergemakkelijken.
Samenwerkend leren vraagt om samenwerkend beoordelen
|
Een logisch en algemeen geaccepteerd uitgangspunt is dat beoordelingsprocedures moeten aansluiten bij de wijze van studeren, bij de omstandigheden waarin de programma's worden bestudeerd, en bij de aard van de beoordeling zelf. Simpel gezegd: samenwerkend leren vraagt om samenwerkende beoordeling.
Wie samenwerkend leren wil stimuleren moet ook accepteren dat studenten behoefte hebben om actief in het leer- en beoordelingsproces betrokken te zijn. Hierdoor worden studenten geholpen (i) om zelfvertrouwen te ontwikkelen, (ii) om zelfreflexieve vaardigheden te verwerven in beoordeling en evaluatie, en (iii) om hun leerautonomie te vergroten.
Zelfbeoordeling en beoordeling door medestudenten ('peer assessment') betekent dat studenten verantwoordelijkheid nemen voor toezicht ('monitoring') en beoordelingen geven over onderdelen van hun eigen leren. Het vereist dat studenten kritisch nadenken over wat zij leren teneinde geschikte prestatienormen te identificeren en deze op hun eigen werk toe te passen.
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Elementaire vorm van peer assessment
|
Ik heb de laatste jaren in mijn eigen modules in Blackboard geëxperimenteerd met eenvoudige vormen van 'peerassessment'. Dit gebeurde o.a. in de module Internet, Communicatie en Technologie (ICT) bij de afdeling Communicatiewetenschap van de FMG. Daaraan namen in het eerste jaar zo'n zeshonderd studenten deel, en in het daarop volgende jaar ongeveer driehonderd. De studenten werden ingedeeld in werkgroepen van ± 25 mensen. Binnen de werkgroepen werden studenten ingedeeld in kleine subgroepen die geacht werden opdrachten uit te voeren en daarover een gezamenlijk paper in te dienen. Studenten konden daarbij zelf bepalen met wie zij wilden samenwerken.
De werkgroepen werden vervolgens in paren aan elkaar gekoppeld, zodat elke subgroep een eigen sparringgroep had. Na goedkeuring van de opzet ging elke groep aan de slag met de eigen opdracht. Die opdracht werd via de bestandsuitwisseling van de groep toegankelijk gemaakt voor andere groepen. Na verstrijking van de eerste deadline moest elke groep het werkstuk van de sparringgroep binnen een week beoordelen en online van commentaar voorzien. Daarbij werd gebruik gemaakt van een aantal vooraf opgestelde beoordelingscriteria. Daarna kregen alle groepen de tijd om hun werkstuk te herzien en in te dienen voor een finale beoordeling door de docent.
Zelfs deze elementaire vorm van 'group peer-assessment' (groepsgewijze beoordeling door medestudenten) leverde al een paar positieve ervaringen op:
Richtlijnen
|
Om studenten op een productieve wijze in het beoordelingsproces te betrekken moeten een aantal duidelijke spelregels worden opgesteld. Op grond van mijn eigen ervaringen en op basis van wat ik uit de literatuur heb opgepikt kom ik tot de volgende spelregels:
Beoordelingsvormen
|
Er zijn verschillende vormen denkbaar waarin studenten in het beoordelingsproces betrokken kunnen worden. Idealiter ontstaat er een beoordelingscyclus met drie elementen.
Samenwerkingsvoorzieningen
|
In Blackboard 5.0 zijn geen speciale voorzieningen ingebouwd voor self en peer assessment. Maar er zijn wel een aantal voorzieningen die zich hiervoor uitstekend lenen. Dat zijn met name de groepsvoorzieningen met hun eigen mogelijkheden voor bestandsuitwisseling, discussieforum en chat. Daarbij kan elke (sub)groep het werk van andere groepen volgen en becommentariëren. De virtual classroom en het discussieforum bieden een multifunctionele omgeving voor zowel synchrone als asynchrone communicatie binnen de groep.
De meest recente 6.0 versie biedt in dit opzicht veel meer mogelijkheden. Groepen kunnen nu zelf ook beschikken over diverse typen cursusinhoud (items, folders, externe links, opdrachten, toetsen en links naar verwante discussieforums) in dezelfde inhoudelijke folder.
Problemen met peer-assessment van groepen
|
De deconcentratie of distributie van het educatieve beoordelingsproces is niet zonder problemen en risico's. Ik zal er ter afsluiting drie problemen noemen.
Tegengaan van vriendjespolitiek
Wanneer peer-assessment op een geobjectiveerde en duidelijk gestructureerde wijze wordt verricht kan het studenten belonen die er veel werk in gestopt hebben. Maar het lijkt dat peer-assessment ook een middel kan zijn voor studenten om elkaar aan hogere cijfers te helpen. Beoordelingen van medestudenten worden vaak vertroebeld door andere particuliere of emotionele factoren. Het bekendste voorbeeld daarvan is natuurlijk vriendjespolitiek. Wie is niet onbewust geneigd om zijn vriendje of vriendinnetje coulanter te beoordelen dan studenten waarmee men geen persoonlijke binding heeft? Naar mijn ervaring is vriendjespolitiek alleen maar tegen te gaan door een combinatie van twee activiteiten
Ontmoediging van zwartrijders die gratis meeliften
Bij beoordeling van resultaten van groepswerk is het voor de docent meestal niet zichtbaar of controleerbaar wie wat heeft bijdragen aan het eind product. Alleen de groepsleden zelf weten wie welke bijdrage heeft geleverd, en wie slechts marginaal aan het eindproduct heeft bijgedragen. Het risico van beoordeling van groepsproducten is dat er te veel ruimte wordt geboden voor zwartrijders. Dat zijn studenten die niet of nauwelijks iets presteren, maar toch een voldoende krijgen omdat zij meeprofiteren van het werk van andere groepsleden.
Hoe kan dit zwartrijdersgedrag worden ontmoedigd? Hoe kun je een beoordelingsprocedure zo inrichten dat het meeliften van zwartrijders niet meer 'gratis' is? Er zijn diverse manieren waarop men dit probleem kan benaderen. Maar de meest effectieve manier om met dit probleem om te gaan is deze: geef studenten het recht om het aan een groepsproduct toegekende aantal punten onderling te verdelen.
Ik geef een voorbeeld. Wanneer een werkstuk van 4 studenten uiteindelijk met een 7 wordt beoordeeld, mogen studenten onderling uitmaken hoe zij dit cijfer (4 maal 7) verdelen. Dat kan in dit voorbeeld betekenen dat een student uiteindelijk een 6 krijgt, twee studenten een 7, en één een 8. Als in deze richting wil experimenteren is het raadzaam om voor deze finale 'verdeling van de buit' een aantal duidelijke spelregels op te stellen (en een helder arbitrage-regelement voor het geval er onoverbrugbare meningsverschillen ontstaan).
Speciale waardering van coöperatieve activiteiten
In de theorie van het groepsleren wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen coöperatief en samenwerkend leren:
Samenwerkend leren is dus meer dan de optelsom der delen. Het vereist dat studenten zelf het initiatief nemen om te komen tot een 'gedeelde opvatting van het probleem' en een 'gedeelde taakstelling'. Dat vereist speciale coördinerende en leidinggevende activiteiten. Daarom zou men kunnen overwegen om een beoordelingssysteem te hanteren waarin studenten die zich in het bijzonder hebben ingezet om deze coördinerende en leidinggevende activiteiten op zich te nemen, ook extra worden beloond.
Deconcentratie van beoordelingen
Deconcentratie van beoordelingen loont. Het loont omdat het past bij onderwijs waarin ruimte wordt geboden voor samenwerkend leren, omdat het bijdraagt aan het zelfreflexieve vermogen van studenten, en last but not least: omdat het docenten ontlast.
Onderwijs is 'verplaatsing van lucht'. In elektronische leeromgevingen slaan die luchtverplaatsingen neer in digitale bewegingen die zichtbaar zijn (en blijven) en daarom misschien ook beter beoordeeld kunnen worden. Ook en met name door studenten zelf.
Literatuur
|
|
|
| Eigenaardigheden | Home | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |